Help! Ik besta niet!

Door Mark Nelissen, 07 Juli 2010, 13:46

Soms heb ik zin om iets over de mens te schrijven buiten mijn domein, de gedragsbiologie. Schoenmaker blijf bij je leest, denk ik dan… maar gun jezelf al eens een pleziertje buiten die leest. De drang naar dat pleziertje begon in mijn hoofd en vingers te kriebelen en te zwellen toen ik gisteren in een luie zonnestoel aan een hotelzwembad zat rond te kijken naar al die vakantiemensen. Sommigen jong, anderen oud. Vrouwen en mannen, stille kinderen en joelende, bleke en rode. Dikke buiken en nog dikkere buiken… Een filosofische gedachte zwol onder mijn schedel, wellicht te veel zon gehad. Een gedachte over het ‘ik’, wie ben ik eigenlijk? Een filosofisch gegeven, maar bij nader toezien toch ook biologisch een verdomd interessante vraag over lichaam en brein.

Mijn lichaam is niet erg stabiel. Neem nu het bloed. Het wordt voortdurend vernieuwd, bloedcellen worden constant afgebroken en nieuwe worden aangemaakt. Hetzelfde verhaal geldt voor de huid. De cellen van de buitenste laag zijn dood en schilferen continu af – met tienduizenden per minuut, ze maken het grootste deel uit van het stof in huis – en worden vervangen door nieuwe cellen. Na enkele weken zit mijn huid in de stofzuiger. Ik bladder af! Mijn bloed en huid zijn niet dezelfde als een week geleden, laat staan een maand geleden. Ons skelet gaat enkele jaren mee maar is evenmin stabiel. Men neemt aan dat jaarlijks ongeveer een tiende van het beenderweefsel wordt afgebroken en vervangen door vers materiaal. Na een enkele jaren heb ik dus een nieuw skelet. En zo wordt het grootste deel van mijn lichaam voortdurend vervangen. Er zijn wel weefsels die dwarsliggen in dit verhaal, zoals kraakbeen. Dat is vervelend bij het ouder worden. Meniscus kapot? Blijft kapot. Maar ook zenuwweefsel valt buiten dit spel van afbraak en heropbouw. Dat maakt een kwetsuur aan ons zenuwstelsel zo gevaarlijk. Herstel is maar in zeer beperkte mate mogelijk. De laatste jaren heeft men vastgesteld dat hersencellen – in tegenstelling tot wat ik decennialang doceerde – toch nog kunnen delen en dus hier en daar een stukje brein kunnen herstellen, maar dat is toch maar op zeer beperkte schaal. Wij doen het ons hele leven met grotendeels dezelfde hersenen. Besluit, op de vooravond van mijn levensherfst heb ik een ander lichaam dan in mijn jeugd. Mijn materiële ‘ik’ is vervreemd van het ‘ik’ dat ooit geboren werd, opgroeide, puberde, fuifde, zwoegde… Wie is mijn lichaams-ik? Dat van vandaag, van kort na mijn geboorte, van mijn 32ste verjaardag?

Het ‘ik’ is niet aan de materie gebonden, zal u zeggen, het wordt gevormd door de persoonlijkheid, het karakter, de kennis, het bewustzijn, dus het brein. Ziedaar de klassieke stelling. Het resultaat is dat wij altijd dezelfde persoon blijven, met dezelfde ‘ik’. Dit zou perfect kunnen overeenstemmen met het feit dat onze hersenen nog amper veranderen. Ware het niet dat die persoonlijkheid en dat bewustzijn niet verklaard kunnen worden door het hersenweefsel an sich. Een brokje lever kan werken als een lever, een koffiekop bloed heeft de eigenschappen van bloed, maar een klompje hersenen doet niets. De werking van de hersenen, zoals bewegingen bevelen, gevoelens maken, interesses kweken, bewustzijn creëren, komt tot stand door het extreem ingewikkeld ensemble van miljoenen neuronen verspreid over vele gebieden van de hersenen. Die neuronen geven signalen door aan elkaar in complexe circuits, verspreiden die signalen over meerdere cellen, brengen de output van vele neuronen weer samen in één cel, versterken hier een beetje, remmen daar wat af enzovoort. Zo ontstaat een samenspel dat we vandaag nog lang niet vatten, maar waarvan we wel weten dat het niet onveranderd blijft in de tijd.



Nee, de hersencircuits en de miljarden verbindingen tussen de neuronen veranderen voortdurend onder invloed van de omgeving. Telkens we iets leren, groot of klein, worden er nieuwe verbindingen gemaakt. En in de loop van ons leven leren we ontelbaar veel dingen, niet alleen de stelling van Pythagoras, maar ook dat de prijs van het volkorenbrood bij de bakker om de hoek vijf cent gestegen is. Ons brein is een onverzadigbare antenne van informatie en is voortdurend bezig met de integratie van al die gegevens in bestaande of nieuwe circuits. Als ons een brein een bibliotheek met duizenden soorten boeken zou zijn, is een leerproces een notering in de marge van een bladzijde van één boek. In de loop van ons leven worden er zoveel noteringen neergeschreven dat ze tot nieuwe boeken leiden, de bibliotheek breidt uit. Dus, ook al blijft het hersenweefsel goeddeels onveranderd in de loop van ons leven, de microscopische structuur op het niveau van de verbindingen tussen de cellen verandert even frequent als de afschilferende huid.

Al de neuronencircuits samen maken een onvatbaar geheel dat we onder de noemers bewustzijn, persoonlijkheid, karakter enzovoort onderbrengen. Sommigen spreken van een ziel. Als die duizenden circuits voortdurend wijzigen, houdt dat ook de verandering in van het geheel, van bewustzijn en dergelijke. Neem dit alles nu samen… ja dan kunnen we enkel besluiten dat ook het ‘ik’ dat steunt op persoonlijkheid en bewustzijn steeds verandert. Dagelijkse ervaringen, die in nieuwe neuronenverbindingen worden vastgelegd, sleutelen op microscopisch niveau aan mijn ‘ik’. En massa’s microscopische veranderingen samen geven uiteindelijk een verschuiving van het geheel. Als alle druppels van de zee veranderen, blijft de zee niet dezelfde. Idem met mijn brein, het verandert.

Is de verandering van ons brein moeilijk te aanvaarden? Voor velen onder ons misschien wel, maar toch zien we die veranderingen wel degelijk plaatsgrijpen, ook al beseffen we dat niet. We kunnen onze persoonlijkheid en bewustzijn zien verschuiven, maar iemand moet ons er attent op maken. Bij deze. Hoe ouder men wordt, hoe beter men de evolutie in het eigen brein vanuit een vogelperspectief kan waarnemen. Mijn interesses vandaag staan ver van deze van vijfendertig jaar geleden. Sommige interesses – in darwinisme bijvoorbeeld – zijn onveranderd gebleven, maar zijn toch bijgestuurd. Andere zijn grondig veranderd of gloednieuw. In mijn jeugdjaren moest niemand me over economische wetenschappen spreken, totaal oersaai en oninteressant. Vandaag probeer ik de literatuur hierover te ontwijken uit vrees opgeslorpt te worden in een boeiend domein dat al mijn energie zal verslinden. Nu heb ik andere voorkeuren voor kleuren, voedsel, kunst, humor, hobby’s, omgang met mensen, vakantie en ga maar door. Hoeveel mensen hebben op latere leeftijd nog dezelfde politieke of religieuze overtuiging als in hun roaring twenties or thirties? Aha, maar herinneringen, die blijven toch bestaan? Juist, maar ze worden elk jaar anders ingekleurd, met andere waarden en gevoelens. Het zijn souvenirs die worden geërfd van de voorgaande persoonlijkheden, maar telkens ietwat herschreven.

Conclusie van het geheel: ik ben vandaag een ander ‘ik’ dan enkele decennia geleden. Ik ben nu gewoon een ander mens, een ander persoon, een ander iemand dan in mijn jeugd, wel met dezelfde naam.

Stel nu dat stripverhalen gelijk hebben en er een machine zou bestaan om terug te gaan in de tijd. Stel dat ik met die machine naar mijn jonge jaren zou vliegen en mezelf zou ontmoeten. Ik zou de jongeman niet zeggen dat ik zijn latere en afbladderende maar toch ook wel wat wijzere ‘ik’ ben. Hij zou me wat rebels aankijken en misschien opmerken dat ik wat op zijn vader gelijk. De brave man zaliger mag het horen. Zou ik kunnen opschieten met die jonge kerel? Wat zou hij van die oudere man vinden? De kans is groot dat het wel zou klikken tussen ons. Maar ik zou oog in oog staan met een andere mens, een naamgenoot. Ik besta niet! Verschillende ikken bestaan of hebben bestaan.



Ik moet opletten met dit soort redeneringen. Ze houden immers in dat ik geen beroep meer kan doen op de diploma’s die ik heb behaald, want ze waren de verdienste van een ander. Alle examens zouden opnieuw moeten worden afgelegd. Ik ben ook al lang niet meer getrouwd met mijn vrouw, een ander huwde een andere vrouw dan degene die nu mijn ring draagt. We moeten opnieuw huwen. Ik ben ook geen vader meer, of grootvader, of broer… Ik profiteer gewoon van de merites van andere mannen die mij zijn voorgegaan, die in het verleden gewerkt hebben, examens afgelegd, een lief gezocht en ermee getrouwd, een kind gemaakt. Is mijn huis nog van mij? Waarom erf ik steeds dezelfde naam van mijn vorige ikken? Zou ik niet eens een andere naam mogen aannemen? Straks gaat iemand me nog vertellen dat dit reïncarnatie is. Dat elke ‘ik’ een wedergeboorte is van de vorige.

Eigenlijk wel een spannend verhaal, niet? Beseffen dat je geboren persoon gewoon niet meer bestaat. Maar er is een ontnuchtering, zoals bij een flauwe film waarin de lijn van het verhaal plots doorbroken wordt door een spelbederver, iets dat de spanning meteen naar de knoppen helpt. De spelbederver in mijn verhaal is toch gelijk gebleven, is vanaf de geboorte quasi onveranderd bleef: onze genetische grondslag, de genen. Buiten enkele mutaties die niets afdoen aan de essentie van ons genetisch patrimonium, dragen we nog dezelfde genen die we van moeder en vader hebben gekregen. Genen zijn in wezen niet meer noch minder dan informatiedragers. Ze zeggen hoe een kenmerk uit ons lichaam of gedrag zich kan ontwikkelen in een bepaalde omgeving. Ze schrijven dus ook voor dat weefsels moeten worden vervangen, dat het brein zich voortdurend moet herprogrammeren in functie van een veranderende omgeving. En als het versleten is, moet het lichaam worden weggegooid, weliswaar nadat het nieuwe lichamen – kindjes zeg maar – op de wereld heeft gezet die dan weer de informatie van de genen in stand houden en doorgeven.

Zetten we nog eens alles op een rijtje. Het lichaam met zijn uiterlijk en gedrag wordt voortdurend weggegooid. Het heeft enkel op korte termijn enig belang. De genen daarentegen zijn vooral geïnteresseerd in de lange termijn, hun ultieme doel (geen bewust doel natuurlijk!) is de informatie te blijven doorgeven in de tijd, generatie na generatie. En daarvoor wordt het lichaam als middel gebruikt, ons lijf is een mechanisme van de genen om hun boodschap te blijven verkondigen en verspreiden. Zoals papier kan gekopieerd worden als de drager van een idee, om dat idee te verspreiden. Het papier kan verbranden, de idee niet. Richard Dawkins had dit reeds gesteld in zijn meesterwerk The Selfish Gene. Lichamen zijn de voertuigen van onze genen, zegde hij en scoorde daar geen succes mee bij de goegemeente. Begrijpelijk, te moeten beseffen dat je alleen maar bestaat, werkt, liefhebt, en uiteindelijk sterft met als enig doel de informatie van een set genen in stand te houden… dat is pas een koude douche. Applaus kreeg hij niet, maar hij had wel gelijk. Wegwerplichaam en -brein in dienst van genetische informatie. Mijn spannende verhaal is verwaterd tot een ontnuchtering.

Verdomd vervelende gedachte. Dit soort gefilosofeer trekt op niets. Nooit zal ik nog in de zon zitten niksen. Het leidt niet tot goeie dingen. Aan de rand van een zwembad mag je niet beginnen mijmeren, gewoon zitten en kijken naar de vr… de mensen. En zwijgen.

www.ch-darwin.eu

 


Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Reacties


Voeg reactie toe
 authimage

Reacties

  1. Paul Adriaenssens de consistentie-illusie
    16.07.2010 | 11:21

    Een zekere meneer Siddh?rtha Gautama, beter bekend als de Boeddha, zat zesentwintig eeuwen geleden al in dezelfde zon.

  2. Mark Nelissen Antwoord aan P. Adriaenssens
    17.07.2010 | 11:21

    Is het niet leuk dat we vandaag ideeën kunnen terugvinden in ver vervlogen tijden, maar ze in een ander kader kunnen plaatsen? Ik denk dat Boeddha geen kennis had van genen en hun spel in de evolutie.

  3. Paul Jacobs help ik besta niet
    26.08.2010 | 14:59

    Men zou zich kunnen afvragen of de mens wel een vrije wil heeft.