SciLogs International .eu.be.es.de
Recentste blogposts RSS

Indignados zijn gezond

26. Oktober 2011, 09:28

Je niet verzetten tegen een mondiale dreiging houdt risico’s in voor je mentale gezondheid op langere termijn. Indignado zijn of Wall Street bezetten is goed voor je.

U, ik, wij allemaal leven in land waar verontwaardiging geen goed imago heeft. Groot ongenoegen wordt vaak niet geuit, en gauw onder het kleed gevaagd. Misschien is een sprankel verandering op til nadat de indignados laatst België aandeden. Maar nadat ze vernielingen aanrichtten in de Brusselse hogeschool, werd het hier te lande stil rond ze. De schijnwerpers werden vervolgens weer gericht op de onze locale versie van hetgeen waar deze mensen nu juist tegen protesteren: de Dexia-affaire.



Intussen verspreidde de Amerikaanse variant van het protest, Occupy-beweging, zich over de hele Verenigde Staten en een groot deel van de rest van de wereld. Maar op vele fronten rommelde er al iets. Zo was er begin dit jaar het immense succes van het pamflet Indignez-vous! van de 93-jarige Franse oud-verzetsstrijder, VN-ambassadeur en filosoof Stéphane Hessel (Ned. vertaling: Neem het niet!, Uitg. Van Gennep). Hessel zegt dat het verontwaardiging was die hem destijds bewoog, en dat verontwaardiging ons menselijk maakt. In zijn kleine, rode boekje roept hij op tot verzet tegen de macht van geld en markten en de verdediging van de sociale ‘waarden van de moderne democratie’. Hoe dat concreet moet worden aangepakt, staat er niet in. Toch appelleert het pamflet aan emoties die al bij velen broedden.


Stéphane Hessel


Opmerkelijk onderzoek

Verontwaardiging is niet langer een vies woord. Het wereldwijde protest duidt op een diepe behoefte om te reageren en niet langer lijdzaam te ondergaan. Volgens psychologisch onderzoek is dat heel gezond. Dit jaar werd een grootschalige studie afgerond die twee decennia bestrijkt. Aanvankelijk was de geestelijke gezondheid van Duitse jongeren in 1985 het onderwerp van het onderzoek. Die waren op dat moment gemiddeld 14 jaar oud. De sociaal psychologen Klaus Boehnke en Becky Wong volgden naast andere jongeren ook vredesactivisten die zich geëngageerd hadden in de antinucleaire beweging. De regering vatte destijds het plan op om ruim honderd langeafstandraketten op West-Duitse bodem te laten stationeren.

De onderzoekers evalueerden de mate van psychisch welzijn van de jongeren, evenals hun angstgerelateerde problemen en psychosomatisch klachten. Dat deden telkens opnieuw om de drie jaar, tot in 2006. Inmiddels is hun studie afgerond, en concludeert dat het zich niet verzetten tegen een mondiale dreiging risico’s inhoudt voor de mentale gezondheid op langere termijn. Van twee jongeren die menen dat de nucleaire dreiging is toegenomen in 1985 kent degene die zich heeft aangesloten bij de protestbeweging 20 jaar later minder psychische problemen dan degene die zich niet heeft geuit.

20 jaar later
Activisme an sich zou geen therapie zijn, wel een teken van een goede geestelijke gezondheid. En geen actie ondernemen tegenover een mondiale bedreiging  zou angstwekkend zijn, omdat het duidt op een onvermogen om met de moeilijkheden van het dagelijks bestaan om te gaan. De jongeren die in 1985 niet in het geweer waren gekomen, meldden dat ze moeite hadden om hun angst in daden om te zetten, en dat dit een ongunstige invloed had op andere aspecten van hun leven. Het is dus niet verwonderlijk dat ze 20 jaar later mentaal kwetsbaarder zijn.

Op die manier kunnen verontwaardiging en protest een leerschool zijn, een wijze waarop je op zoek kunt gaan naar oplossingen en je angst kunt transformeren in plaats van die te internaliseren. Daar kan educatie toe bijdragen. Boehnke en Wong stelden ook vast dat het opleidingsniveau van jongeren dikwijls een voorspeller is van hun activisme. Door je te documenteren, te lezen – en verontwaardigd te zijn – werk je al aan je angsten. Je geeft er structuur aan en voorkomt dat je onverschillig wordt, terwijl diep binnenin de angst blijft zinderen.

Op 20 oktober bevestigt nota bene de wiskunde de bangste vermoedens van de huidige protestbeweging. Niks geen samenzweringstheorieën. Drie Zwitserse systeemanalisten (de systeemanalyse is een interdiscipline tussen informatica en bedrijfskunde) brengen aan het licht dat minder dan één procent van de bedrijven 40 procent van het bedrijvennetwerk controleert. Die minder dan één procent (147 in aantal) zijn hoofdzakelijk banken, waaronder Barclays en Goldman Sachs. Volgens financiële experts ligt de waarde van de Zwitserse studie niet zozeer in dat ze aantoont wie de mondiale economie bezit, maar dat ze de hechte connecties tussen een klein aantal bedrijven laat zien. In 2008 bleek al dat zulke netwerken niet stabiel zijn.

Laten we onze verontwaardiging niet onderdrukken.


Geschreven in Algemeen , Psychologie , Maatschappij | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Wat doet het konijn met het eendje?

30. September 2011, 09:14



‘The rabbit is glorping the duck’
.

Taal informeert, taal communiceert, taal verleidt, taal misleidt… Is taal eigenlijk iets dat we helemaal moeten leren, zoals rekenen of fietsen? Nee, zegt de wetenschap, ons taalvermogen is aangeboren. We delen het met al onze soortgenoten. Dat verklaart de overeenkomsten tussen verschillende (mensen)talen. Ondanks de verschillen tussen talen, bestaat er een universele grammatica. Daarmee kunnen we de basisregels van elke taal ontcijferen.

Het idee van zo’n grammatica werd in de jaren zestig naar voren gebracht door taalkundige en filosoof Noam Chomsky (foto). En dat daar iets in zit, ondanks alle kritiek die de man intussen te verduren heeft gekregen, wordt onderschreven door een recent onderzoek aan de Universiteit van Liverpool. Psychologe Caroline Rowland en haar team toonden aan dat kinderen van twee jaar oud complexe grammatica begrijpen, zelfs vóór ze in volledige zinnen spreken. De meeste kinderen van twee combineren maar zelden meer dan twee woorden. Meestal zeggen ze dingen als ‘Méér sap’ of ‘Nee jas’, maar vormen nog geen volledige zinnen.

De onderzoekers lieten de kids zinnen met verzonnen werkwoorden horen, zoals ‘The rabbit is glorping the duck’, en vroegen hen om de zin te matchen met een cartoon. Op het ene prentje deed het konijn iets met het eendje; het tilde bijvoorbeeld een poot van de eend op. Op de andere deden de dieren apart iets, zoals zwaaien met hun poot. Zo kwamen de onderzoekers er achter dat zelfs de jongste tweejarigen het veel vaker juiste beeld bij de juiste zin plaatsten dan je kon verwachten op basis van toeval.

De studie suggereert dat peuters meer afweten van de structuur van de taal dan ze onder woorden kunnen brengen, en ook veel vroeger dan gedacht. Ze toont verder aan dat kinderen waarschijnlijk gebruikmaken van de zinsstructuur om nieuwe woorden te begrijpen, in het bijzonder woorden die niet naar concrete dingen verwijzen, zoals ‘weten’ en ‘houden van’. Voorts helpt het onderzoek de snelheid verklaren waarmee de kleintjes taal verwerven.

En andersom: taal beïnvloedt de hersenen

Chomsky’s idee van de universele grammatica heeft gedurende een halve eeuw de toon gezet in de taalkunde, de psychologie en de cognitiewetenschap. Maar je kunt het ook andersom bekijken. Wat als juist de verscheidenheid van talen de sleutel zou zijn tot het begrip van onze communicatie? Dat is althans de mening van de taalkundigen Nicholas Evans en Stephen Levinson. En als zij het bij het rechte eind hebben, dan beïnvloedt ons denken niet alleen de taal, maar dan heeft de taal ook invloed op onze hersenen. Dat houdt dus in dat onze moedertaal ons anders doet denken dan mensen met een andere moedertaal – tot op bepaalde hoogte toch.

Een van de universele regels volgens Chomsky zegt bijvoorbeeld dat alle talen vier basale woordklassen bezitten: naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Maar sommige talen, zoals het Lao, dat wordt gesproken in Laos, hebben helemaal geen bijvoeglijke naamwoorden. Bepaalde indianentalen uit het noordwesten van de Verenigde Staten hebben zelfs geen onderscheiden naam- of werkwoorden. In plaats daarvan maken ze gebruik van één enkele woordklasse die gebeurtenissen, levende wezens en eigenschappen omvat.

Over de subtiele verschillen in het denken die voortvloeien uit de eigenaardigheden van de moedertaal leest u meer in Psyche&Brein van oktober-november. De onderscheidende eigenschappen van de diverse talen hebben invloed op hoe we de wereld waarnemen. Europeanen stellen zich bijvoorbeeld voor dat de tijd van links naar rechts verstrijkt, voor veel Aziaten verloopt zij van boven naar beneden. Sommige Aboriginalvolken in Australië ordenen de tijd zelfs aan de hand van de windrichtingen.

Iemand die een vreemde taal leert zou daardoor wel eens andere karaktertrekken kunnen krijgen, zo blijkt uit een onderzoek van Sylvia Chen en Michael Bond van de Polytechnische Universiteit van Hongkong. Chinese proefpersonen betoonden zich assertiever, extraverter en opener wanneer ze in het Engels werden ondervraagd dan in het Kantonees. Als verklaring voeren de onderzoekers aan dat we bij het leren van een vreemde taal ook de bij die taal behorende culturele normen overnemen en die oproepen wanneer we haar gebruiken.

Het geheime leven van voornaamwoorden

En ook veel dichter bij huis zijn er nog dingen te ontdekken. Denk aan James Pennebaker, die als sociaal psycholoog van de studie van taal zijn levenswerk heeft gemaakt. Gaandeweg kwam hij erachter dat het woordgebruik samenhangt met elke dimensie van de sociale psychologie: de leeftijd van mensen, de sociale klasse waar ze deel van uitmaken, de emotionele staat waarin ze zich bevinden, hun persoonlijkheid, hoe eerlijk ze zijn, hoe ze omgaan met leiderschap en ga zo maar door.

Pennebaker is ervan overtuigd dat je ons gedrag kunt doorgronden op basis van onze ‘stijl’. En met stijl bedoelt hij dat we twee soorten woorden gebruiken: inhoudswoorden (content words) die ons voorzien van betekenis. Dat zijn naamwoorden (tafel, dochter), werkwoorden (houden van, lopen), bijvoeglijke naamwoorden (blauw) en bijwoorden (zeggen iets over het werkwoord, zoals in ‘ze huilde heftig’; ze vallen in het Nederlands samen met de adjectieven). Daarnaast heb je de ‘functiewoorden’ (function words), die ‘een stillere, ondersteunende rol spelen’. De functiewoorden verbinden en organiseren de inhoudswoorden en geven deze vorm, aldus de psycholoog. Het zijn zij die de stijl bepalen. Het betreft de persoonlijke voornaamwoorden, van de persoonlijke voornaamwoorden (ik, zij, het) via de lidwoorden, hulpwerkwoorden en conjuncties (maar, en) tot veel voorkomende bijwoorden als ‘echt’.
Deze kleine, ‘onbetekenende’ woorden geven volgens Pennebaker een heleboel prijs. Zo zouden mensen die veel lidwoorden gebruiken georganiseerder, emotioneel stabieler nauwgezetter, politiek behoudender en ouder zijn.

Uit een analyse van honderden door Pannebakers studenten geschreven essays bleek dat er drie verschillende schrijfstijlen bestaan: formeel, analytisch en verhalend. Zo omvatte de formele stijl onder andere veel lidwoorden en voorzetsels en heel weinig ik-woorden. Degenen die het hoogst scoren op formeel denken zijn vooral gericht op status en macht en denken weinig over zichzelf na. Ze drinken en roken minder en zijn ook mentaal gezonder, maar minder eerlijk. Naarmate mensen ouder worden, wordt hun schrijfstijl formeler. Meer hierover in Pabbebakers boek The Secret Life of Pronouns, zojuist verschenen bij Bloomsbury Press.

De kleine woorden die veelzeggender zijn dan de grote, taal die wetten kent en ook weer niet. Verder worden er op dit moment linken gelegd tussen taal aan de ene kant en hersenwetenschappen en evolutieleer anderzijds. Aan onderwerpen voor de nieuwe serie in Psyche&Brein, 'De fascinatie van taal', ontbreekt het niet.

 Videoclip over voornaamwoorden:




Geschreven in Algemeen , Hersenwetenschap , Taal | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Uw digitale kloon

05. Augustus 2011, 10:17

Internet en socialenetwerksites roepen vragen op over ons zelfgevoel en wie we denken te zijn.  

Laatst plaatste ik een oproep op Facebook om mijn maatjes aan te sporen een e-mail te sturen naar de eerste minister van Syrië. Kwestie van de gearresteerde blogger Amina Arraf vrij te krijgen. De volgende dag stond op de site van Der Spiegel dat die vrouw naar alle waarschijnlijkheid niet bestond. Uiteindelijk bleek het te gaan om een hoax van een 40-jarige Amerikaanse student in Edinburg. Hij had zich de identiteit van schrijfster van ‘A Gay Girl in Damascus’ deels aangemeten uit ijdelheid, zei hij, en ook om te experimenteren met ‘self representation’. Dat laatste doen we allemaal als het om sociale netwerken gaat. Sommigen doen het door een avatarprentje of babykiekje als profielfoto te kiezen. Ikzelf doe dat wanneer ik mezelf met een muisklik opstel als internetactivist, en zonder nadenken inga op een verzoek via e-mail om actie te ondernemen. Een verzoek afkomstig een beweging die ik eigenlijk niet ken, behalve van haar webstek.

Niemand zal nog ontkennen dat het internet invloed heeft op onze interacties en tijdsbesteding. Volgen
s een studie van City University in Hong Kong, daterend van begin dit jaar, zouden de socialenetwerksites hoe langer hoe meer van onze tijd gaan opslokken. De wetenschappers bestudeerden twee professionele netwerken en vonden zo de bevestiging voor hun theorie, namelijk dat deze niet-lineair zijn. Een netwerk groeit dus niet in verhouding tot het aantal gebruikers, maar hoe groter het wordt, hoe meer gebruikers het gebruiken. Je kunt dat doortrekken naar de sociale netwerken. Zo zou je steeds meer met Twitter of Facebook in de weer zijn naarmate dat ook geldt voor een toenemend aantal van je vrienden.

Positiever zelfbeeld
Er wordt wel eens lacherig gedaan over Facebook, maar het heeft zeker positieve kanten. Facebook kan je gevoel van eigenwaarde oppeppen, zo blijkt uit een recente studie van Amy Gonzales en Jeffrey Hancock, communicatiespecialisten aan Cornell University. De gebruikers kunnen kiezen wat ze over zichzelf prijsgeven en filteren wat hen mogelijk in een slecht daglicht stelt. Daarnaast is het leeuwendeel van de feedback van vrienden bijzonder positief. Die twee fenomenen betekenen een boost voor het zelfbeeld. Bij het onderzoek zat een aantal studenten achter een computer waarop hun Facebookprofiel te zien was en mochten daarmee aan de slag; een andere groep zat achter een computer die uit stond. Bij die t
weede groep waren er ook studenten die in een spiegel keken die op het beeldscherm was aangebracht. Toen vervolgens het eigenwaardegevoel van de deelnemers werd gemeten, bleek dat degenen die hun Facebook hadden gebruikt veel meer positieve feedback over zichzelf gaven. Degenen onder hen die hun profiel hadden aangepast tijdens het experiment hadden het hoogste zelfbeeld.

‘In tegenstelling tot een spiegel, die ons eraan herinnert wie we werkelijk zijn en een negatief effect kan hebben wanneer dat beeld niet overeenkomt met ons ideaal, kan Facebook ons een positieve versie van onszelf laten zien’, aldus co-auteur Jeffrey Hancock. ‘We beweren niet dat het een illusoir beeld is, maar het is wel een positief beeld.’

Tot zover is dit allemaal herkenbaar, maar we moeten al een stapje verder denken. Net als Tom MacMaster, de blogger van ‘A Gay Girl in Damascus’, dromen we er allemaal wel eens van een totaal andere persoonlijkheid aan te nemen. Een klein aantal van ons is daarmee al vertrouwd via zijn of haar ‘avatar’ op SecondLife. Maar nu komen er avatars aan die levensechte dubbelgangers van ons zijn, en ze worden gebruikt voor psychotherapie én reclame. Stel dat je aan een sociale of andere fobie lijdt. In een virtuele situatie doet je dubbelganger-avatar wat jij zelf niet durft. Een overvol café betreden en een drankje bestellen, bijvoorbeeld. Kijken naar je digitale dubbelganger zou je sociale vaardigheden helpen verbeteren en je angst doen afnemen. Voorts zou het helpen om een gezondere levensstijl aan te nemen of slimmere financiële beslissingen te nemen (Hoe dat zit, kunt u lezen in Psyche&Brein nummer 4 (augustus-september 2011), die op 11 augustus verschijnt.)



Virtuele tweelingbroer of -zus
Onze digitale en alledaagse identiteit raken steeds meer verweven, iets wat op zich vragen oproept. In die zin kun je de term ‘avatar’ ruimer definiëren als ‘degene die je bent op het net’. Over vrijwel iedereen bestaat er onderhand een hoop digitale informatie en die wordt alleen maar groter. En op die manier krijgen we langzaam aan allemaal een digitaal tweelingbroertje of –zusje. Interessant is in hoeverre iemands ‘online persona’ lijkt op wie hij of zij ‘offline’ is, stipte het Britse New Scientist in 2010 aan in een redactioneel. ‘Een avatar samengesteld op basis van informatie die overal op het net over je is samen gesprokkeld, kan zich volledig anders ontwikkelen dan degene die je zelf zou verzinnen.’ Tot nu toe is de avatar-technologie primitief, aldus het tijdschrift. ‘Maar de landbouwrevolutie werd gekenmerkt door een enorme uitbreiding van wat mensen samen konden verwezenlijken en de industriële revolutie door een machtsverschuiving van de plattelandsadel naar het zakenleven in de steden. De revolutie op gang gebracht door de digitale identiteit kan veranderen hoe mensen denken over zichzelf, hun leven en hun buren. De opkomst van de avatar kan onze ideeën over de wereld en wat het betekent mens te zijn veranderen.’

Gevaarlijke gekken

Deze gevolgtrekkingen zijn misschien wat hooggestemd. Wel lijkt het erop dat de sociale media de drempels tussen de gebruikers verlagen, en dat kan ik alleen maar een goede zaak noemen. Anderzijds maakt de recente tragedie in Noorwegen duidelijk hoe iemand die zich een online-identiteit aanmeet een gruwelijke tunnelvisie kan ontwikkelen – waarbij ik géén causaal verband leg. Gevaarlijke gekken hebben altijd bestaan en ook al vóór de tijd van internet waren ze actief, denk aan Jack the Ripper. Alleen meen ik dat ze nu actiever zijn dan vroeger. En dat de nieuwe technologieën het gemakkelijker voor ze maken om zich op te sluiten in hun paranoïde fantasieën, zoals in het geval van Breivik.

Afgezien van dat extreme voorbeeld, is er onder andere bekend dat pubers met een internetverslaving kleine veranderingen vertonen in de hersenen. Zo stelt cognitiewetenschapper Daphne Bavelier van de universiteit van Rochester (VS) dat er zich bij kinderen veranderingen voordoen op het gebied van geweld, afgeleid worden en verslaving.

Hoe ‘online leven’ ons brein verandert, is iets waar de wetenschap een antwoord moet op zien te bieden. Het gaat niet om de technologieën op zich, maar om de manier waarop we ermee omgaan. Al was het alleen al omdat we er onderhand dag en nacht mee in de weer zijn.


Geschreven in Psychologie , Maatschappij | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Maar dan niet met kurk

07. Juni 2011, 10:02

Onze creativiteit is al sinds de oude Grieken een onderwerp van debat. Het lijkt alsof goede en originele ideeën ‘uit het niets’ komen. Vroeger werd inspiratie gezien als iets dat van de goden of de geesten afkomstig was, later werd het beschouwd als een product van het onbewuste. Begin de jaren zeventig werd creativiteit als een vorm van intelligentie beschouwd. Maar toen men dat vervolgens begon te testen, bleek dat het niet zo simpel lag. Creatieve mensen deden het wel goed bij IQ-tests, maar bleken slechts gemiddeld intelligent te zijn of net ietsje méér. Intussen begrijpen we al beter hoe het zit.


Kreatief met kurk, VPRO 1993.

Onderzoekers richten zich voornamelijk op de vraag: waar komt creativiteit vandaan? De wetenschappelijke interesse daarvoor wordt op dit moment aangewakkerd door verrassende ontdekkingen. Simone Shamay-Tsoory van de Universiteit van Haifa en haar team probeerden eind 2010 de hersengebieden die te maken hebben met creatief denken duidelijker af te bakenen. Daartoe vergeleken ze 40 mensen met hersenschade in één van drie welbepaalde regio’s met personen zonder hersenschade. De hersenen van alle deelnemers werden gescand. Verder werden hen 30 identieke cirkels op een blad papier getoond. Iedereen kreeg vijf minuten te tijd om zoveel mogelijk verschillende tekeningen te maken van bestaande voorwerpen, waarvan elke ten minste uit één cirkel bestond. Hoewel de creativiteitsniveaus van de 40 vóór hun hersenbeschadiging uiteraard niet waren gemeten, duidden de resultaten erop dat die niveaus rechtstreeks gerelateerd zijn aan de plaats waar de schade optrad. Degenen die significant hoger scoorden dan gezonde deelnemers vertoonden meer schade in de linkerkant van het brein, in gebieden verantwoordelijk voor de taalverwerking. De mensen met hersenschade die de laagste scores behaalden hadden veelal meer schade aan de rechterkant, in een gebied dat te maken heeft met planning en beslissingen.

De onderzoekster stelt dat hoewel creativiteit in de rechterhemisfeer ontstaat, deze kan worden onderdrukt door de taalverwerking in de linkerhemisfeer. ‘De taalgebieden kunnen concurreren met het vermogen van de rechterhersenhelft om creatieve ideeën voort te brengen’, zegt ze. Dat idee van concurrerende hersenhelften roept vragen op. Jammer genoeg reageerde Simone Shamay-Tsoory niet op ons verzoek om meer uitleg over haar nieuwe onderzoek naar het stimuleren van creativiteit door het (tijdelijk) stilleggen van de taalgebieden had opgeleverd.

Schizofrenie
Iedereen kent het cliché van de gekwelde artiest en voorbeelden als de vreemde kantjes van Salvador Dali, Virginia Woolf en Beethoven zijn legio. Creativiteit wordt al eeuwenlang in verband gebracht met waanzin. Het heeft dus zijn prijs. Onderzoek  duidt erop hoe dat komt: een genetische mutatie gelinkt aan bipoliaire stoornis en schizofrenie beïnvloedt eveneens de creativiteit. Szabolcs Kéri van de Semmelweis-universiteit in Boedapest bekeek in 2009 waarom de evolutie die mutatie in stand hield. Hij onderzocht een gen dat een rol speelt bij de ontwikkeling van de hersenen en dat neuregulin 1 heet. Tevoren werd het al in verband werd gebracht met een iets groter risico op schizofrenie. Ongeveer 50 procent van de gezonde Europeanen heeft één kopie van dat gen, 15 procent bezit twee kopieën. Toen Kéri de creativiteit van 200 proefpersonen mat, bleken degenen met twee kopieën – twaalf procent van de deelnemers – aanzienlijk hoger te scoren. En degenen met slechts één kopie waren gemiddeld creatiever dan de vrijwilligers zonder kopie. Vrijwilligers met twee kopieën van het neuregulin 1-gen vertoonden ook meer zogenoemd schizotypische eigenschappen als paranoia, vreemde spraakpatronen en niet toepasselijke emoties. Op zich biedt de connectie met mentale stoornissen geen verklaring voor creativiteit, aldus Kéri. Hij speculeert dat de mutatie de prefrontale cortex vochtig maakt, het hersengebied dat onder andere stemmingen en gedrag in toom houdt. Daardoor zou bij sommigen de creativiteit worden ontketend, bij anderen psychotische wanen.

Psycholoog Jordan Peterson van de Universiteit van Toronto meent eveneens dat bepaalde schizofrene kenmerken ook in ruimere mate voorkomen bij creatievelingen. Hij is een mechanisme op het spoor gekomen dat daar een verklaring voor biedt. Hij stelt dat wie creatief is meer openstaat voor indrukken dan anderen. Via onze zintuigen komt er onnoemelijk veel informatie onze hersenen binnen. Meestal negeren of blokkeren we die data om er niet onder bedolven te raken. Peterson noemt dat proces ‘latente inhibitie’. Wie minder latente inhibitie heeft en dus minder indrukken filtert, tegelijkertijd een redelijk hoog IQ bezit en over een goed werkgeheugen beschikt, kan meer met die indrukken spelen en ze combineren. Daardoor staat die persoon meer open voor mogelijkheden en ideeën. De keerzijde van een extreem lage filtering is dat je vatbaar bent voor geestesziekten. Gekte is volgens Peterson geen vereiste voor creativiteit, maar heeft er wel een en ander mee gemeen.



Excentriciteit

Niet echt verwonderlijkis dat ook tussen excentriciteit en creativiteit een verband wordt gelegd. Je kunt de onconventionele manier van denken en waarnemen die gepaard gaan met schizofrenie immers erven, zónder de ziekte zelf. Albert Einstein raapte sigarettenpeuken van de straat om aan tabak te komen voor zijn pijp. Componist Robert Schumann geloofde dat zijn muzikale composities hem door Beethoven ingefluisterd werden. Recenter denken we aan Salvador Dali’s voorliefde voor gevaarlijke huisdieren en zangeres Björk die, speciaal voor de Oscars, gekleed ging als zwaan. Niet alleen Jan Modaal ziet deze hoogcreatieve mensen als excentriek. Vaak zien zij zichzelf ook als anders en vinden ze dat ze er niet bij passen. Recente resultaten uit creatief onderzoek en moleculaire biologie tonen aan dat die inzichten niet enkel gebaseerd zijn op een paar anekdotes van ‘vreemde’ wetenschappers en kunstenaars. Wetenschappers zijn van mening dat beide karaktertrekken het resultaat zijn van hoe onze hersenen de binnenkomende informatie filteren. Bepaalde cognitieve mechanismen die excentriciteit in de hand werken, kunnen ook het creatief denken stimuleren, schrijft Shelley Carson van Harvard University. Haar verhaal staat in het nieuwe Psyche&Brein (nr. 3 2011).


Geschreven in Hersenwetenschap | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De nulgraad van Vangheluwe

21. April 2011, 14:45

Iedereen die niet primair denkt, vraagt waarschijnlijk zich af wat een man als bisschop Vangheluwe dreef. De man in een hokje stoppen, zal niet helpen – de maatschappij, de slachtoffers en hun families schieten daar niets mee op. Hetzelfde geldt voor Tristan van der W., de jonge dader van de schietpartij in Alphen aan de Rijn. ‘Wat hebben die twee met elkaar te maken?’, vraagt u zich wellicht af. Het feit dat zij in staat zijn gebleken om andere mensen te dehumaniseren, lijkt mij een groot punt van overeenkomst – afgezien van alle verschillen. En over die handelwijze bestaat nog steeds onduidelijkheid.

Wetenschappers hebben al een hoop werk verricht als het erom gaat het fenomeen dat traditioneel ‘het kwaad’ wordt genoemd te ontraadselen. Denk aan het opmerkelijke boek
Het wrede brein door Kathleen Taylor, dat in het najaar van 2010 in Nederlandse vertaling verscheen en dat een overzicht biedt van wat tot nu toe bekend is.
 
Het empathie-spectrum

Heel anders gaat de bekende Britse autisme-expert Simon Baron-Cohen te werk. Baron-Cohen is hoogleraar ontwikkelingspsychopathologie aan de universiteit van Cambridge en directeur van het aldaar gevestigde Autism Research Centre. Hij heeft een nieuwe, eigen theorie over de menselijke wreedheid, gebaseerd op onderzoek dat hij voor een deel zelf heeft verricht.



Toen de auteur student was, vertelde een hoogleraar hoe de nazi’s gevangenen in Dachau onderdompelden in ijskoud water om te zien of ze dat drie uur volhielden (foto). Ook wilden ze nagaan hoe de hartslag correleerde met de tijd bij nul graden. De vraag hoe men zijn medemens kan behandelen als een object heeft de auteur sindsdien nooit meer losgelaten.

Toch stelt de jood Baron-Cohen ‘het kwaad’ of de wreedheid niet centraal in zijn boek
Zero degrees of Empathy – wel de empathie. Ons inlevingsvermogen kun je voorstellen als een klokgrafiek, en wijzelf kunnen allemaal ondergebracht worden in een empathie-spectrum. Empathie veronderstelt niet alleen dat we ons identificeren met de gedachten en gevoelens van een ander mens, maar ook dat we daarop reageren. Dat laatste maakt meteen al duidelijk dat iedereen bij momenten tekortschiet als het op empathie aankomt. De uitspraken die de wetenschapper gebruikt om het EQ of empathie-quotient te meten, wijzen eveneens in die richting. ‘Ik kan gemakkelijk zien wanneer iemand anders wil deelnemen aan een gesprek’ en ‘Vriendschappen en relaties zijn te ingewikkeld. Ik houd me daar niet mee bezig’ zijn twee van de tien tamelijk onschuldig lijkende stellingen waarmee je het eens of oneens kunt zijn. Verder zijn er tien belangrijke hersengebieden betrokken bij empathie. Baron-Cohen gewaagt dan ook van een empathie-circuit in het brein.

Borderliners, narcissisten en psychopaten hebben moeite met empathie en mensen met asperger en klassiek autisme daarentegen ‘Zero-Positief’. Beide categorieën ontbreekt het aan affectieve empathie, maar het verschil is dat laatsgenoemden extreme ‘systematiseerders’ zijn. Dat leidt ertoe dat zij er gehecht zijn aan morele codes en vaak een beroepsbezigheid hebben in de juridische sfeer. Type B, N en P worden beschouwd als persoonlijkheidsstoornissen, waarbij over het hoofd wordt gezien wat ze gemeenschappelijk hebben: de nulgraad.


Circuit uitgeschakeld

Psychopaten zijn onderzocht met behulp van beeldvormingsonderzoek. Het eerste belangrijke inzicht waar wetenschappers toe kwamen, is dat het psychopaten ontbreekt aan angst, dus voor de gevolgen van hun handelingen. Dat bleek uit experimenten die aantoonden dat ze niet alleen niet bang zijn voor elektrische schokken, maar er evenmin een geconditioneerde reactie op de bedreiging ontwikkelen (andere proeven wezen in dezelfde richting). Dat duidt op een heel specifiek leerprobleem dat te maken heeft met een verminderde angst voor straf.

Bij degenen die extreme wreedheden begaan – een aantal psychopaten zoals Josef Fritzl – is het empathie-circuit voor lange tijd of zelfs definitief uitgeschakeld, aldus Baron-Cohen. Daarbij spelen genetische en omgevingsfactoren (vooral misbruik en verwaarlozing; Fritzl werd herhaaldelijk geslagen door zijn moeder). Wetenschappers zijn momenteel aan het  ontrafelen welke genen onze empathie verregaand beïnvloeden. De auteur werkt daar met zijn team in Cambridge actief aan mee.


Volgens Simon Baron-Cohen is empathie één van onze voornaamste hulpbronnen. Zijn inzichten dragen bij tot een beter begrip van wat de gevolgen kunnen zijn als daar iets mis mee is. In een latere fase kunnen ze misschien helpen om empathie bij te brengen.


Bron:
Zero Degrees of Empathy. A new Theory of Human Cruelty. Simon Baron-Cohen. Allan Lane, 199 p. £ 20,-. ISBN 9780713997910.

Geschreven in Maatschappij | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Is God een politieman?

14. April 2011, 12:06

Zijn wij alleen maar geprogrammeerd om te geloven of is er toch ‘iets meer’? De wetenschappers die het geloof onderzoeken, zitten in ieder geval niet stil.

In godsdienst en spiritualiteit zoeken we antwoorden op Grote Vragen, zoals: waar komen we vandaan, wat is de betekenis van het leven en wat gebeurt er na de dood? Als geboren en getogen onkerkelijke heb ik altijd een vreemde relatie gehad met het geloof. Toen ik een klein meisje was, en dat is alweer even geleden, kon je de vrijzinnigen in Vlaanderen op de vingers van je ene hand tellen. Diep was mijn ontgoocheling toen mijn klasgenootjes hun eerste communie zouden doen in zo’n wit jurkje, en mijn ouders me zeiden dat het iets was waar wij niet aan meededen.

Intussen heeft het kerkbezoek in dit deel van de Lage Landen en elders een dieptepunt bereikt. Wel lijkt het erop alsof velen van ons op dit moment een vreemde of tenminste ongewone relatie hebben met het geloof. Aardig wat mensen zijn ‘ietsisten’, verdiepen zich in spiritualiteit of hebben de georganiseerde religie de rug toegekeerd, maar laten hun kids wel dopen, want je weet maar nooit.

Zelftranscendentie
Met de regelmaat van de klok verschijnen er studies over geloof & brein en geloof & evolutie. Uit 2010 dateert een onderzoek van hersenwetenschapper Cosino Urgesi van de Universiteit van Udine. Zijn studie met patiënten die aan hersenkanker leden, laat vermoeden dat transcendente gevoelens een gevolg kunnen zijn van hersenschade. Een aantal van hen had een tumor in de achterste pariëtale cortex. Na een operatie waarbij uit dat hersendeel hersencellen werden verwijderd behaalden zij een hogere score op een persoonlijkheidstest waarbij de ‘zelftranscendentie’ werd gemeten. Op die test scoor je hoog als je ‘ja’ antwoordt op de vraag: ‘Ik voel me vaak zo verbonden met de mensen om me heen, dat ik het gevoel heb dat er geen scheiding meer tussen ons bestaat’. Volgens Urgesi zou de verminderde activiteit in het betrokken hersengebied door het wegnemen van neuronen leiden tot de toegenomen gevoelens jezelf te ontstijgen. Zijn patiënten hadden ook minder last van angst voor hun aandoening en voor de dood.

De resultaten van Urgesi sluiten aan bij onderzoek bij boeddhistische monniken, nonnen en mensen die ervaring hebben met mediteren. Dat laat zien dat het hersengebied in kwestie een rol speelt bij meditatie en gebed. Er bestaan verbanden tussen spiritualiteit en het brein, dat is intussen duidelijk. Maar dat roept weer andere vragen op, zoals: wat is spiritualiteit? Het begrip is toch een beetje vaag. Het kan bevrijdend zijn voor mediterenden dat beperkende grenzen verdwijnen. Maar wat als de grens tussen geloof en bijgeloof vervaagt? Wat schiet je ermee op als de priester wordt vervangen door de goeroe van de week?

God tegen roddel
Evolutiepsycholoog Jesse Bering heeft een nieuw antwoord op de aloude vraag: waarom geloven zo veel mensen in God? Dat doet hij uit de doeken inn zijn boek Het Godsinstinct, dat zojuist in het Nederlands is verschenen. Bering stelt dat hoewel de evolutie van de taal een goede zaak was – ze stelde ons in staat om vlot te communiceren en belangrijke informatie te verspreiden – ze ook tot een verontrustend probleem leidde voor de vroege mens. Met behulp van de taal kon hij verslag doen van het gedrag van anderen. Dat betekende dat wanneer je werd betrapt op iets verwerpelijks, zoals stelen, je je reputatie ‘te grabbel gooide’, met als gevolg dat je je kansen op voortplanting wel kon vergeten. Vandaar dat het geloof in een bovennatuurlijk wezen dat iedereen voortdurend in de gaten hield, beoordeelde en mensen aanmoedigde om hun immorele impulsen niet te volgen. Het hielp hen om te overleven. Is God een instinct? Volgens Bering is God een soort default-stand. De ‘illusie van een God’ betekende dé oplossing voor roddel, die slecht was voor je reputatie en je genen. De evolutiepsycholoog uit Belfast ziet God dus als een soort politieman.

Maar ook ons vermogen om na te denken over wat anderen denken, beter bekend als de theory of mind, heeft volgens Jesse Bering het geloof in God aangewakkerd. Onze theory of mind hielp ons om het gedrag onze medemens te begrijpen en te voorspellen. Ontwikkelingspsychologen menen zelfs dat dit de reden is waarom we levende wezens zien in niet-levende objecten. Oostenrijkse wetenschappers lieten hun proefpersonen in een beroemd experiment uit 1944 een simpel animatiefilmpje zien met drie bewegende figuren: een grote driehoek, een kleine driehoek en een kleine cirkel. Daarin herkenden de meeste deelnemers menselijk sociaal gedrag. Zo zou de grote driehoek de kleinere hebben ‘gepest’, terwijl ze beide de affectie probeerden te winnen van de ‘vrouwelijke’ cirkel.





Dit aanpassingsmechanisme kwam ons zo ooit goed van pas, dat we ook een ‘oorzaak’ gingen zoeken achter natuurlijke fenomenen als stormen, tegenspoed en baby’s. Onze  ‘overijverige’ theory of mind zet ons ertoe aan om ‘in Gods hoofd te kruipen’, en in alles verborgen betekenissen te ontwaren, bijvoorbeeld wanneer de kelder onder water loopt. Voorts blijkt uit onderzoek dat kinderen van zes à zeven verborgen berichten ontdekken in gebeurtenissen waarvoor kids van drie of vier alleen een rationele verklaring vinden.

Klein planeetje
Aan het begin van de twintigste eeuw voorspelden sociologen dat het geloof in God tegen het einde van de eeuw zou verdwijnen als gevolg van de secularisatie, aldus scepticus Michael Shermer. In feite is het tegenovergestelde gebeurd. De religie boomt. Volgens Shermer komt dat doordat wij mensen wezens zijn die verhalen vertellen. Denk maar aan de altijd terugkerende mythische thema’s in de wereldgodsdiensten, zoals de scheppings- en de messiasmythe. Daarnaast zijn we ook wezens die voortdurend op zoek zijn naar patronen, ook waar er geen zijn. Vele duizenden jaren hebben we gebruikgemaakt van die patronen om verhalen over een kosmos te construeren die speciaal voor ons was ontworpen. Tijdens de afgelopen eeuwen heeft de wetenschap een heel ander plaatje laten zien. We zijn slechts één van de tientallen miljoenen soorten, die op een van de planeten leven in een sterrenstelsel dat niet zo heel erg verschilt van zijn miljarden soortgenoten.

In tegenstelling tot vroeger is zingeving nu iets dat je zelf bepaalt, bijna zoals je een outfit kiest. Soms willen mensen een wit jurkje aan. Vaak dompelen ze zich onder in materialisme en lifestyle. Soms doen ze oprecht hun best om de wereld te verbeteren en soms twijfelen ze eraan of er iets hogers bestaat als een catastrofe toeslaat in Japan. Maar de oude vragen blijven springlevend. En zelfs rabiate atheïsten moeten toegeven dat er sociale en evolutionaire redenen zijn waarom mensen dikwijls in een hogere macht geloven.


In Psyche&Brein nummer 2, uit op 14 april, vindt u het dossier ’Op zoek naar zin’.


Geschreven in Psychologie , Maatschappij | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De Benidorm Bastards van de toekomst

20. Januari 2011, 16:13

Ouder worden is zeker geen ziekte, al willen sommigen het zo verkopen. Bovendien blijkt dat we méér dan gedacht zelf in de hand hebben hoe we verouderen.

Over weinig zaken wordt tegelijkertijd zoveel gezeurd en gezegd dat het er niet toe doet als ouder worden. Terwijl ouderen worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt, vindt het motto dat het leven pas begint met vijftig alom weerklank. Om nog maar te zwijgen over onze ontkenning van het ouder worden. U weet wel – het hele idee van drie keer drie kwartier lopen per week, maar spier- en gewrichtcrème smeren plus vitaminesupplementen slikken om dat tegen heug en meug klaar te spelen. We leven in een cultuur die jong zijn aduleert. Wel zit daar een voordeel aan: we zijn meer dan ooit in de weer met jong blijven. En zolang dat binnen de perken blijft, kunnen we daar alleen wel bij varen.

Maar weet waar u aan begint als u met anti-aging aan de slag wilt. Daarvoor waarschuwt de Amerikaande journaliste Arlene Weintraub in haar in september van vorig jaar verschenen Selling the fountain of youth (Uitg. Basic Books). ‘Word niet ziek, word niet oud en ga niet dood’. Die drie vuistregels zijn afkomstig van Robert Goldman, een van de grondleggers van de anti-agingindustrie. Ze impliceren de kern van het probleem waar Weintraub tegen van leer trekt: ouder worden wordt als een ziekte beschouwd. Die wordt niet echter niet bestreden met geneeskunde, maar met pseudowetenschap. Neem nu menselijk groeihormoon of HGH, aanvankelijk gebruikt voor de behandeling van kinderen met een groeiachterstand. Het kan via gentechnologische weg worden gefabriceerd en is een van de eerste antiverouderingsmiddelen die op grote schaal werden geproduceerd.

De Hollywood-connectie
Die middelen werden nooit onderworpen aan serieus gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek dat hun veiligheid aantoonde. In plaats daarvan promootten Amerikaanse antiverouderingsdokters de geloofwaardigheid ervan met boeken vol met getuigenisssen van enthousiaste patiënten. Later werden beroemdheden als sitcomster Suzanne Somers en Oprah Winfrey pleitbezorgsters van de zogenoemde bio-identieke hormonen, gemaakt van plantaardig materiaal. Die zouden helpen bij overgangsklachten. In elk geval is nooit bewezen dat ze veiliger zouden zijn dan synthetische hormonen. Somers beschrijft in een van haar bestsellers vrolijk hoe ze twee keer per dag testotosteron gebruikte om haar seksleven nieuw leven in te blazen, maar wel last had van bijverschijnselen als een diepe stem.

Arlene Weintraub doet ook uit de doeken hoe de mannelijke menopauze werd uitgevonden. Hoewel de testosteronniveaus wel dalen naarmate mannen ouder worden, hebben zij geen last van de hormonale ups en downs waarmee vrouwen worden geplaagd. Toch is een bloeiende industrie onstaan van testosteronsupplementen in de vorm van pillen, gels en injecties. De nieuwste ontwikkeling is dat de anti-aging mainstream gaat, met producten als dure drankjes en supplementen op basis van de açaí-bes. Die zou onder andere de antioxidanten in het bloed doen toenemen, maar dat geldt voor élke fruitsoort.

Goed nieuws voor het geheugen?
Zopas is een studie gepubliceerd over de achteruitgang van het geheugen op latere leeftijd die hoopgevend lijkt. Die teruggang zou wel eens het gevolg kunnen zijn van het verouderen van de immuuncellen. Kan het oppeppen van het immuunsysteem ons geheugen dan scherp houden? Volgens het zopas gepubliceerde onderzoek van Jonathan Kipnis van de Universiteit van Virgina is dat inderdaad het geval.

Kipnis en zijn collega’s creëren muizen die geen CD4-cellen bezaten. Dat zijn een soort T-cellen, en die worden als eerste aangetast door het ouder worden. De muizen in kwestie presteerden slecht in taken waar leren en geheugen aan te pas komen. Maar toen ze CD4-cellen van gezonde knaagdieren kregen ingespoten, verbeterde hun geheugen.

Slome immuuncellen kunnen eventueel verklaren waarom onze hersenen minder goed werken naarmate we verouderen. Als het immuunsysteem daadwerkelijk een rol speelt in het geheugen, kan dat leiden tot nieuwe medicijnen om dat laatste een boost te geven. Niet iedereen is het eens met Kipnis. Volgens sommigen is het onwaarschijnlijk dat het immuunsysteem en het zenuwstelsel elkaar beïnvloeden.

Aftakeling voorkomen
Het (mentaal) verouderen iets waar de meesten onder ons niet naar uitkijken. De vraag hoe de cognitieve achteruitgang zich voltrekt, wordt op dit moment intensiever onderzocht dan ooit tevoren. In grote lijnen komt het hierop neer: als het geheugen en de geestelijke vermogens afnemen, dan heeft dat verscheidene, met elkaar verweven psychologische, sociale en biologische oorzaken. Die laten zich aflezen aan de hersenen. De hoeveelheid grijze en witte stof neemt wat af en er is ook minder van bepaalde boodschapperstoffen (dopamine) beschikbaar. Hoewel die processen universeel zijn, veroudert ieder van ons toch op een invidiuele manier. Er bestaan fitte negentigers, maar je hebt net zo goed beverige zeventigers.

Hoe dat komt? Het is niet puur een kwestie van genen. Naast genetische factoren, spelen ook de persoonlijke levensgeschiedenis, ervaringen en leefwijze een rol. En de invloed ervan is groter dan gedacht, toont onderzoek nu aan. Daarbij zijn drie dingen van wezenlijk belang: regelmatige lichaamsbeweging, geestelijk actief blijven en een actief sociaal leven.

Dankzij de zogeheten plasticiteit van het brein – d.w.z. het vermogen om voortdurend nieuwe hersencellen aan te maken en nieuwe verbindingen te leggen tussen de cellen – gaan vaardigheden die we veel oefenen minder snel verloren. ‘Use it or lose it!’ zeggen de onderzoekers in dat verband. Zelfs wanneer de mentale flexibiliteit afneemt, hebben energieke senioren daar minder last van. Zij kunnen bijvoorbeeld gemakkelijker de straat oversteken en tegelijkertijd een gesprek voeren, terwijl minder actieve ouderen al hun aandacht moeten concentreren op het lopen en dus niet goed in staat zijn ook nog eens op hun gesprekspartner te reageren.

Denkkracht
Dat bleek bijvoorbeeld bij een experiment dat Ulman Lindenberger heeft uitgevoerd in zijn laboratorium aan het Max Planck-instituut voor Pedagogiek en Educatie in Berlijn. Hij vroeg volwassenen van verschillende leeftijden een reeks woorden uit het hoofd te leren terwijl ze een smal parcours aflegden. Aan het eind van een parcours was er telkens een pauze en moesten de proefpersonen de woorden die ze zich nog herinnerden intypen op een computer. Er was een eenvoudig, cirkelvormig parcours, maar ook een heel ingewikkeld traject met veel bochten.

Alleen al bij het leren van de woorden traden er duidelijke leeftijdgerelateerde verschillen aan het licht, en bij de gecombineerde test presteerden de bejaarde deelnemers opnieuw duidelijk slechter. Ze liepen niet alleen langzamer, maar onthielden ook minder woorden, vooral wanneer ze het ingewikkelde parcours moesten afleggen. Daaruit blijkt dat het lopen en de geheugenoefening beide een beroep doen op dezelfde cognitieve functie – aandacht. Iemand die in goede conditie verkeert, kan gemakkelijker zijn fysieke evenwicht bewaren en houdt nog denkkracht over om zich met andere zaken bezig te houden.

Sociale contacten hebben een vergelijkbare preventieve werking tegen aftakeling. Afgezien daarvan kan het ook nuttig zijn bepaalde geestesvermogens doelgericht te trainen. Om een blijvend effect op andere cognitieve gebieden te realiseren, is het volgens de laatste onderzoeken aangewezen fundamentele controlefuncties te trainen. Zoals switchen tussen verschillende taken of het ontdekken van de beste strategie om een probleem op te lossen. Daarbij is het bijvoorbeeld de bedoeling dat iemand zich ervan bewust wordt hoe hij verschillende alternatieven op een verstandige manier tegen elkaar kan afwegen. (Meer over veroudering in de nieuwe Psyche&Brein, uit op 10 februari.)

Als dat zo doorgaat, worden we uiteindelijk met zijn allen Benidorm Bastards, en zónder Braziliaanse wonderbessen.





Geschreven in Maatschappij | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Pesten en erger

18. November 2010, 16:24

Like it or not, we bezitten een donkere kant. De pesterijen waarvan een Waalse arbeider uit Bergen het slachtoffer was, getuigen daar nog maar eens van. Waarom gaan mensen over tot pesten, en tot wreedheid? Bestaat er zoiets als ‘slechte mensen’? De wetenschap zoekt naar antwoorden.



‘Er zijn altijd slechte mensen ...’, zeiden mijn buren op veelbetekenende toon toen ik rondvraag deed naar mijn verdwenen kat. Wanneer ze tijdens de eropvolgende weken en maanden niet opdook, zijn er momenten geweest dat ik geloofde dat er inderdaad slechte mensen bestaan en fantaseerde over wraakacties tegen de onbekende kattenmoordenaars. Natuurlijk is het onzin om zoiets te denken. We zijn toch verstandige mensen. Maar hoe moet je het dan wel zien?

Pesten op het werk is aan de orde van de dag. Denk aan de onmenselijke situaties bij France Telecom, die ertoe leidden dat de voorbije jaren 40 werknemers uit het leven stapten. En nu is er het schrijnende geval in het Bergense bedrijf Mactac. De kranten berichtten zopas over de 54-jarige fabrieksarbeider Daniël M, die niet alleen gepest werd maar ook op een Abu Ghraib-achtige manier gemarteld door collega’s. De man zit nu al drie jaar thuis met posttraumatische stress. Ook het Gentse bedrijf Arcelor Mittal heeft zopas twee werknemers ontslagen die een jaar lang een arbeider zwaar hadden vernederd.

Aanvaarde gedragspatronen
Opmerkelijk vind ik dat pestgedrag dikwijls een gevolg is van aanvaarde gedragspatronen binnen organisaties. Anno nu hebben bedrijven meestal geen duidelijke structuren en het personeel heeft vaak geen nauwkeurig afgebakende functie. Elke werknemer wordt aangemoedigd om zijn eigen rol te definiëren en zijn plek te veroveren binnen het ingewikkelde web van rivaliteiten en invloedssferen. Dat geeft aanleiding tot hard en dominant gedrag, dat soms zelfs aangemoedigd wordt. Zo is pestgedrag vaak een manier om status te doen gelden en macht te verwerven.

Overigens blijkt uit een enquête van het Franse onderzoeksbureau Ipsos daterend van het jaar 2000 dat liefst één op de drie werknemers zich gepest voelt. Eurofount, de Europese Stichting tot verbetering van  de levens- en arbeidsomstandigheden, kwam in 2003 op hetzelfde cijfer uit. Ik kan me niet voorstellen dat de situatie er in de tussentijd op verbeterd is. 

En wie zijn de slachtoffers? Ze bekleden meestal een lagere functie, zijn timide, bezitten weinig zelfvertrouwen en hebben een laag zelfbeeld. Vaak zijn ze emotioneel instabiel en stellen ze zich passief op. Ze zijn overwegend 45 tot 50 jaar oud en veelal gaat het om vrouwen.

Ook over de pesters is een en ander bekend. Het geval van de arbeider uit Bergen doet sterk denken aan het onderzoek van Roy Baumeister van Florida State University. Hij stelde in 1996 vast dat een bovenmatig zelfvertrouwen tot agressief en zelfs tiranniek gedrag kan leiden. Een tweede type pestgedrag houdt volgens Baumeister verband met de weinig ontwikkelde sociale vaardigheden van de pester. Mensen met weinig of geen controle over hun emoties reageren zich dikwijls af op ondergeschikten. Het gebrek aan inlevingsvermogen dat ermee gepaard gaat is vooral duidelijk wanneer mensen één zelfde ondergeschikte pesten.

Het wrede brein
Maar hoe zit dat met gruweldaden? Wreedheid is in elk geval niet iets waar uitsluitend gekken en van nature slechte mensen zich aan bezondigen. Als ik de Britse schrijfster/wetenschapper Kathleen Taylor bel voor een gesprek over haar boek Het wrede brein, wijst ze me beschaafd terecht wanneer ik opmerk dat er volgens haar blijkbaar geen slechte mensen bestaan. ‘Wat ik zeg, is dat kwaad als een soort bovennatuurlijke bezetenheid niet bestaat,’ aldus Taylor, ‘en dat het ook niet in iemands natuurlijke aanleg zit.’ Volgens haar moet je heel voorzichtig zijn met het opplakken van dat etiket. Mensen die wij als echt slecht beschouwen, kunnen vanuit hun eigen oogpunt uit andere motieven handelen.’ In haar boek noemt ze in dat verband het voorbeeld van wreedheden begaan uit liefde. Soldaten die moorden uit liefde voor hun makkers, hun land, hun gezin thuis.

Wreedheid bevindt zich op een continuüm – van de mildste gedachten en het mildste gedrag tot de meest extreme vormen ervan, lezen we in Taylors boek. Een van de oorzaken ervan berust op een mechanisme in onze hersenen. Zo maakt het activeren van een neuraal pad het een volgende keer eenvoudiger om eraan gerelateerde of overlappende paden te activeren. Over wreedheid praten maakt het makkelijker om ook wreed te handelen, tenzij het praten erover snel wordt gestraft.



‘Wij en zij’ en walging
Het meest opmerkelijke dat Kathleen Taylor – althans volgens mij – te melden heeft is, wat ze zegt over het (evolutionaire) verband tussen walging en wreedheid.

Een passage uit ons vraaggesprek:

Taylor: ‘Ik heb speciaal de nadruk gelegd op de grote rol van walging, omdat die tot nu toe grotendeels over het hoofd is gezien. Walging is een soort sociale poortwachter die ons instinctief laat weten wie erbij hoort en wie niet, wie één van ons is en wie niet. Dat is een cruciaal onderscheid voor mensen. Die lijn kun je zelfs doortrekken naar het genetisch niveau.

Er bestaat een verhaal over de evolutionaire oorsprong van wreedheid. De situatie waarin primitieve mensen leefden zou de behoefte hebben geschapen om heel snel het onderscheid te kunnen maken tussen Wij en Zij. De evolutie heeft toen gedaan wat ze altijd doet: een bestaand mechanisme kapen en het bijstellen, zodat het zo goed mogelijk functioneert. Daarom spelen symbolen een grote rol – denk aan Wilders en de Koran. Dat is een symbolisch boek, en symbolen zijn bedreigend.'

- En walging?
Taylor: ‘Walging is een natuurlijk mechanisme dat mensen toelaat om te gaan met dingen die je niet kunt zien of aanraken en die toch ‘gevaarlijk’ zijn, hoewel ze zelf geen kwaad kunnen doen. Ideeën lijken dus op ziekteverwekkers. Als je die mensen beziet als ziekteverwekkend, reageer je tijdens een stresserend conflict op hen alsof ze weerzinwekkende objecten zijn.’
 
Als we de wreedheid willen uitbannen, dan moeten we het fenomeen ontrafelen, en in al zijn complexiteit en gelaagdheid begrijpen.

Poesjkin is terug. Gisteravond zat hij opeens op de richel bij de buren. Vanochtend als ik de deur open om buiten te gaan, staan er twee jongemannen voor de deur, keurig in het pak. Het zijn Jehovah’s Getuigen. Voordat ik mij uit de voeten kan maken, krijg ik een exemplaar van De Wachttoren van ze. ‘Waarom doen mensen slechte dingen?’ staat in grote letters op de omslag.

Het is een vraag die ons nooit zal loslaten. En dat is maar goed ook.


In Psyche&Brein nr. 6, uit op 9 december, vindt u uitgebreide bijdragen over pesten op het werk, mensen die het liegen niet kunnen laten en last but not least het wrede brein. 



Geschreven in Maatschappij | 8 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De kleuterjuf, de secretaresse en onze identiteit

30. September 2010, 11:46

Hoe individualistischer we worden, hoe minder er van het individu overblijft, zo lijkt het wel eens. Zitten we eindelijk met zijn allen op Facebook onze individualiteit te etaleren, blijken we vage figuren te zijn in plaats van bewuste, verbonden wereldburgers. Volgens wetenschappers is ons Ik niet de stabiele en scherp afgebakende entiteit die we permanent ervaren. Het mist duidelijke contouren, zeggen ze, het lijkt veeleer op een caleidoscopisch beeld. Uit experimenten blijkt dat ons Ik wordt gevormd door allerlei processen waarvan we ons niet bewust zijn en die je ook nog kunt manipuleren.

Als we iemand bijvoorbeeld vragen: ‘Hoe zou u uzelf beschrijven?’, is het antwoord dat we krijgen niet noodzakelijk betrouwbaar. Vaak wijken ze sterk af van het werkelijke gedrag van die persoon – meestal in positieve zin. De een beweert dat hij heel goed kan luisteren, maar valt zijn gesprekspartner om de haverklap in de rede. Een ander beschouwt zichzelf als zeer intelligent, zonder dat hij in de gaten heeft dat hij vaak alleen maar clichés debiteert en open deuren intrapt. Onze neiging tot zelfoverschatting, onder psychologen bekend als de positivity bias, is een fenomeen dat door tal van studies is bevestigd.

Natuurlijk komt het omgekeerde ook voor: mensen die zich slechter voordoen dan ze zijn en bijvoorbeeld klagen dat ze zo’n moeite hebben met het nemen van beslissingen (terwijl ze bij het inkopen doen de knoop veel vlotter doorhakken dan de gemiddelde mens). Maar dit type mensen is toch meestal in de minderheid.

Leen is leuk
Hoe kunnen we dan de verborgen motieven en karaktertrekken van een persoon achterhalen? De onderzoekers maken hiervoor gebruik van verschillende procedures, zoals de impliciete associatietest (IAT) die psycholoog Anthony Greenwald van de Universiteit van Washington in Seattle eind jaren ’90 heeft ontwikkeld.

Daarbij is het de bedoeling dat een proefpersoon zo snel mogelijk reageert op een prikkel, bijvoorbeeld een woord of een plaatje dat op een beeldscherm verschijnt. Voorafgaand aan de test is hij erop getraind telkens met zijn linkerhand op een knop te drukken wanneer het getoonde begrip van toepassing is op hemzelf en met de rechterhand wanneer het betrekking heeft op iemand anders, bijvoorbeeld een goede vriend. Uit de snelheid waarmee de proefpersoon zijn ‘Ik’ koppelt aan verschillende adjectieven als ‘angstig’ of ‘zelfverzekerd’ kunnen de onderzoekers conclusies trekken over zijn zelfbeeld.

Ook het Name Letter Effect geldt als een deugdelijke indicatie voor hoe het is gesteld met iemands zelfbeeld. Het is gebaseerd op het frappante verschijnsel dat we een sterke voorliefde hebben voor de letters van onze naam, vooral voor de initialen. De mate van die voorkeur is een aanwijzing voor het impliciete gevoel van eigenwaarde van de proefpersoon. Als ene Peter bijvoorbeeld positieve woorden die met zijn naam geassocieerd zijn (‘patent’) systematisch sneller herkent dan negatieve (‘pedant’), verraadt dat iets over zijn persoonlijkheid.

Gecompliceerd
De Duitse filosoof en schrijver Richard David Precht plaatst kanttekeningen bij dit nieuwe Ik-paradigma. Die vindt u terug in zijn boek Wie ben ik en zo ja hoeveel? (Nieuw Amsterdam, 2008). De oude voorstelling dat een mens bijeen wordt gehouden door een supervisor, is niet weerlegd, zegt Precht. Hij noemt het Ik ‘een vrij aandachtige kleuterjuf’. Meestal is zij observerend, meevoelend en min of meer waakzaam. Mensen hebben geen kern, geen ‘waar zelf’, dat men ergens op heterdaad kan betrappen, aldus de filosoof. We bezitten een kameleontisch, veelvoudig gelaagd en multiperspectivisch Ik, schrijft hij. ‘Het hersenonderzoek bewijst niet dat er geen ik bestaat, maar dat ons gevoelde Ik een een ongelofelijk gecompliceerd proces in de hersenen is, zo fascinerend, dat we nog altijd alle reden hebben om ons erover te verbazen.’ Precht meent dat het hersenonderzoek nog decennia verwijderd is van het volledig doorgronden van onze ‘Ik-toestand’, als het er überhaupt ooit in slaagt.

Een en ander neemt natuurlijk niet weg dat wij juist te veel nadruk leggen op persoonlijkheid. Denk maar aan de mediamanie met bekende mensen, die we overigens zelf hebben gecreëerd.

Typische secretaresse
Het concept persoonlijkheid mag best worden gerelativeerd. In het onlangs verschenen Niemand is uniek, behalve ik (Bert Bakker, 2010) betoogt Eric Rassin van de Erasmus Hogeschool Rotterdam dat we meer op elkaar lijken dan we van elkaar verschillen. ‘De persoonlijkheid is niet zo’n allesbepalende beschrijving van de individuele mens als vaak wordt aangenomen’, stelt hij. Bovendien verandert onze persoonlijkheid voortdurend en lijkt het er sterk op dat mensen naargelang de context een andere persoonlijkheid hebben. Neem nou de in 2006 uitgevoerde, nieuwe versie van het klassieke Milgram-experiment, waaruit bleek dat we nog steeds bereid zijn de mensenrechten van onze medeburgers te schenden door hen zogezegde elektrische schokken toe te dienen.

Maar door oefening van gedrag kun je wel degelijk aan je persoonlijkheid sleutelen, is de optimistische boodschap. In dit verband refereert Rassin aan een onderzoek van Dijksterhuis en Van Knippenberg. De wetenschappers stelden aan 60 studenten uit Nijmegen vragen over het spel Trivial Pursuit. Een deel van van de proefpersonen kreeg de opdracht vooraf na te denken over professoren. Een derde groep werd gevraagd na te denken over de typische secretaresse. De deelnemers die aan professoren hadden gedacht bleken 60 procent van de vragen goed te beantwoorden, terwijl de studenten die aan secretaressen hadden gedacht op 46 procent bleven steken. Kennelijk kun je (althans voor beperkte tijd) slimmer worden door te denken aan mensen die stereotiep slim zijn. En je kunt dommer uit de hoek komen door te denken aan mensen die stereotiep dom zijn, wat bleek uit een vervolgonderzoek waarin deelnemers werden geprimed of beïnvloed met het stereotype van de voetbalvandaal. 




En het goede nieuws
Positief aan de kritiek op het concept persoonlijkheid is dat hoe minder dat van belang blijkt, hoe meer invloed we kunnen uitoefenen op ons leven. Wat dat betreft kan ik het alleen maar eens zijn met Eric Rassin. Een vastomlijnd idee van wie we zijn, wat onze beperkingen zijn is een soort gevangeniscel. Als je denkt: ‘Dat lukt mij niet, zo ben ik nu eenmaal’, kom je nergens. Die gedachte is de meest beperkende die er is, heb ik ondervonden. Daar stelselmatig tegen ingaan kan verfrissend zijn. Hetzelfde geldt wanneer anderen je proberen aan te pratan wie jij ‘nu eenmaal bent’. En zo belanden we als vanzelf bij de bijdrage 'Als je zelfvertrouwen wankelt' uit de nieuwe Psyche&Brein, die verschijnt op 14 oktober. Daarin lezen we hoe funest zowel vroegere mislukkingen als stereotypen – en dus onze eigen vastgeroeste ideeën over ons ik – wel kunnen zijn. Als je dit doortrekt, dan schiet je eigenlijk niet op met een  persoonlijkheid. Kun je aan die gedachte wennen, dan is er niets aan de hand.



Geschreven in Psychologie | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Zijn de M/V-clichés dan toch waar?

10. Augustus 2010, 13:26

De man-vrouwverschillen: we doen alsof we erboven staan, maar ergeren ons er wel aan. Wat zegt actueel onderzoek over M/V?

 

Hij stamt af van jagers. Dat merk je als hij leden van de andere sekse in de gaten krijgt. Hij is toegerust met een goed ruimtelijk inzicht, maar niet in staat om op twee dingen tegelijk te letten. Met een pathologische vastberadenheid gaat hij recht op zijn doel af. Zijn sociale vaardigheden schieten tekort. En dan heb je zijn gezellin. Zij heeft meer iets van een verzamelaar. Dat zie je duidelijk als er koopjes zijn. Ze heeft een vlotte babbel, maar is hopeloos als het op abstract denken aankomt. Meestal is ze ten prooi aan haar emoties. Als ze zich met zijn tweeën in onbekend gebied bevinden, is het gevaar groot dat ze maar rondjes blijven rijden, want hij weigert de weg te vragen en zij kan geen kaartlezen.

 

 

Clichés in de wetenschap

Dit zijn simplistische karikaturen, maar als het om mannen en vrouwen gaat, zijn de stereotypen hardnekkig. Wat is dat toch met die man-vrouwverschillen? We doen wel alsof we erboven staan en zelfs alsof ze niet bestaan. Maar zowat dagelijks valt het voor dat we in stilte denken dat er iets van aan is, en ons ergeren. Iedereen die eerlijk is, zal je vertellen dat mannen inderdaad soms van Mars lijken te komen en vrouwen van Venus.

Twee recente studies lijken stereotypen rondom stoere kerels en sentimentele meiden te bevestigen. In juni liet Aaron Sell van de Universiteit van Californië in Santa Barbara tweehonderd mannen van over heel de wereld een korte zin inspreken. Hij verzamelde ook gegevens zoals hun borst- en bicepsomvang. Sells studenten moesten dan op basis van de spraakmonsters inschatten hoe goed de sprekers zich tijdens een conflict uit de slag zouden trekken. Het resultaat was ondubbelzinnig: de stem van een man verraadt zijn lichaamkracht.

Nog geen week later volgde de publicatie van Love is in the air van Nicolas Gueguen. De Franse psycholoog liet jonge vrouwen van tussen de achttien en de twintig jaar vijf minuten wachten in een vertrek met romantische achtergrondmuziek. Vervolgens liet hij hen een gesprek voeren over de voor-en nadelen van biocake met een jongman die een 'doorsnee uiterlijk' had. 52 procent gaf ten slotte hun telefoonnummer wanneer hun gesprekspartner hen uitnodigde voor een borrel (28 procent gaf dat niet, maar had zojuist een neutraal liedje te horen gekregen).

 

En hoe zit dat met de hersenen?

Tot voor kort dacht men dat de man-vrouwverschillen het gevolg waren van de werking van de geslachtshormonen en de invloed van de omgeving. Er werd van uitgegaan dat het mannen- en het vrouwenbrein op dezelfde manier in elkaar stak en functioneerde. Maar deze aannames komen steeds meer onder druk te staan.

Zo zouden vrouwen en mannen verschillende emotionele systemen hebben. Die beschrijft neuroloog/psychiater Louann Brizendine in haar boek De Mannelijke Hersenen (Sirene, 2010). De twee systemen voor het lezen van emoties zijn het spiegelneuronensysteem en de temporele-pariëtale kruising. De spiegelneuronen in iemand spiegelneuronensysteem stellen hem/haar in staat om even dezelfde emotie te voelen die hij/hij herkent bij de ander. Dit heet emotionele empathie. Mannen ervaren die heel even, maar lijken dan sneller over te schakelen op de temporele-pariëtale kruising. Daardoor worden de hersencircuits voor het analyseren en oplossen van problemen aan het werk gezet. Dat noemen we cognitieve empathie. Uit onderzoek blijkt dat de temporele-pariëtale kruising een scherpe scheidslijn in stand houdt tussen  emoties van het 'zelf' en die van de 'ander', aldus Brizendine. Het voorkomt dat de denkprocessen van mannen 'geïnfecteerd' raken door de emoties van anderen. Zo kan hun cognitief-analytische vermogen om een oplossing te vinden worden versterkt. En omdat mannen hun temporele-pariëtale kruising méér gebruiken, kunnen ze zich niet voorstellen waarom vrouwen zoveel over hun emoties praten.



Dààrom vraagt hij nooit de weg!

Maar van ook de sociolinguïstiek kunnen we wat dat betreft iets leren. De Amerikaans taalkundige en bestsellerauteur Deborah Tannen heeft de gespreksstijlen van mannen en vrouwen geanalyseerd. In zekere zin spreken de beide seksen verschillende t     alen, meent ze. en ik heb ontdekt dat de conversatie van mannen over het algemeen draait om hiërarchie - wie de meeste macht heeft - terwijl vrouwen meer gericht zijn op verbinding - meer of minder nabijheid of afstand. Met andere woorden: een man en een vrouw kijken soms op hetzelfde gesprek terug met verschillende vragen. Hij vraagt zich af: 'Heeft dat gesprek me een hogere of een lagere status opgeleverd?', terwijl zij denkt: 'Heeft het gesprek ons nader tot elkaar gebracht of verder van elkaar verwijderd?'

In haar meest recente onderzoek bestudeert ze de context waarin vrouwen zich het duidelijkst en het meest intensief op hiërarchie richten en mannen op verbinding: het gezin. Een vader haar hoe verwarrend het voor hem was toen hij een gesprek tussen zijn dochtertje en haar vriendin hoorde. Het vriendinnetje had gezegd: 'Ik heb een broer die Benjamin heeft en een broer die Jonathan heet.' Zijn dochter antwoordde: 'Ik heb ook een broer die Benjamin heet en een broer die Jonathan heet.' Maar dat was helemaal niet waar. Haar vader vroeg zich af waarom ze in hemelsnaam zoiets beweerde.

 

Ik weet hoe je je voelt

Deborah Tannen legde de vader uit dat ze simpelweg een overeenkomstige ervaring aandroeg als teken van goede wil, om de vriendschap te bevestigen.

Deze seksegerelateerde nadruk op verbinding dan wel hiërarchie werpt ook een verhelderend licht op tal van gesprekken - en frustraties - tussen volwassenen. Stel dat een vrouw een andere vrouw vertelt over een persoonlijk probleem en als reactie te horen krijgt 'Ik weet hoe je je voelt' of 'Dat is mij ook overkomen'. Er ontspint zich dan een gesprek over allerlei problemen dat hun onderlinge band versterkt. (Sommige vrouwen hebben zelfs het gevoel dat ze problemen uit het verleden moeten opdiepen of desnoods verzinnen om een hechte band met hun vriendinnen te onderhouden.)

Een man heeft geen ervaring met dit type ritueel gesprek, dus er is een grote kans dat hij, als een vrouw een probleem te berde brengt, dat (ten onrechte) interpreteert als een verzoek om hulp bij het oplossen ervan. Het resultaat is voor beide partijen frustrerend.

Hieruit mag alvast blijken dat de verschillen tussen de seksen genuanceerder zijn dan de clichés laten vermoeden, maar ook dat de clichés voor een groot deel worden bevestigd! Meer daarover in de nieuwe Psyche&Brein (nummer 5, uit op donderdag 12 augustus).

 



Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Wis je trauma's

25. Mei 2010, 16:25

Slechte herinneringen kunnen nu gewist worden, zónder pillen. Wat denkt u van het maakbare geheugen?

AngstHet geheugen is iets raars. De ene keer gaat het opeens in overdrive, de andere keer sputtert het of laat het zelfs afweten. Vooral dat laatste baart ons zorgen. De angst voor het vergeten is een fobie waar velen door geplaagd worden en die alleen maar toeneemt met het ouder worden. Tegelijkertijd doet het geheugen te veel zijn best. Het legt een immense interesse aan de dag voor slechte herinneringen – onze nare ervaringen en de domheden die we hebben begaan. Ze komen ons veel vaker voor de geest dan al het moois dat we hebben meegemaakt. Je hoeft het niet naar voren te halen, het overvalt je. Dat zou weer te maken hebben met de evolutie, die ons behoedt voor het herhalen van fouten en gevaarlijke acties. De impact van ongewenste herinneringen zou afnemen als je ouder wordt. Dat is dan iets om naar uit te kijken.

Herinneringen vatbaar voor verandering
Ik kan me voorstellen dat u wel eens hebt gedacht: ‘Zou het niet fantastisch zijn als we onze rotervaringen naar eigen goeddunken konden wissen?’ Wetenschappers zijn daar alweer een tijdje mee in de weer. Die mogelijkheid komt nu dichterbij met een studie die in december van vorig jaar werd gepubliceerd door Karim Nader van de Canadese McGill-universiteit en Marie Monfils van de Universiteit van Texas in Austin. Zij legden de basis voor een behandeling zonder pillen die angstherinneringen bij ratten en mensen wist. Uiteindelijk zou de therapie mensen met posttraumatische stress van hun probleem kunnen afhelpen. De nieuwe methode berust op een eigenschap van herinneringen die reconsolidatie wordt genoemd. Die houdt in dat als je een herinnering weer oproept met behulp van een emotionele of sensorische prikkel, ze dan enkele uren vatbaar blijft voor verandering. Nadat Nader had vastgesteld dat het wissen meer kwaad dan goed doet als je chemische stoffen gebruikt, testte Monfils een zachtaardiger aanpak. Haar team liet ratten eerst een muziektoon associëren met een milde elektrische schok. Als je de toon laat horen zonder een schok te geven, verstijven de dieren van de angst. Maar als je dat vaak genoeg herhaalt – negentien keer om precies te zijn –, dan worden ze almaar minder angstig. Tot zover de standaardprocedure. Een maand later bleek het effect echter uitgewerkt en waren de dieren even bang als tevoren. Om het blijvend te maken deed Monfils iets dat even simpel als slim was. Ze diende het geheugen van een nieuwe groep ratten de prikkel toe, wachtte een uur zodat de reconsolidatie werd ingezet en liet de toon dan telkens weer horen. Ditmaal bleven de ratten angstvrij.

Spotless Mind Jim Carrey‘Maar hoe zit dat dan met mensen?’, vraagt u zich wellicht af. De rat heeft een staartje, wat niet van alle experimenten met de arme dieren kan gezegd worden. Daniela Schiller en Elizabeth Phelps, hersenwetenschappers van New York University, pasten een vergelijkbaar procedé toe bij vrijwilligers. Zij koppelden een elektrische schok aan het verschijnen van een blauw vierkant op een computerscherm.

Elizabeth Phelps: ‘Als je reconsolidatie interpreteert als een adaptief mechanisme, dan dienen nieuwe dingen die je leert om het geheugen te updaten – niet om het te blokkeren. Extinctietherapie is dus even effectief als medicijnen wanneer dit gebeurt tijdens de reconsolidatie die door de herinnering wordt getriggerd.’

I already forget how I used to feel
Realiteit is het aperitief van fictie, aldus een Canvas-slogan. Het omgekeerde vind ik meestal boeiender. Toen Charlie Kaufman Eternal Sunshine of the Spotless Mind schreef, was het selectief uitgommen van herinneringen nog lang geen realiteit. In de film laten twee geliefden, vertolkt door Jim Carrey en Kate Winslet, hun herinneringen aan elkaar wissen. Uiteindelijk komt protagonist Carrey erachter dat dat toch niet zo’n goed idee was. Beroemdste line uit de film: ‘I already forget how I used to feel about you.’

Onze herinneringen zijn de stof waaruit ons denken en voelen gemaakt is. Wat zijn wij anders dan onze herinneringen? In tijden dat identiteit en bewustzijn ter discussie staan, is dat een zekerheid. Voorlopig toch. Aan u de keuze. Wat voor iemand zou u zijn als u die een rotervaring niet had gehad? Een boeiender mens, een gelukkiger iemand of juist niet? En wat doen we met de lessen die we leren uit de minder leuke dingen die we meemaken en de vaardigheden die we erdoor verwerven? Ik betwijfel of ik een leeg blad zou willen zijn. Daar krijg ik beelden van Brave New World-achtige wezens bij.

Uiteraard is deze behandeling bedoeld voor patiënten met posttraumatische stress en ernstige fobieën. Maar zo gauw iets technisch mogelijk is, wordt er misbruik van gemaakt, zoals de ervaring leert. Mensen zullen hun ervaringen willen herschrijven. Een psychische variant van de cosmetische chirugrie is niet zo’n vergezocht idee. Het maakbare geheugen is een feit.

(In Psyche&Brein nr. 3, uit op 10 juni, leest u het dossier Brein en Geheugen).




Geschreven in Hersenwetenschap | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Waarom wij domme dingen doen

06. April 2010, 15:15

BreinWij hebben, neen, koesteren een fascinatie voor genialiteit. Grote geesten dringen schijnbaar moeiteloos door in mysteries die voor ons een raadsel blijven. Bovendien kun je over slim zijn niet twisten. Het is zoals bij sport: de beste, in dit geval de slimste, wint. Toch weten we dat het uiteindelijk neerkomt op 10 procent inspiratie en 90 procent transpiratie. Zoals Einstein al zei: ‘Het is niet dat ik zo slim ben; ik blijf alleen langer met vraagstukken bezig.’ Maar wat is intelligentie eigenlijk? Het is iets ongrijpbaars en zal dat waarschijnlijk ook blijven. Dat belet niet dat wetenschappers proberen te achterhalen hoe ons verstand werkt en wat de biologische basis ervan is.

Goede connecties

In februari deden ze een bijzondere ontdekking. Een Amerikaans-Duits team van Caltech onder leiding van Jan Gläscher en Ralph Adolphs bleek aardig te zijn opgeschoten met het ontrafelen van het mysterie van de intelligentie.

Aanvankelijk zochten Gläscher, Adolphs en hun medewerkers een antwoord op de vraag: welke hersengebieden maken ons slim? Daartoe maakten ze gebruik van een ongewone methode. Ze onderzochten 241 mensen met een hersenbeschadiging – dat  is in dit geval een bijzonder groot aantal. Dan legden ze de plek van elke beschadiging vast. De onderzoekers onderwierpen de patiënten vervolgens aan een IQ-test. Zo konden ze de hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor intelligentie in kaart brengen.  

Ze kwamen tot de conclusie dat ons verstand zich bevindt in een duidelijk afgelijnd netwerk van gebieden aan weerszijdenvan de hersenen. De ‘algemene intelligentie’, die je dus kunt meten met IQ-tests, zou afhangen van de connecties tussen de frontale en de pariëtale delen, die er vlak achter liggen. Intelligentie heeft in eerste plaats te maken met de communicatie tussen die hersengebieden. Deze ontdekking strookt met een bestaande theorie die de ‘pariëtaal-frontale integratietheorie’ wordt genoemd. Daarover leest u alles in Psyche&Brein nummer 2, die nu in de krantenwinkel ligt.

Cognitieve vrekken

Niettemin blijft intelligentie een vaag begrip. Een bekende definitie luidt: ‘Intelligentie is datgene wat intelligentietests meten.’ Maar kún je de intelligentie wel meten op basis van IQ-tests? Niet helemaal, zo blijkt. Je kunt er zelfs niet mee achterhalen of iemand wel of niet rationeel denkt. Ook daarover leest u meer in ons nieuwe nummer. Keith E. Stanovich, auteur van het artikel ‘Wat IQ-tests niet meten’ bedacht de term ‘dysrationalie’. Daarmee bedoelt hij het onvermogen om rationeel te denken en te handelen, ondanks de aanwezigheid van een adequate intelligentie.

Vaak zouden we niet rationeel denken omdat we ‘cognitieve vrekken’ zijn, zegt Stanovich. Bent u een cognitieve vrek? Bekijk eens het onderstaande probleem, dat is ontleend aan het werk van Hector Levesque, een computerdeskundige van de Universiteit van Toronto. Probeer eerst zelf het antwoord te vinden, voordat u de oplossing leest.

Jack kijkt naar Anne, maar Anne kijkt naar George. Jack is getrouwd, maar George niet. Kijkt er een gehuwd persoon naar een ongehuwd persoon?

A) Ja
B) Nee
C) Kan niet worden vastgesteld

Meer dan tachtig procent van de mensen kiest C. Maar het correcte antwoord is A. De redenering gaat als volgt: Anne is de enige persoon van wie de burgerlijke staat onbekend is. We moeten dus beide mogelijkheden, gehuwd en ongehuwd, bekijken om te kunnen bepalen of we over voldoende informatie beschikken om tot een conclusie te komen. Als Anne getrouwd is, is het juiste antwoord A: zij is dan de gehuwde persoon die naar een ongehuwde persoon (George) kijkt. Maar als Anne niet getrouwd is, luidt het antwoord nog steeds A: in dat geval is Jack de gehuwde persoon en hij kijkt naar Anne, de ongehuwde persoon. Dit denkproces heet een volledig disjunctieve redenering – een redenering die rekening houdt met alle mogelijkheden. Omdat de opgave niet vertelt of Anne getrouwd is, denken veel mensen meteen al dat ze over onvoldoende informatie beschikken en kiezen de gemakkelijkste optie (C) zonder alle mogelijkheden na te gaan.

De meeste mensen zijn prima in staat een volledig disjunctieve redenering uit te voeren als hen expliciet wordt duidelijk gemaakt dat dat de bedoeling is (bijvoorbeeld als de optie ‘kan niet worden vastgesteld’ ontbreekt). Maar de meesten doen het niet automatisch, en er is slechts een zwakke correlatie tussen intelligentie en de neiging volledig disjunctief te redeneren.

De ratio faalt
En rationaliteit – is die zaligmakend? Denk aan de afgang van de Homo economicus en de opkomst van het populisme. Rationaliteit staat nog steeds hoog aangeschreven, maar het aantal studies dat erop duidt dat wij niet rationeel zijn maar vooral dénken het te zijn, neemt opzienbarend toe. Het kan geen toeval heten dat juist nu een nieuwe uitgave verschijnt van ‘Irrationaliteit’ (Uitg. Nieuwezijds), het briljante boek van de Britse psycholoog Stuart Sutherland. Irrationaliteit bepaalt vrijwel elke menselijke redenering en beslissing, meent de auteur. Bijvoorbeeld: niet op zoek gaan naar tegenbewijzen of dergelijke bewijzen negeren. Het zijn twee van de methoden waarmee we onze eigen opvattingen proberen te handhaven.

Sutherland haalt het voorbeeld aan van het fiasco van de slag om Arnhem. Generaal Montgomery leek zijn visier meer te hebben gericht op persoonlijke roem dan op het winnen van de oorlog. Een eerste verzuim van de generaal was dat hij naliet eerst Antwerpen in te nemen alvorens door te stoten naar de Rijn, omdat hij ambieerde die als eerste over te steken. Daardoor konden de Duitsers uit Noord-Ierland ontkomen en deelnemen aan de verdediging van Arnhem. Een tweede steek die Monty liet vallen was dat zijn ‘xxx Legerkorps’ moest oprukken over een onbeschutte weg met waterwegen die voor tanks onmogelijk te nemen waren. Daarbij kwam dat de weg zo smal was dat er maar één tank tegelijk overheen kon. Montgomery negeerde ook het feit dat twee Duitse pantserdivisies in de buurt van de Britse droppinglocatie waren gesignaleerd. De derde en belangrijkste factor die hem speelde: de operatie was afhankelijk van de afwezigheid van een sterke Duitse troepenmacht bij Arnhem. De rest van het verhaal kent u.

Hebt u al kennisgemaakt met uw innerlijke Monty? Het lijkt mij dat het laatste woord over intelligentie nog niet gezegd is.


Geschreven in Psychologie , Hersenwetenschap , Maatschappij | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Liefde en psyche

05. Februari 2010, 16:30

Liefde is ... blind. De oude volkse wijsheid heeft nog steeds niet aan populariteit ingeboet. Wetenschappelijk valt er iets voor te zeggen, in zekere zin. Zo is er een recente Britse studie die aantoont dat de stof in de hersenen die een band helpt smeden tussen moeder en kind ook een rol speelt bij het vinden van een partner. Deze stof, oxytocine, zorgt ervoor dat we onbekenden aantrekkelijker vinden wanneer we er een wolkje van inademen. Psycholoog Angeliki Theodoridou van de universiteit van Bristol verstoof een vleugje oxytocine ofwel een placebo in de neus van zijn proefpersonen. Ongeacht hun sekse of stemming beoordeelden degenen die het knuffelhormoon in hun bloed hadden foto’s van onbekende mannen en vrouwen als aantrekkelijker. De onderzoeker meent dat dit komt doordat oxytocine de activiteit tempert van de amygdala, het hersengebied dat onder andere angstige emoties verwerkt.

Ook antropologe en schrijfster Helen Fisher van Rutgers University gelooft dat stoffen in onze hersenen een voorname rol spelen als het om liefde gaat. Het gezegde dat er ‘chemie’ bestaat tussen twee mensen, moet je hier letterlijk nemen. Iemands specifieke combinatie van sekshormonen en neurotransmitters bepalen mee tot wie hij of zijn zich aangetrokken voelt. Zo onderscheidt Fisher vier types en de beste combinaties daar tussen. Naar eigen zeggen kan haar in samenwerking met een grote datingsite tot stand gekomen systeem je ervoor behoeden ‘te veel kikkers te kussen’.

Een gemeenschappelijke genetische achtergrond kan eveneens van invloed zijn. Daar gaat een van de fascinerendste onderzoeken van de voorbije maanden over. Neil Risch en Gonzáles Burchard van de University of California in San Franscisco werkten met DNA-stalen van getrouwde stellen uit de Mexicaanse en Puertoricaanse gemeenschap. Ze kwamen erachter dat wie uit een Mexicaanse gemeenschap kwam een partner had gekozen met dezelfde hoeveelheid oorspronkelijk Amerikaanse en Europese voorouders. Op dezelfde wijze hadden de Puertoricaanse stellen elkaar gevonden op basis van een gelijke Afrikaanse en Europese afkomst. Het socio-economische profiel van de deelnemers aan het onderzoek werd nagetrokken, maar kon deze keuze niet verklaren.

Ingewikkeld

Het lijkt erop dat de liefde niet alleen blind maar vooral ook heel ingewikkeld is. Denk aan het fel toegenomen aantal echtscheidingen in ons landje.

Toch blijven we in het Westen hoog oplopen met de romantische liefde. Die wortelt in de evolutie, maar onze kijk wordt wel sterk beïnvloed door de maatschappij waarin we leven. Als de sociale druk afneemt om paarbindingen in stand te houden, wordt de romantische liefde de factor die bepaalt met wie we een relatie hebben en voor hoelang. Dat zegt de bekende Amerikaanse psychologe Maureen O’ Sullivan. ‘Vraag je aan Japanse studenten de positieve eigenschappen te noemen die ze zoeken in een partner, dan blijkt dat ze loyaliteit, toewijding en commitment hoog inschatten’, merkt ze op. ‘Stel je diezelfde vraag aan Amerikaanse studentes, dan volgt er een verlanglijstje met zowat alles wat je kunt bedenken. Naast engagement moet hun partner entertainment bieden en gevoel voor humor hebben, zorgend zijn en ook een maatje.’

Met zulke hooggespannen verwachtingen ziet de toekomst van de echtscheidingscijfers er al evenmin rooskleurig uit. De liefde lijkt hoe langer hoe irrationeler en onbereikbaarder. Sommigen missen de noodzakelijke vaardigheden om een relatie te onderhouden. We slepen een hoop bagage met ons mee. Denk aan De eenzaamheid van de priemgetallen van Paolo Giordani, waarin Mattia en Alice, beiden belast door een jeugdtrauma, uiteindelijk niet bij elkaar kunnen komen.


Positief

En het goede nieuws is dat er ondanks alles iets moois bloeit tussen de psychologie en de liefde. Het komt uit de hoek van de ‘positieve psychologie’. Die is, om verwarring met positive thinking en personal development te vermijden, wel degelijk op de experimentele methode gestoeld. De positieve psychologie neemt positieve emoties en sociale relaties onder de loep en wil bijdragen aan ons welzijn. Onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond is dat iemands kansen op geluk met bijna zestig procent toenemen als hij/zij gelukkige vrienden heeft.

In Psyche&Brein nummer 1 (uit op 11 februari) gaan we in op enkele zaken waar deze stroming achter is gekomen als het om liefde en relaties gaat. Zo blijkt dat de manier waarop stellen omgaan met goed nieuws misschien nog belangrijker is voor de relatie dan hun vermogen om elkaar in moeilijke tijden te steunen. Toch wel de moeite om even bij stil te staan.

Blind te werk gaan, hoeft niet. Fingers (and legs) crossed...


 



Geschreven in Psychologie | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Hoog tijd voor empathie

05. November 2009, 11:47

Psychologen en hersenwetenschappers zoeken uit hoe we ons empathisch vermogen kunnen laten toenemen. Stel dat dat concrete gevolgen heeft...

Het klinkt als een cliché en dat is het natuurlijk ook: zou de wereld er niet beter op worden als we met zijn allen een beetje aardiger waren voor elkaar? En hoe krijgen we dat voor elkaar? Dit is geen thema van de Bond zonder Naam, maar een wetenschappelijke vraagstelling. Op dit moment zoeken psychologen en hersenwetenschappers uit hoe we ons empathisch vermogen kunnen laten toenemen.

Empathie-kinderen

Three degrees of separation

Zo bestaat er nu bewijs dat altruïstische daden zich door sociale netwerken verspreiden. Als jij aardig bent voor iemand, dan zal die persoon aardig zijn voor iemand die hij of zij kent. Nicholas Christakis en zijn collega’s van Harvard Medical School demonstreerden dat onlangs met een samenwerkingsspel. Daarbij werden 120 studenten opgedeeld in groepjes van vier. Er werd hun gevraagd om geld te geven aan hun groep. Het spel duurde vijf ronden. Na elke ronde werden de studenten in een andere groep ondergebracht, zodat niemand twee keer in dezelfde groep zat. De onderzoekers vertelden na afloop van elke ronde aan de deelnemers hoeveel de anderen in hun groep hadden gegeven.

Ze kwamen erachter dat vrijgevigheid besmettelijk is. Als iemand één dollar meer gaf dan het voorspelde gemiddelde van de groep, dan gaven de anderen in die groep zo’n twintig cent meer dan werd verwacht in de volgende ronde. Het altruïsme hield stand tot in de derde ronde. In een aparte studie toonde Christakis aan dat samenwerkingsgedrag zich verspreidt tot drie graden van verwijdering: van vriend tot vriend tot vriend.

Fictie lezen helpt!

Je sociale vaardigheden kun je verbeteren door fictie te lezen. Tot die bevinding kwam een groepje wetenschappers uit Toronto, waartoe cognitief psycholoog en romanschrijver Keith Oatley behoort. Centraal in hun studie uit 2008 stond een test waarmee empathie en sociaal inzicht werden gemeten. De deelnemers keken naar foto’s van de ogen van mensen op dezelfde manier als je ze door een brievengleuf zou zien. Voor elk beeld kozen ze het meest geschikte woord van vier om te omschrijven wat de persoon op de foto voelde – bijvoorbeeld ‘grappend, zenuwachtig, verlangend, overtuigd’. Daarnaast kregen ze vijftien korte videoclips te zien van sociale interacties tussen gewone mensen. De deelnemers moesten dan zeggen wat er volgens hen aan de hand was. Zo werd hen gevraagd na het bekijken van zo’n clip te zeggen wie van beide kinderen, of geen van beiden, nakomelingen waren van de ouders in de betroffen scène. Het resultaat: de fictielezers bezaten volgens de eerste test substantieel meer empathie en scoorden ook beter op de interpersoonlijke perceptietest.

In een later onderzoek lieten Oatley en collega’s 166 proefpersonen ofwel de originele versie lezen van Anton Tsjechovs kortverhaal De dame met het hondje ofwel een in documentaire vorm herschreven versie ervan. De lezers konden zich gemakkelijker identificeren met de personages uit het literaire verhaal, zo bleek. Door zich in hen in te leven, werden ze een beetje meer ‘zoals zij’. Volgens Oatley kan fictie ons helpen om de gecompliceerdheid van het sociale leven beter te begrijpen. ‘Daarom vergelijk ik fictie met een simulatie die loopt op de software van onze geest’, zegt hij.

De empathische aap
Empathie-chimpsSommigen menen dat empathie een menselijk trekje is, maar dat is hoogstwaarschijnlijk niet het geval. De biologie toont aan dat althans een bepaalde vorm ervan bij veel soorten is ingebakken. Daarover gaat het nieuwe boek van primatoloog Frans de Waal. In Een Tijd voor Empathie presenteert hij nieuwe bewijzen voor het feit dat ons empathisch gedrag geworteld is in ingebakken gewoonten. Die treffen we zowel bij onze neefjes de chimps aan als bij verder verwijderede soorten zoals de muis. De auteur meent dat we van de chimpansees kunnen leren als het erom gaat met elkaar op te schieten. De auteur geeft ons ook een geëngageerde boodschap mee voor ‘een samenleving die ‘niet louter op egoïstische motieven en de krachten van de markt stoelt’.

Een exerpt:

Geloof niet iedereen die beweert dat het in de natuur draait om de strijd om het bestaan en dat wij dus ook zo moeten leven. Veel dieren overleven niet door elkaar af te maken of alles voor zichzelf op te eisen, maar door met elkaar samen te werken en onderling te delen. Dit geldt in uitgesproken mate voor groepsjagers, zoals wolven  en orca’s, maar ook voor onze naaste verwanten, de primaten. Volgens een onderzoek in Taï National Park in Ivoorkust verzorgden chimpansees groepsgenoten  die door luipaarden waren verwond. Ze likten hun bloed weg, verwijderden zorgvuldig het vuil uit de wonden en verjoegen met wuivende bewegingen de vliegen die in de buurt van de wonden kwamen. (...) Dit alles is volkomen logisch, aangezien chimpansees een goede reden hebben om in groepen te leven, net zoals wolven en mensen daarvoor een goede reden hebben. Als de ene mens de ander als een wolf behandelt, doet hij dat in alle opzichten, niet alleen in negatief opzicht. We zouden ons huidige leven niet leiden als onze voorouders sociaal afstandelijk waren geweest.

Onze aannames over de menselijke natuur zijn aan een volledige herziening toe. Te veel economen en politici modelleren de menselijke samenleving naar de voortdurende strijd die naar hun idee in de natuur heerst, maar die louter op een projectie berust.


Spiegelneuronen bestaan echt
Empathie wordt net als de taalverwerving en zelfs het bewustzijn in verband gebracht met de spiegelneuronen. De oorsprong ervan is zojuist ontdekt in de hersenen.

Een maand of wat geleden heeft Marco Iacoboni van de Universiteit van Californië voor het eerst individuele spiegelneuronen geobserveerd bij mensen. Spiegelneuronen werden elf jaar geleden ontdekt bij makaken. Tot nu toe konden het bestaan ervan in onze mensenhoofden alleen indirect afgeleid worden van fMRI-studies en veronderstelde gelijkenissen tussen mens en primaat. Iacoboni en zijn team legden de acties van 286 individuele neuronen vast bij epilepsiepatiënten. Laatsgenoemden kregen elektronen ingeplant in de frontaalkwabben (dat gebeurde in de eerste plaats om de oorsprong van hun aanvallen op het spoor te komen). Er werd hun gevraagd om simpele handelingen uit te voeren en korte filmpjes te bekijken van andere mensen die dezelfde acties uitvoerden. De studie identificeerde 34 spiegelneuronen, die zowel door het uitvoeren als het waarnemen van handelingen werden geactiveerd.

Van belang is dat het team er diverse kon spotten die tevoren niet bij makaken en andere primaten werden gevonden. Bij ons is dit systeem complexer dan bij andere primaten – dieren die volgens de onderzoeker toch in de eerste plaats imiteren. Iacoboni  meent dat een meer ontwikkeld systeem ook nodig is voor abstract of metaforisch denken en empathie.

Laten we hopen dat De Waal met de titel van zijn boek, Een tijd voor empathie de spijker op de kop slaat. Het zou mooi zijn als het empathieonderzoek kon bijdragen aan een mentaliteitswijziging in de samenleving. En misschien is dat idee minder naïef dan het klinkt.




Geschreven in Psychologie , Hersenwetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Het einde van de psychotherapie

26. Augustus 2009, 11:44

Sommige boeken interesseren je niet alleen meer dan andere, ze raken je ook meer. Het einde van de psychotherapie door Paul Verhaeghe is zo’n boek. Wat mij betreft toch.

P. VerhaegheVerhaeghe is gewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent, psychoanalyticus en  gerenommeerd Freud- en Lacan-kenner. Met Liefde in tijden van eenzaamheid (1998) werd hij bekend bij een breed publiek. Het einde van de psychotherapie, verschijnt op 1 september. Daarin houdt hij een bevlogen betoog voor een nieuwe kijk op psychische problemen en een herwaardering (of moet ik zeggen: heruitvinding?) van de psychotherapie.

Depressie, burn-out, persoonlijkheidsstoornissen en zelfs gezinsdrama’s worden anno nu bekeken als ‘ziektes’ met genetische en/of neurologische oorzaken. Maar klopt dat wel? Misschien moeten we die oorzaken veeleer in sociaal-economische bestel zoeken. Het relatief niet-werkzame karakter van de psychotherapeutische methodes bij problemen waarvoor ze niet uitgedacht werden, leidt tot de veronderstelling dat psychotherapie helemaal niet werkt, stelt Verhaeghe. En dat levert  een bijkomend argument voor de aanname dat het allemaal wel biologisch-genetisch zal vastliggen en dat zowel diagnoses als behandelingen daarop dienen te focussen. Wie nog durft te beweren dat psychoses, gedragsstoornissen enzovoort met de omgeving te maken hebben, wordt in het beste geval meewarig bekeken, in het andere geval beschuldigd van ethisch incorrect optreden en binnen de Amerikaanse context zelfs van ‘malpractice’. Als je in de VS bijvoorbeeld psychotische patiënten geen medicijnen voorschrijft, dan loop je kans op gerechtelijke vervolging. Onderzoek naar eventuele psychologische factoren bij het ontstaan van psychosen wordt nauwelijks nog verricht.

Hoe de psychotherapie in het verdomhoekje is geraakt na de hoogtijdagen van de  maakbare mens in de seventies beschrijft Verhaeghe treffend. In dat verband is zijn kijk op het hedendaags moreel relativisie (‘Anything goes’) de moeite aard. Dat relativisme leidt tot verregaande ironie  (‘Wat, nog steeds getrouwd?) , maar meestal tot onverschilligheid onder het mom van tolerantie (‘Ze doen maar’). Van belang is te begrijpen dat de daarbij aansluitende praktijk onvermijdelijk verglijdt naar een negatieve moraal die geen positieve normen of waarden durft op te leggen, maar hoogstens gedrag zal afwijzen. Dit is volgens de auteur het gevolg van een neoliberale basisopvatting: de mens is vrij zolang hij de ander geen schade toebrengt. Dat leidt ertoe dat de morele praktijk volledig geconcentreerd wordt op slachtofferschap. De voornaamste bekommernis op scholen is het voorkomen van ‘pesten’ en de belangrijkste publieke issue van de laatste jaren is het verbieden van roken op openbare plaatsen.

Dat psychotherapie wél kan werken, wordt duidelijk aan de hand van cases uit Verhaeghens eigen praktijk, zoals dat van de jongeman die er van onvertuigd was dat hij homo was. Ten slotte geeft de auteur suggesties voor een nieuwe therapeutische verhouding, die hij niet zozeer als het middel als wel het doel van de behandeling ziet. Ook dit laatste hoofdstuk, Nieuwe patiënten, nieuwe therapeuten, waarin hij het  verder onder andere heeft over de leegte nagelaten door het verdwijnen van identiteitverlenende groepen, is een oogopener.
Ik zou zeggen: staar je niet blind op de ‘neurotransmittertjes’, zoals Verhaeghe ze noemt.

Het einde van de psychotherapieHet einde van de psychotherapie
Door Paul Verhaeghe. De Bezige Bij, 2009. 246 p. € 19,95. ISBN 978 905712 299 6 NUR 770


Zie ook:
Blame the body (voorpublicatie uit dit boek) in het septembernummer van Eos (nr.9, 2009) (nu in de dagbladwinkel)




Geschreven in Psychologie | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


#skyscraper#