SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Een unieke bewustzijnstoestand

05. Juni 2014, 09:55

Sommigen houden hypnose voor een toneeltruc. Ze associëren het met mensen die gênante dingen doen nadat ze in trance zijn gebracht door een hypnotiseur. Anderen zijn er huiverig voor, omdat ze menen dat je er de controle over jezelf zou door kwijtraken. In feite is de hypnotische trance een toestand van sterk gefocuste aandacht. Die gaat vaak gepaard met ontspanning. Het betreft een methode die in toenemende mate bruikbaar is voor psychologen en hersenwetenschappers. Gebleken is dat ze een waardevolle aanvulling is op psychotherapie. Hypnose levert nieuwe inzichten op in mentale processen en onverklaarbare neurologische aandoeningen. Ze wordt dus wel degelijk serieus genomen, hoewel ik u niet hoef te vertellen dat er een heleboel hypnotiseurs rondlopen die geen kaas hebben gegeten van wetenschap.

 

Wel is het nog niet zo heel lang geleden dat hypnose in een kwalijk daglicht kwam te staan. Zo waren er in de jaren negentig nogal wat therapeuten die meenden dat ze door middel van hypnose verdrongen herinneringen konden blootleggen bij hun patiënten. Bij mensen die gevoelig waren voor suggestie leidde dat tot valse herinneringen aan incest en zelfs misbruik tijdens satanische rituelen. Intussen weten we dat hypnose niet geschikt is om herinneringen terug te halen. Een van de redenen daarvoor is dat ons geheugen herinneringen niet vastlegt zoals data op een harde schijf.

 

De geschiedenis van de hypnose is op zijn minst bijzonder. Aanvankelijk was ze zeker geen randfenomeen. Ze is zelfs de moeder van de psychoanalyse genoemd. Het begon allemaal op het einde van de 18de eeuw in Parijs. Daar maakte de Weense arts Anton Mesmer furore door zijn patiënten in trance te brengen en zo hun kwalen te verlichten. Daarbij voerde hij strijkbewegingen uit over hun lichaam, waarbij hij gebruikmaakte van wat hij ‘dierlijk magnetisme’ noemde. Dat was volgens hem een magnetische kracht die menselijke wezens beïnvloedde. Het ‘mesmerisme’ werd een trend die zich snel door heel Europa verspreidde. Mesmers strijkbewegingen hadden invloed op symptomen die als ‘hysterisch’ werden beschouwd – fysieke klachten zonder fysieke oorzaak. Tussen 1875 en 1895 waren de toonaangevende psychologen en neurologen bijzonder geïnteresseerd in hypnose en experimenteerden ermee. Onder hen bevonden zich Jean Charcot, Sigmund Freud, Pierre Janet, William James en nog een aantal andere grote namen. In 1885-86 werkte Freud een jaar samen met Charcot in het Parijse Salpêtrière-ziekenhuis. Charcot hypnotiseerde zijn vrouwelijke patiënten tijdens druk bezochte publieke demonstraties. Freud was onder de indruk van het potentieel ervan voor de behandeling van neurosen. Later schakelde hij over op de techniek van de vrije associatie. Hypnose werd aangewend tijdens beide wereldoorlogen voor de behandeling van neurosen en de techniek versmolt met de psychiatrie. Sinds de jaren vijftig is de methode officieel erkend in de VS, het Verenigd Koninkrijk en door de paus.

 

In De illusie van de bewuste wil (Bert Bakker, 2010) wijdt psycholoog Daniel M. Wegner, hoogleraar aan Harvard, er een lezenswaardig hoofdstuk aan. ‘Hypnose en wil’ is de titel ervan. Wegner benadrukt dat de opwekking van hypnose in principe niet veel verschilt van andere pogingen tot directe sociale invloed. Hij vergelijkt het met een gastheer die je herhaaldelijk aanport om dat laatste schepje pudding te nemen, waarna je uiteindelijk zwicht. Je bent bezweken voor sociale druk. Op dezelfde wijze wordt  bij de moderne opwekking van hypnose herhaalde malen aan de persoon gevraagd om met de verzoeken in te stemmen. Opwekking van hypnose is een sociaal interactieproces, aldus Daniel Wegner, waarin de ene persoon invloed krijgt op de andere zonder dat de gevoelens van de ander erg onderdrukt zijn. Het basisproces volgt uit het simpele feit dat mensen instructies kunnen opvolgen die door een ander aan hen gegeven zijn. Dat gaat gepaard met wat Wegner ‘stapsgewijze instemming’ noemt.

 

Hersenwetenschap

In tegenstelling tot wat de folklore zegt, is hypnose geen vorm van slaap. Maar wat gebeurt er dan in ons hoofd als we onder hypnose worden gebracht? Lange tijd was dat een raadsel. Daar werpt de hersenwetenschap nu licht op en met behulp van beeldvormingstechnieken. Langzaamaan worden de stukjes van de puzzel in elkaar gelegd. Hypnose lijkt weliswaar op slapen, dromen en meditatie. Maar tijdens een trance verschilt de hersenactiviteit duidelijk van deze toestanden. Tijdens een hypnose worden sensorische en motorische hersengebieden actief, of gebieden die de aandacht en het geheugen sturen, naargelang de aard van de suggestie.

 

Zo kan de pijnervaring kan via suggestie worden gereguleerd. In de jaren 1960 al testte psycholoog Ernest Hilgard (Stanford University) de koudebeleving van proefpersonen onder hypnose. De mensen die te horen kregen dat ze ongevoelig waren voor pijn, konden hun handen ongeveer dubbel zo lang in ijskoud water ondergedompeld houden als de niet-gehypnotiseerde controlegroep. Zweedse neurofysiologen toonden daarbij aan dat een trance klaarblijkelijk ook onze reflexen onderdrukt die ons normaal voor pijnlijke prikkels doen terugdeinzen.

 

Het hele verhaal leest u in de nieuwe Psyche&Brein.

 



Geschreven in Psychologie | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een prachtig ongeluk

21. Juni 2013, 13:20

Intelligentie is van groot belang voor ons. In peilingen naar onze tevredenheid en geluk komt ze als tweede na een goede gezondheid uit de bus. Om de haverklap lezen we iets over een of ander onderzoek dat claimt erachter te zijn hoe wijzelf of onze kinderen slimmer kunnen worden. Intelligentie is naar alle waarschijnlijkheid de meest onderzochte psychologische eigenschap van de afgelopen honderd jaar. Toch weten we nog steeds niet precies waaruit intelligentie bestaat en hoe ze in elkaar zit. Wel weten we nu dat genen en omgeving op een complexe manier op elkaar inwerken, maar om welke genen het gaat is nog niet duidelijk. Het intelligentieonderzoek is dan ook controversieel. Om te beginnen is er de kwestie van erfelijkheid en intelligentie, waarover u meer leest in de nieuwe Psyche&Brein.


Maar hoe is de intelligentie, wat dat dan ook precies mag zijn, ontstaan? Moleculair hersenwetenschapper Seth Grant van Edinburgh heeft alvast een verrassend antwoord geformuleerd: het gaat om een genetisch ongeluk. De twee betreffende onderzoeken verschenen verleden jaar in Nature Neuroscience (paper 1 en 2). Grant en zijn collega’s identificeerden het tijdstip in de geschiedenis waarop de genen die ons in staat stellen om te denken en redeneren tot stand kwamen. 500 miljoen jaar geleden was dat. Voor het eerst achterhaalden ze hoe de mens – en andere zoogdieren – evolueerden zodat ze over intelligentie konden beschikken. De onderzoekers stellen dat een simpel ongewerveld wormpje in de zee een genetisch ongelukje had. Dat leidde ertoe dat er extra kopieën van de genen in kwestie werden gemaakt.

 


Fossiel van de zeeworm Pikaia van 550 miljoen jaar oud (Foto: Smithsonian-museum).


‘Dit  voorval bracht een soort cognitieve big bang voort en een grote verscheidenheid  qua interessant gedrag’, aldus Seth Grant op de website LiveScience. ‘Het leidde tot een moleculaire gereedschapskist, die in de hersenen veel, héél veel meer eiwitten produceerde die je aantreft in de synapsen – de verbindingen tussen de zenuwcellen.’


De nakomelingen van het diertje deden hun voordeel met het ongeluk, wat weer leidde tot gedragsmatig verfijnde gewervelde dieren, waaronder de mens. Daarmee werden we voorzien van de mogelijkheid om complexe vaardigheden aan te leren, situaties te analyseren en flexibele te zijn in ons denken.


Het team bestudeerde de mentale vaardigheden van muizen en mensen met visuele tests. Daarbij werden vergelijkende taken gebruikt die te maken hadden met het identificeren van voorwerpen op touchscreen-computers. Vervolgens combineerden de onderzoekers die gedragstesten met informatie over de genetische codes van verschillende soorten om uit te zoeken wanneer verschillend gedrag tot stand kwam. Zo ontdekten ze dat de hogere mentale functies, zoals denken en geheugen, bij muizen en mensen door dezelfde genen worden gecontroleerd. Er werd dus aangetoond dat de intelligentie in mensen een gevolg is van een toename van het aantal hersengenen bij onze evolutionaire voorouders.


Ook liet de studie zien dat wanneer deze genen muteerden of werden beschadigd, ze de hogere mentale functies beschadigden. En ze toonde last but not least aan dat de prijs die we betalen voor een hogere intelligentie en complexer gedrag bestaat in meer geestesziekte. Er bestaat met andere woorden een directe link tussen de evolutie van het gedrag en de oorzaak van aandoeningen van de hersenen. Tevoren hadden de onderzoekers al aangetoond dat méér dan 100 daarvan worden veroorzaakt door genetische mutaties.


Of hoe genialiteit en gekte twee kanten zijn van hetzelfde, vanuit een nieuw perspectief bekeken. En het herinnert ons er weer aan hoe we van beestjes in de zee, via vele stappen, zoals onze verste voorouders die ontdekten hoe ze voorwerpen konden aanwenden als werktuigen, zijn geworden tot wie we nu zijn. De genetica is niet zaligmakend, dat hoor je nu steeds vaker, en terecht. Maar ook als later mocht blijken dat dit ‘prachtige ongeluk’ niet hét verhaal is, of niet het hele, dan nog blijft dit een van de mooie verhalen.



Geschreven in Hersenwetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De terugkeer van Sigmund Freud

18. Februari 2013, 15:20

Kwatongen beweren dat Sigmund Freud de neurologie liet voor wat ze was, toen er zich in zijn praktijk steeds meer dames met seksuele problemen begonnen aan te dienen. Hoe dan ook, de neurologie heeft Freud (her)ontdekt.

freudZoals bekend heeft de psychoanalyse het al een tijdlang hard te verduren. Ze wordt als pseudowetenschap afgedaan en haar beoefenaars verketterd als charlatans. Aan de andere kant hebben psychoanalytici in de ruim 100 jaar die intussen zijn verstreken, geen enkel lab uit de grond gestampt. Ze zijn niet te bespeuren op wetenschappelijke congressen, laten hun verhandelingen niet in de geijkte wetenschappelijke bladen verschijnen en zijn buitenstaanders voor de wetenschappelijke wereld.

Dat betekent niet dat hun hypotheses nooit zijn getest, maar sommige ervan kun je helemaal niet testen. En op de meest testbare ervan valt een en ander af te dingen. Denk aan het Oedipuscomplex of de seksuele inhoud van dromen. Over de therapeutische doeltreffendheid kun je niets zeggen, want psychoanalytici doen niet aan dubbelblinde klinische studies en dus ook niet aan follow-upstudies. Dat is tenminste wat de tegenstanders beweren.

De voorstanders ontbreekt het evenmin aan munitie, maar hun stemmen klinken minder luid. Ten eerste heeft de psychoanalyse onze kijk op wie wij zijn ingrijpend veranderd, dat is een moeilijk te weerleggen argument. Ze richt zich op thema’s die niet makkelijk meetbaar zijn, maar dat betekent niet dat ze geen oplossingen biedt. Voorts is de psychoanalyse enorm geëvolueerd sinds de dagen van Freud en heeft ze onderzoek van betekenis voortgebracht. Daar zijn wel degelijk controlegroepen en peer-reviewed publicaties aan te pas gekomen. Heel wat ideeën die oorspronkelijk uit de psychoanalyse komen, worden intussen alom geaccepteerd. Denk aan de bepalende invloed van de relaties uit kinderjaren op de volwassen persoonlijkheid. En het basale idee van een dynamisch onbewuste dat onze bewuste ervaringen en relaties met andere mensen vormgeeft heeft geleid tot een toenadering met andere disciplines zoals de neurowetenschap.

Wordt het toch dan nog iets tussen die onverenigbare twee? Wat hebben ze gemeen? Een kleine tien jaar geleden gewaagde neuropsycholoog Mark Solms in Scientific American al van een terugkeer van Freud. Solms stelt dat de ruwe schets die Freuds van de menselijk geest maakte – met het ‘Es’, het ‘Ik’ en het of ‘Boven-ik’ – een markante overeenkomst vertoont met de hersenstructuur volgens de neurologen. Ook wordt het steeds duidelijker dat een groot deel van onze bewuste handelingen onbewuste motieven heeft. Patiënten die zich gebeurtenissen niet bewust kunnen herinneren als gevolg van schade aan de structuren die herinneringen coderen, blijken niettemin beïnvloed door ‘vergeten’ voorvallen.

Meer dan een eeuw nadat Sigmund Freud zijn beroemde praatkuur uitvond, wordt haar effectiviteit nu door hersenonderzoekers bevestigd. De Weense psychiater zou in zijn vuistje lachen, want hij was degene die oorspronkelijk een model van de menselijke psyche wilde ontwikkelen dat een biologische basis bezat. Alleen stonden de methodes van het moderne hersenonderzoek niet tot zijn beschikking.

Wetenschappers hebben zojuist het therapeutisch effect van psychoanalyse in het brein onderzocht. Twintig depressieve patiënten die aan de criteria van een chronische depressie beantwoordden, begonnen bij ervaren psychoanalytici met een behandeling van twee tot vier uur per week. Na vijftien maanden hadden de betrokkenen gemiddeld 129 sessies voltooid. Alles bij elkaar duurde de therapie twee tot vier jaar, afhankelijk van de diagnose. In de controlegroep zaten twintig mensen die qua leeftijd, geslacht en opleiding met de patiënten overeenstemden. Elf mensen leden aan terugkerende episodes van een zware depressie. De neuronale situatie en de veranderingen werden in beeld gebracht met fMRI (functional magnetic resonance imaging) en met een EEG (elektro-encefalogram). Dat gebeurde bij het begin van de behandeling, dan opnieuw na zeven of acht maand en ten slotte nog eens na vijftien maand. Het onderzoek, de Hanse-neuropsychoanalysestudie, wees uit dat de aanvankelijk overgevoelige emotiecentra van depressieve patiënten na maanden behandeling minder prikkelbaar werden.

Komt de droom van de grondlegger van de psychoanalyse eindelijk uit? We zijn er nog niet helemaal, maar er is al een veelbelovende aanzet, aldus de wetenschappers van de Hanse-studie. De International Neuropsychoanalysis Society telt intussen een keur van wetenschappers als Antonio Damasio, Eric Kandel en Vilayanur Ramachandran onder haar leden. Freud is helemaal terug en het heeft er alle schijn van dat hij een blijvertje is.


Geschreven in Psychologie | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Mood-food

06. Augustus 2012, 13:59

Onze voeding heeft invloed op onze stemming en ons gedrag. Ze kan zelfs de cognitieve achteruitgang die samengaat met het ouder worden, vertragen.

De mens is zo’n slim dier omdat hij zo’n groot brein bezit. Dat is ons gulzigste orgaan, maar het is wel kieskeurig als het op voedsel aankomt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat wat we eten invloed heeft op hoe we denken. Of dat wil zeggen dat we een genie worden van voedingssupplementen en diëten die het brein heten op te krikken? Niet direct, maar weten wat we eten kan alleen maar gezond zijn. Over voeding is het laatste woord in ieder geval nog niet gezegd, zeker niet als het om de geestelijke gezondheid gaat. Herinnert u zich nog dat ging nog niet zo lang geleden over cafeïneverslaving werd gesproken? Inmiddels wordt het kopje troost in verband gebracht met de preventie van alzheimer. En wijn? Onlangs bleek uit gegevens van 1600 zwangere vrouwen dat licht tot matig drinken tijdens het eerste trimester geen risico’s inhoudt voor de geestelijke ontwikkeling van de baby. Het zou geen invloed hebben op de aandacht en de intelligentie van het kindje. In de betroffen Deense studie werd naar hun inmiddels vijf jaar oude kinderen gekeken.



Meer omega-3, minder agressie
Verscheidene voedingsmiddelen bevatten stoffen die onze intellectuele vermogen zouden verbeteren. De bekendste zijn de omega-3-vetzuren, aanwezig in vette vis, walnoten en groene bladgroenten en steeds vaker toegevoegd aan bewerkt voedsel als brood en yoghurt. Jarenlang golden ze als breinvoedsel bij uitstek. De recenste studies duiden er echter op dat ze weinig of niets uithalen als het gaat om het verbeteren van onze intellectuele vermogens.

Een studie uit 2010 waaraan 200 gedetineerden uit acht Nederlandse gevangenissen deelnamen bewijst dan weer dat omega-3’s de agressie laten afnemen. Tijdens een periode van één tot drie maanden kregen de gedetineerden capsules bij hun gebruikelijke verzorging. Het ging ofwel om een mix van vitaminen, mineralen en omega-3-vetzuren, ofwel om een placebo. In de groep met de extra voedingsstoffen bleek agressief gedrag dan duidelijk minder vaak voor te komen. Het onderzoeksteam van psycholoog Ap Zaalberg stelde minder ongeregeldheden en gewelddadigheden vast, ook al wisten de gedetineerden, noch het gevangenispersoneel wie welke capsules had gekregen.

Met bessen geen oud besje?
Toch blijft de droom van een dieet dat het brein opkrikt springlevend. Recentelijk gaat de aandacht ook uit naar de flavonoïden, die je aantreft blauwe bosbessen, zwarte bessen, cacao groene thee, granen en rode wijn. Zo heeft Jeremy Spencer van de Universiteit van Reading in het Verenigd Koninkrijk in het effect ervan bestudeerd op ratten. Spencer en zijn team ontdekten dat deze stoffende leeftijdsgerelateerde achteruitgang van het geheugen ongedaan kunnen maken. De diertjes kregen dagelijks tussen de 120 en 150 gram bosbessen te eten. Hun geheugen begon er na drie weken op vooruit te gaan. De verbetering hield in dat de oudere ratten even goed presteerden als de jonge. Dat werd getest door de knaagdieren in een doolhof te plaatsen waar zich op het eind van de zoektocht lekkers bevond. Hun snelheid en precisie bij het vinden ervan werden gemeten.

Flavonoïden genoten al langer de reputatie dat ze fungeerden als antioxydanten die opgelopen schade aan het DNA herstelden. De bosbessenstudie toont echter aan dat deze stoffen en de zenuwcellen waarschijnlijk direct op elkaar inwerken. De wetenschappers menen dat flavonoïden de communicatie tussen de cellen verbetert en dat ze zenuwen die elektrische signalen naar de hersenen sturen stimuleren tot regeneratie.

Zowel flavonoïden als omega-3 zijn goed voor het geheugen en de hersenen. Maar waarom maakt DHA, een omega-3-vetzuur aanwezig in vis, het geheugen nu juist scherper? Daar kwamen Yves Sauve en zijn team van de Universiteit van Alberta (Canada) zojuist achter. Ook zij werkten met een diermodel. Ze hebben ontdekt dat de geheugencellen in de hippocampus beter met elkaar communiceren en vlotter berichten doorseinen als in dat gebied de DNA-niveaus hoog zijn. Dat verklaart waarom het geheugen verbetert op een dieet dat veel DHA bevat. Een dieet aangevuld met DHA, stelt Sauve, zorgt ervoor dat er extra omega-3-vetzuren worden opgeslagen in het brein. Meer vis eten of DHA-supplementen nemen kan voorkomen dat de cognitieve achteruitgang ten gevolge van het ouder worden sneller gaat.

Vanzelfsprekend moet nog een en ander nader worden onderzocht en zelfs af en toe met een korreltje zout worden genomen, maar de lessen zijn alvast duidelijk. Iedereen toch maar aan de vette vis, zou ik zeggen.


Geschreven in Algemeen | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Breivik: mad or bad – of beide?

22. Juni 2012, 13:51

Gisteren werd bekend dat de aanklagers Anders Breivik ontoerekeningsvatbaar achten. Dat is een belangrijke indicator voor de uitspraak. Wat moet een mens daar nu van denken?



Anders Breivik wordt berecht voor de moord op 77 mensen die hij bijna een jaar geleden beging in Oslo en op een vakantiekamp van socialistische jongeren. De Noorse openbare aanklagers achten hem ontoerekeningsvatbaar. Daarmee wordt hij van verantwoordelijkheid ontheven voor de aanslagen in de Noorse hoofdstad en op het eiland Utoya op 22 juli 2011, die hij naar eigen zeggen uitvoerde om zijn land te redden van het multiculturalisme. De uitspraak in het proces wordt verwacht voor juli of augustus.

Is de Noorse massamoordenaar gek of niet? Twee teams van psychiaters kwamen er niet uit. Het eerste team kwam tot de conclusie dat Breivik aan paranoïde schizofrenie lijdt, wat een gevangenisstraf zou uitsluiten. Een ander team stelde dat er geen sprake was van waanzin, maar dat hij wel een persoonlijkheidsstoornis had.

Er is twijfel gerezen als gevolg van de tegenstrijdige verklaringen van de experts. ‘We zijn er niet van overtuigd noch zeker van dat Breivik waanzinnig is in de gerechtelijke betekenis, maar we twijfelen’, zei Svein Holden, een van de aanklagers. Holdens twee collega’s vragen daarom om (gedwongen) psychiatrische zorg, niet om een gevangenisstraf. Toch bestaat geen twijfel over de schuld van de extreem-rechtse terrorist.

Wat is waanzin?

Verleden week had ik een interview met psychoanalyticus en schrijver Darian Leader over zijn nieuwe boek Wat is waanzin? (De Bezige Bij, 2012). Daarin heeft hij het uitgebreid over psychoselijders bij wie het op een gegeven moment tot een gewelddadige uitbarsting komt. Leader bracht Anders Breivik toen zelf ter sprake.?


Maar laten we het eerst hebben over wat de Britse psychiater ‘stille waanzin’ noemt, een begrip dat geen simplistische verklaring biedt, maar wel een ruimere context. In het boek neemt het idee een centrale plaats in. Het is overigens afkomstig uit een oudere traditie in de psychiatrie, waarmee in de huidige classificaties geen rekening wordt gehouden. Onterecht, misschien.

Stille waanzin is een psychose die niet wordt opgemerkt door de medische wereld of de psychiatrie, stelt Darian Leader. In Wat is waanzin? gaat hij in op Harold Shipman, de beruchte ‘Doctor Death’, die in de periode 1975-1998 meer dan tweehonderd patiënten ombracht, en schrijft hij over hoofdonderwijzer Ernest Wagner, die op een specifiek moment aan het moorden ging. Het tweede geval dateert van begin de vorige eeuw en vertoont volgens de auteur opvallende overeenkomsten met de Breivik-case.

Ernest Wagner was een zeer gerespecteerd man, ontwikkeld en intelligent. Hij leidde een geregeld leven, had nooit medische of psychiatrische aandacht getrokken. Maar op de avond van 4 september 1913 sneed hij in alle rust de halsslagader van zijn vrouw en vier kinderen door. Vervolgens reisde hij van Stuttgart naar het plaatsje Mülhausen. Daar schoot hij, na eerst een aantal huizen in brand te hebben gestoken, op alle mannen die eruit vluchtten. Met de vuurwapens die hij aan zijn handen had vastgebonden doodde hij negen van hen en verwondde hij er twaalf.

‘Bij beiden (Wagner en Breivik) kwam het op een bepaald moment tot een uitbarsting van geweld’, stipt Leader aan als ik hem opzoek in Noord-Londen. ‘Wagner hield voordien gedurende twintig jaar een dagboek bij en Breivik las jarenlang stapels documentatie en schreef ook zelf. Hun geschriften laten zien dat ze tijdens die periode duidelijk waanideeën hadden, maar ze leidden niettemin een rustig bestaan.’

‘De vraag die je moet stellen is: zijn hun gewelddadige handelingen de vorm die hun psychose aannam, of gaat het om wat er gebeurde als het evenwicht dat ze voor hun psychose hadden gevonden niet langer functioneerde? In mijn boek probeer ik de associatie tussen psychose en geweld af te zwakken. Het is een ongelukkige zaak dat de discussie zich focust op Breivik, in plaats van op de vele gewone mensen die nooit tot geweld overgaan.’

Paranoia
Paranoia wordt anno nu niet langer beschouwd als een algemene categorie in de psychiatrie. De aandoening die ‘paranoïde persoonlijkheidstoornis’ wordt genoemd, zou overigens verdwijnen uit de nieuwe uitgave van het meest invloedrijke handboek, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders of kortweg DSM. Een geval als Anders Breivik, en het feit dat men het daar bovendien niet over eens kan worden, roept wel vragen op. 

‘Iedereen kan het idee hebben dat mensen tegen hem samenspannen, maar niet
voor iedereen is dat een zekerheid’, licht Leader toe als we over het thema psychose praten. ‘Sommigen hebben wel het idee dat dit zo is, maar weten het toch niet zeker. Er is dus een subtiel verschil. Uit de dialoog met de betrokkene zal naar voren komen of dat idee gevestigd is in zekerheid of niet.’

‘In het boek lever ik kritiek op de populaire opvatting dat een waan een valse overtuiging is. Het is niet de inhoud van de overtuiging die vals is, maar de relatie die je ermee hebt. Mensen op kantoor kunnen al dan niet over je roddelen, maar je kunt er een waanidee van maken als je daar zeker van bent. Je bent ervan overtuigd dat mensen het op je gemunt hebben en dat worden er almaar meer. Misschien is er een complot tegen je. Daar kun je dan een heel geloofssysteem omheen bouwen. Dat is de paranoïde versie; in de neurotische versie denk je dat ze over je praten en lijd je daar misschien onder, maar het zal nooit een systeem worden dat alles verklaart.’

Een systeem zoals het 1500 pagina’s tellende manifest van Anders Behring Breivik, bijvoorbeeld. Het kan geen twijfel lijden dat men moeten kijken naar wat bij zo iemand de stoppen doet doorslaan, wat het evenwicht verstoort dat ze volgens Leader voor zichzelf handhaven door hun psychose – voor onze eigen veiligheid. En dat kan, denk ik, alleen door geval per geval te bestuderen. Of dat ook tot een soort van preventie zou kunnen leiden weet ik niet. Ik betwijfel of deskundigen het weten.

Als je niet alle jongeren gedwongen wilt onderzoeken, onder de hersenscanner of anderszins, zal er iets moeten gebeuren op educatief gebied. Voorts zul je de menselijke geest nooit kunnen lezen als een boek met natuurkundige formules, hoeveel de wetenschap ook te weten komt. En laten we vooral niet vergeten dat het leeuwendeel van mensen met een psychose nooit tot geweld overgaat, en er zelfs meer dan anderen het slachtoffer van is.


Geschreven in Psychologie | 4 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Stress en je immuunsysteem

08. Juni 2012, 11:31

Iedereen kent dit maar al te goed: irritatie, arbeidsdruk en andere stressoren werken op het gemoed – en het lichaam. Problemen liggen op de maag en zijn aanleiding tot verkoudheden. Je kunt er ook hoofdpijn van krijgen en ze kunnen nog meer vervelende fysieke verschijnselen veroorzaken. Kortom, sores plegen een aanslag op het immuunsysteem.



Bovendien ligt het soms ingewikkelder dan je zou denken. Zo menen we dat sporten ons behoedt voor allerlei kwalen. En dat klopt, want zelfs korte trainingen geven onze afweer een tijdelijke opkikker. Als het hart pompt, maken afweercellen zich los van de aderwanden waar ze aan plakken, en belanden zo in de bloedcirculatie waar ze hun werk kunnen doen. Wanneer je traint, komen er dubbel zoveel van die cellen in het bloed, waardoor je beter gewapend bent tegen ziekteverwekkers. Toch heeft heel veel sporten een averechts effect. Zo hebben atleten meer last van verkoudheden en andere infecties dan wie wekelijks tussen de 3 en 6 uur sport. Dat komt doordat veel sporten weer hetzelfde effect heeft als stress, waardoor de werking van de afweercellen wordt onderdrukt. Weinig maar wel vaak trainen is de boodschap.

Op dit moment staat vitamine D – goed voor botten en weerstand – in de kijker. Nadat gebleken was dat wij er te weinig van binnenkrijgen, verdrievoudigde het gebruik van de supplementen in België in drie jaar tijd. Heel wat aandoeningen worden veroorzaakt door het feit dat de afweercellen het lichaam zelf aanvallen. Dat geldt voor onder andere Type 1-diabetes en reumatoïde artritis. Vitamine D zorgt ervoor dat het afweersysteem niet op hol slaat. Angst voor huidkanker heeft ertoe geleid dat veel mensen uit de zon blijven, maar vitamine D beschermt ons juist tegen borst-, prostaat- en darmkanker. Een Amerikaanse onderzoeksgroep berekende dat er in de VS wellicht viermaal zoveel mensen sterven aan inwendige kankers veroorzaakt door te weinig zon dan als gevolg van huidkanker. Hoeveel zonlicht is dan gezond? Wetenschappers van de Universiteit van Boston adviseren je handen, armen en gezicht twee tot drie keer per week aan de zon bloot te stellen gedurende een kwartier van de tijd dat het normaliter zou duren alvorens die rood worden van de zon.

Sociaal netwerk

In stressvolle periodes raakt ons immuunsysteem van slag. Dat maakt ons vatbaarder voor infecties en allergieën. Vooral het imuunsysteem van kinderen reageert erg gevoelig op psychische belasting. Maar er is ook goed nieuws: optimisme en een goede gemoedstemming kunnen onze afweer versterken en ons op lange termijn beschermen tegen ziekte. En dat is het thema van het dossier in het nieuwe nummer (nr. 3, 2012) van Psyche & Brein ('Psyche en weerstand', pag. 6–19).

Maar waar haal je een goed humeur? Een positieve stemming ontstaat vooral in de vriendenkring of tijdens een gezellig samenzijn met je partner. ‘Sociale relaties zijn veel belangrijker voor onze gezondheid dan bijvoorbeeld onze voeding’, zegt hoogleraar psychosomatiek Peter Henningsen van de Technische Universität München. Zo verminderen kussen en andere tedere uitwisselingen de lichamelijke gevolgen van stress op het werk, ontdekte psychologe Beate Ditzen (Universität Zürich) in 2008. Hoe vaker een stel zulke intimiteiten uitwisselt, hoe lager de concentratie stresshormonen in hun speeksel. Hoewel stress op het werk normaal de cortisolspiegel doet stijgen, blijft die bij geregeld knuffelende koppels op een laag peil.

vrienden

Eenzaamheid doet de immuunreactie afnemen, bleek in 2005 uit een studie van medisch psychologe Sarah Pressman van de Amerikaanse Carnegie Mellon-universiteit. Eerstejaars die minder sociale contacten hadden of zich eenzaam voelden, vertoonden een geringere immuunreactie op een griepinenting dan hun sociabeler en vrolijker medestudenten. De studenten die zich het eenzaamst voelden, vertoonden een 16 procent zwakkere immuunreactie. Degenen met de kleinste sociale netwerken (die sociale omgang hadden met 4 tot 12 mensen in twee weken tijd) vertoonden een 11 procent zwakkere reactie dan studenten met netwerken van meer dan 20 personen.

Verrassend was dat de factoren ‘kleine sociale netwerken’ en ‘eenzaamheid’ daarbij los bleken te staan van elkaar. Dat zou volgens Pressman komen doordat je sociale netwerken objectief kunt meten, terwijl eenzaamheid alles te maken heeft met persoonlijke beleving.

Lezen voor je afweer
Al in de jaren ’70 van de vorige eeuw ontdekten onderzoekers dat je het immuunsysteem kunt conditioneren. Ook het effect van bepaalde psychologische en psychotherapeutische interventies op afzonderlijke componenten van het immuunsysteem is grondig bestudeerd. Zo toonde het team van Richard Davidson van de University of Wisconsin, Madison aan dat het lichaam na een griepinenting meer antilichamen produceert, als je je acht weken voor de vaccinatie oefent in aandachtsmeditatie. Zogenaamde expressief schrijven zou een soortgelijk effect hebben. Dat bleek voor het eerst uit een inmiddels klassieke studie van Pennebaker, Kiecolt-Glaser en Glaser (1988). Daarbij werd 50 studenten opgedragen gedurende vier dagen op rij te schrijven over ofwel hun traumatische ervaringen of oppervlakkige onderwerpen. Zes weken later bleek dat de deelnemers uit de traumagroep een beter humeur en minder ziekteklachten hadden dan degenen die over alledaagse dingen hadden geschreven. Ook sommige vormen van klinische hypnose lijken het immuunsysteem positief te beïnvloeden.

Ons leven lijkt in toenemende mate te worden beheerst door stress en hectiek. Het is dan ook geruststellend dat we steeds meer te weten komen over de wisselwerking tussen onze emotie en ons denken aan de ene kant en ons zenuw- en immuunstelsel aan de andere. Daar is zelfs een nieuw onderzoeksgebied voor: de psychoneuro-immunologie. Ook meer daarover in de nieuwe Psyche&Brein.


Geschreven in Psychologie | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een bijzondere comeback

11. April 2012, 11:34

Het reukcentrum in de hersenen is nauw verbonden met het limbische systeem, dat betrokken is bij emoties, angst en geheugen. Toch gold de reukzin lange tijd als het zwakke kleine broertje van het gezichtsvermogen en het gehoor.

De wereld om ons heen is reukloos. Of beter gezegd: alles rondom ons ruikt zoetig, als gevolg van de schoonmaakproducten, wasmiddelen en al het andere geparfumeerde spul waarmee we onze omgeving vullen. Verder vinden we de geur van koffie, versgebakken brood en de natuur (meestal) lekker. De meerderheid van de menselijke geuren geldt dan weer als weerzinwekkend. Zijn geuren misschien te direct? Toch is de reukzin nodig, blijkt onder meer uit onderzoek dat aantoonde dat depressieve mensen minder goed ruiken. Defecten aan het reukvermogen kunnen er zelfs toe leiden dat iemand zich terugtrekt en sociale contacten gaat mijden, wat we wel eens zien bij mensen met schizofrenie. De reukzin is een bij uitstek sociaal zintuig, hoewel we het veelal onbewust gebruiken. Die bepaalt of we iemand sympathiek vinden of niet en zelfs of we iemand als dan niet seksueel aantrekkelijk vinden.

10.000 geuren

Lange tijd stond onze reukzin in de schaduw van de als veel belangrijker beschouwde zintuigen gezichtsvermogen en gehoor. Dat is niet zo verwonderlijk, want onze reukzin ging er flink op achteruit toen we in een ver verleden rechtop begonnen te lopen. Deze opvatting sluit op het eerste gezicht aan bij recent genetisch onderzoek. Het toonde aan dat  het leeuwendeel van de zoogdieren genen heeft die coderen voor ongeveer 1000 verschillende types reukreceptoren. De meeste ervan komen niet tot expressie bij mensen, waardoor onze neus slechts met 400 reukreceptoren is toegerust. Toch kan een mens minstens 10.000 verschillende geuren ruiken.

Beeldvormingtechnieken laten dan ook een ander plaatje zien. Zo blijkt dat er meer plaats is toebedeeld in het brein aan het verwerken van geuren dan  werd aangenomen op basis van de anatomie. Charles Greer van Yale University heeft aangetoond dat onze neus en ons brein buitengewoon goed met elkaar verbonden zijn. Elke groep receptoren is gelinkt met veel meer neuronale gebieden dan bij andere dieren. Daardoor zouden we in staat moeten zijn om een hoop binnenkomende geuren te detecteren. En inderdaad blijkt dat we enkele druppels van extreem sterk ruikende stoffen kunnen ruiken in een zwembad met Olympische afmetingen.


Bovendien is aangetoond dat het reukcentrum in de hersenen nauw verbonden is met het limbisch systeem, dat betrokken is bij de emoties, angst en het geheugen. Dat geuren onze stemming kunnen beïnvloeden kwam vorig jaar naar voren uit een internationaal opgemerkte studie van Hendrik Schifferstein van de TUDelft. Hij leidde een team van onderzoekers die probeerden de ervaringen van clubbezoekers ermee te veranderen. Daarvoor maakten ze gebruik van drie geuren: ontspannende sinaasappel, stimulerende pepermunt en neutraal zeewater. Het experiment vond plaats in drie studentensteden. Toen de geuren op de twintigers werden losgelaten, dansten ze meer, feestten ze harder en meldden dat ze meer genoten van hun avondje uit dan wanneer dat niet het geval was. Ze waren ook vrolijker en meenden zelfs dat de muziek beter was.


Depressie daarentegen stompt de reukzin af. Het deel van de hersenen verantwoordelijk voor de geurzin is kleiner als je depressief bent. Dat  kan verklaren waarom diverse psychische aandoeningen dat zintuig onderdrukken. Depressie, schizofrenie en seasonal affective disorder (SAD) doen dat alle drie. Om uit te zoeken waarom dat het geval is, stelden onderzoekers uit Dresden 21 zwaar depressieve mensen en 21 niet depressieve deelnemers bloot aan een licht geurende chemische stof. Daarbij werd de concentratie gestaag opgevoerd totdat de vrijwilligers die konden ruiken. Met magnetische resonantie-beeldvorming werd het deel van hun brein gemeten dat ons onze reukzin geeft – de zogenoemde reukkolf waaruit de reukzenuwen ontspringen. De niet depressieve testpersonen konden de geur op een significant lager niveau ruiken dan de depressieve. Laatstgenoemden hadden een reukkolf die wel 15 procent kleiner was. Een en ander heeft waarschijnlijk te maken met de neurogenese – de groei van nieuwe zenuwcellen in de hersenen.


Le temps perdu

‘Hij doopte een madeleinekoekje in de bloesemthee, proefde en rook, en als bij toverslag trokken alle beelden uit zijn jeugd aan zijn geestesoog voorbij.’ Wie kent de beroemde ‘madeleine-scène’ uit Prousts A la recherche du temps perdu niet? Of beter gezegd: wie kent deze beroemde anekdote niet? Geuren zijn erg goed in het oproepen van herinneringen, maar het is wel een mythe dat ze meer gedetailleerde herinneringen triggeren dan andere stimuli. ‘De herinnering is niet accurater en je herinnert je niet méér details,’ aldus de Israëlische wetenschapper Yaara Yeshurun, ‘maar die herinnering is uniek omdat ze meer emotioneel geladen is.’ Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat bepaalde hersengebieden gespecialiseerd zijn in emotie én de waarneming van geuren. Ook bestaat er een sterk verband tussen emotie en herinnering. Voorts is de link tussen een herinnering en een geur sterker als die laatste onaangenaam is.

En er is nog iets bijzonders – de allereerste keer dat we iets ruiken en een geur met iets associëren, brengt dat een heel sterke reactie teweeg in het brein. Zo wordt die herinnering veel sterker vastgelegd. En dat gebeurt niet als het gaat om het gehoor en het zicht.


Geschreven in Hersenwetenschap | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Indignados zijn gezond

26. Oktober 2011, 09:28

Je niet verzetten tegen een mondiale dreiging houdt risico’s in voor je mentale gezondheid op langere termijn. Indignado zijn of Wall Street bezetten is goed voor je.

U, ik, wij allemaal leven in land waar verontwaardiging geen goed imago heeft. Groot ongenoegen wordt vaak niet geuit, en gauw onder het kleed gevaagd. Misschien is een sprankel verandering op til nadat de indignados laatst België aandeden. Maar nadat ze vernielingen aanrichtten in de Brusselse hogeschool, werd het hier te lande stil rond ze. De schijnwerpers werden vervolgens weer gericht op de onze locale versie van hetgeen waar deze mensen nu juist tegen protesteren: de Dexia-affaire.



Intussen verspreidde de Amerikaanse variant van het protest, Occupy-beweging, zich over de hele Verenigde Staten en een groot deel van de rest van de wereld. Maar op vele fronten rommelde er al iets. Zo was er begin dit jaar het immense succes van het pamflet Indignez-vous! van de 93-jarige Franse oud-verzetsstrijder, VN-ambassadeur en filosoof Stéphane Hessel (Ned. vertaling: Neem het niet!, Uitg. Van Gennep). Hessel zegt dat het verontwaardiging was die hem destijds bewoog, en dat verontwaardiging ons menselijk maakt. In zijn kleine, rode boekje roept hij op tot verzet tegen de macht van geld en markten en de verdediging van de sociale ‘waarden van de moderne democratie’. Hoe dat concreet moet worden aangepakt, staat er niet in. Toch appelleert het pamflet aan emoties die al bij velen broedden.


Stéphane Hessel


Opmerkelijk onderzoek

Verontwaardiging is niet langer een vies woord. Het wereldwijde protest duidt op een diepe behoefte om te reageren en niet langer lijdzaam te ondergaan. Volgens psychologisch onderzoek is dat heel gezond. Dit jaar werd een grootschalige studie afgerond die twee decennia bestrijkt. Aanvankelijk was de geestelijke gezondheid van Duitse jongeren in 1985 het onderwerp van het onderzoek. Die waren op dat moment gemiddeld 14 jaar oud. De sociaal psychologen Klaus Boehnke en Becky Wong volgden naast andere jongeren ook vredesactivisten die zich geëngageerd hadden in de antinucleaire beweging. De regering vatte destijds het plan op om ruim honderd langeafstandraketten op West-Duitse bodem te laten stationeren.

De onderzoekers evalueerden de mate van psychisch welzijn van de jongeren, evenals hun angstgerelateerde problemen en psychosomatisch klachten. Dat deden telkens opnieuw om de drie jaar, tot in 2006. Inmiddels is hun studie afgerond, en concludeert dat het zich niet verzetten tegen een mondiale dreiging risico’s inhoudt voor de mentale gezondheid op langere termijn. Van twee jongeren die menen dat de nucleaire dreiging is toegenomen in 1985 kent degene die zich heeft aangesloten bij de protestbeweging 20 jaar later minder psychische problemen dan degene die zich niet heeft geuit.

20 jaar later
Activisme an sich zou geen therapie zijn, wel een teken van een goede geestelijke gezondheid. En geen actie ondernemen tegenover een mondiale bedreiging  zou angstwekkend zijn, omdat het duidt op een onvermogen om met de moeilijkheden van het dagelijks bestaan om te gaan. De jongeren die in 1985 niet in het geweer waren gekomen, meldden dat ze moeite hadden om hun angst in daden om te zetten, en dat dit een ongunstige invloed had op andere aspecten van hun leven. Het is dus niet verwonderlijk dat ze 20 jaar later mentaal kwetsbaarder zijn.

Op die manier kunnen verontwaardiging en protest een leerschool zijn, een wijze waarop je op zoek kunt gaan naar oplossingen en je angst kunt transformeren in plaats van die te internaliseren. Daar kan educatie toe bijdragen. Boehnke en Wong stelden ook vast dat het opleidingsniveau van jongeren dikwijls een voorspeller is van hun activisme. Door je te documenteren, te lezen – en verontwaardigd te zijn – werk je al aan je angsten. Je geeft er structuur aan en voorkomt dat je onverschillig wordt, terwijl diep binnenin de angst blijft zinderen.

Op 20 oktober bevestigt nota bene de wiskunde de bangste vermoedens van de huidige protestbeweging. Niks geen samenzweringstheorieën. Drie Zwitserse systeemanalisten (de systeemanalyse is een interdiscipline tussen informatica en bedrijfskunde) brengen aan het licht dat minder dan één procent van de bedrijven 40 procent van het bedrijvennetwerk controleert. Die minder dan één procent (147 in aantal) zijn hoofdzakelijk banken, waaronder Barclays en Goldman Sachs. Volgens financiële experts ligt de waarde van de Zwitserse studie niet zozeer in dat ze aantoont wie de mondiale economie bezit, maar dat ze de hechte connecties tussen een klein aantal bedrijven laat zien. In 2008 bleek al dat zulke netwerken niet stabiel zijn.

Laten we onze verontwaardiging niet onderdrukken.


Geschreven in Algemeen , Psychologie , Maatschappij | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Wat doet het konijn met het eendje?

30. September 2011, 09:14



‘The rabbit is glorping the duck’
.

Taal informeert, taal communiceert, taal verleidt, taal misleidt… Is taal eigenlijk iets dat we helemaal moeten leren, zoals rekenen of fietsen? Nee, zegt de wetenschap, ons taalvermogen is aangeboren. We delen het met al onze soortgenoten. Dat verklaart de overeenkomsten tussen verschillende (mensen)talen. Ondanks de verschillen tussen talen, bestaat er een universele grammatica. Daarmee kunnen we de basisregels van elke taal ontcijferen.

Het idee van zo’n grammatica werd in de jaren zestig naar voren gebracht door taalkundige en filosoof Noam Chomsky (foto). En dat daar iets in zit, ondanks alle kritiek die de man intussen te verduren heeft gekregen, wordt onderschreven door een recent onderzoek aan de Universiteit van Liverpool. Psychologe Caroline Rowland en haar team toonden aan dat kinderen van twee jaar oud complexe grammatica begrijpen, zelfs vóór ze in volledige zinnen spreken. De meeste kinderen van twee combineren maar zelden meer dan twee woorden. Meestal zeggen ze dingen als ‘Méér sap’ of ‘Nee jas’, maar vormen nog geen volledige zinnen.

De onderzoekers lieten de kids zinnen met verzonnen werkwoorden horen, zoals ‘The rabbit is glorping the duck’, en vroegen hen om de zin te matchen met een cartoon. Op het ene prentje deed het konijn iets met het eendje; het tilde bijvoorbeeld een poot van de eend op. Op de andere deden de dieren apart iets, zoals zwaaien met hun poot. Zo kwamen de onderzoekers er achter dat zelfs de jongste tweejarigen het veel vaker juiste beeld bij de juiste zin plaatsten dan je kon verwachten op basis van toeval.

De studie suggereert dat peuters meer afweten van de structuur van de taal dan ze onder woorden kunnen brengen, en ook veel vroeger dan gedacht. Ze toont verder aan dat kinderen waarschijnlijk gebruikmaken van de zinsstructuur om nieuwe woorden te begrijpen, in het bijzonder woorden die niet naar concrete dingen verwijzen, zoals ‘weten’ en ‘houden van’. Voorts helpt het onderzoek de snelheid verklaren waarmee de kleintjes taal verwerven.

En andersom: taal beïnvloedt de hersenen

Chomsky’s idee van de universele grammatica heeft gedurende een halve eeuw de toon gezet in de taalkunde, de psychologie en de cognitiewetenschap. Maar je kunt het ook andersom bekijken. Wat als juist de verscheidenheid van talen de sleutel zou zijn tot het begrip van onze communicatie? Dat is althans de mening van de taalkundigen Nicholas Evans en Stephen Levinson. En als zij het bij het rechte eind hebben, dan beïnvloedt ons denken niet alleen de taal, maar dan heeft de taal ook invloed op onze hersenen. Dat houdt dus in dat onze moedertaal ons anders doet denken dan mensen met een andere moedertaal – tot op bepaalde hoogte toch.

Een van de universele regels volgens Chomsky zegt bijvoorbeeld dat alle talen vier basale woordklassen bezitten: naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Maar sommige talen, zoals het Lao, dat wordt gesproken in Laos, hebben helemaal geen bijvoeglijke naamwoorden. Bepaalde indianentalen uit het noordwesten van de Verenigde Staten hebben zelfs geen onderscheiden naam- of werkwoorden. In plaats daarvan maken ze gebruik van één enkele woordklasse die gebeurtenissen, levende wezens en eigenschappen omvat.

Over de subtiele verschillen in het denken die voortvloeien uit de eigenaardigheden van de moedertaal leest u meer in Psyche&Brein van oktober-november. De onderscheidende eigenschappen van de diverse talen hebben invloed op hoe we de wereld waarnemen. Europeanen stellen zich bijvoorbeeld voor dat de tijd van links naar rechts verstrijkt, voor veel Aziaten verloopt zij van boven naar beneden. Sommige Aboriginalvolken in Australië ordenen de tijd zelfs aan de hand van de windrichtingen.

Iemand die een vreemde taal leert zou daardoor wel eens andere karaktertrekken kunnen krijgen, zo blijkt uit een onderzoek van Sylvia Chen en Michael Bond van de Polytechnische Universiteit van Hongkong. Chinese proefpersonen betoonden zich assertiever, extraverter en opener wanneer ze in het Engels werden ondervraagd dan in het Kantonees. Als verklaring voeren de onderzoekers aan dat we bij het leren van een vreemde taal ook de bij die taal behorende culturele normen overnemen en die oproepen wanneer we haar gebruiken.

Het geheime leven van voornaamwoorden

En ook veel dichter bij huis zijn er nog dingen te ontdekken. Denk aan James Pennebaker, die als sociaal psycholoog van de studie van taal zijn levenswerk heeft gemaakt. Gaandeweg kwam hij erachter dat het woordgebruik samenhangt met elke dimensie van de sociale psychologie: de leeftijd van mensen, de sociale klasse waar ze deel van uitmaken, de emotionele staat waarin ze zich bevinden, hun persoonlijkheid, hoe eerlijk ze zijn, hoe ze omgaan met leiderschap en ga zo maar door.

Pennebaker is ervan overtuigd dat je ons gedrag kunt doorgronden op basis van onze ‘stijl’. En met stijl bedoelt hij dat we twee soorten woorden gebruiken: inhoudswoorden (content words) die ons voorzien van betekenis. Dat zijn naamwoorden (tafel, dochter), werkwoorden (houden van, lopen), bijvoeglijke naamwoorden (blauw) en bijwoorden (zeggen iets over het werkwoord, zoals in ‘ze huilde heftig’; ze vallen in het Nederlands samen met de adjectieven). Daarnaast heb je de ‘functiewoorden’ (function words), die ‘een stillere, ondersteunende rol spelen’. De functiewoorden verbinden en organiseren de inhoudswoorden en geven deze vorm, aldus de psycholoog. Het zijn zij die de stijl bepalen. Het betreft de persoonlijke voornaamwoorden, van de persoonlijke voornaamwoorden (ik, zij, het) via de lidwoorden, hulpwerkwoorden en conjuncties (maar, en) tot veel voorkomende bijwoorden als ‘echt’.
Deze kleine, ‘onbetekenende’ woorden geven volgens Pennebaker een heleboel prijs. Zo zouden mensen die veel lidwoorden gebruiken georganiseerder, emotioneel stabieler nauwgezetter, politiek behoudender en ouder zijn.

Uit een analyse van honderden door Pannebakers studenten geschreven essays bleek dat er drie verschillende schrijfstijlen bestaan: formeel, analytisch en verhalend. Zo omvatte de formele stijl onder andere veel lidwoorden en voorzetsels en heel weinig ik-woorden. Degenen die het hoogst scoren op formeel denken zijn vooral gericht op status en macht en denken weinig over zichzelf na. Ze drinken en roken minder en zijn ook mentaal gezonder, maar minder eerlijk. Naarmate mensen ouder worden, wordt hun schrijfstijl formeler. Meer hierover in Pabbebakers boek The Secret Life of Pronouns, zojuist verschenen bij Bloomsbury Press.

De kleine woorden die veelzeggender zijn dan de grote, taal die wetten kent en ook weer niet. Verder worden er op dit moment linken gelegd tussen taal aan de ene kant en hersenwetenschappen en evolutieleer anderzijds. Aan onderwerpen voor de nieuwe serie in Psyche&Brein, 'De fascinatie van taal', ontbreekt het niet.

 Videoclip over voornaamwoorden:




Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Uw digitale kloon

05. Augustus 2011, 10:17

Internet en socialenetwerksites roepen vragen op over ons zelfgevoel en wie we denken te zijn.  

Laatst plaatste ik een oproep op Facebook om mijn maatjes aan te sporen een e-mail te sturen naar de eerste minister van Syrië. Kwestie van de gearresteerde blogger Amina Arraf vrij te krijgen. De volgende dag stond op de site van Der Spiegel dat die vrouw naar alle waarschijnlijkheid niet bestond. Uiteindelijk bleek het te gaan om een hoax van een 40-jarige Amerikaanse student in Edinburg. Hij had zich de identiteit van schrijfster van ‘A Gay Girl in Damascus’ deels aangemeten uit ijdelheid, zei hij, en ook om te experimenteren met ‘self representation’. Dat laatste doen we allemaal als het om sociale netwerken gaat. Sommigen doen het door een avatarprentje of babykiekje als profielfoto te kiezen. Ikzelf doe dat wanneer ik mezelf met een muisklik opstel als internetactivist, en zonder nadenken inga op een verzoek via e-mail om actie te ondernemen. Een verzoek afkomstig een beweging die ik eigenlijk niet ken, behalve van haar webstek.

Niemand zal nog ontkennen dat het internet invloed heeft op onze interacties en tijdsbesteding. Volgen
s een studie van City University in Hong Kong, daterend van begin dit jaar, zouden de socialenetwerksites hoe langer hoe meer van onze tijd gaan opslokken. De wetenschappers bestudeerden twee professionele netwerken en vonden zo de bevestiging voor hun theorie, namelijk dat deze niet-lineair zijn. Een netwerk groeit dus niet in verhouding tot het aantal gebruikers, maar hoe groter het wordt, hoe meer gebruikers het gebruiken. Je kunt dat doortrekken naar de sociale netwerken. Zo zou je steeds meer met Twitter of Facebook in de weer zijn naarmate dat ook geldt voor een toenemend aantal van je vrienden.

Positiever zelfbeeld
Er wordt wel eens lacherig gedaan over Facebook, maar het heeft zeker positieve kanten. Facebook kan je gevoel van eigenwaarde oppeppen, zo blijkt uit een recente studie van Amy Gonzales en Jeffrey Hancock, communicatiespecialisten aan Cornell University. De gebruikers kunnen kiezen wat ze over zichzelf prijsgeven en filteren wat hen mogelijk in een slecht daglicht stelt. Daarnaast is het leeuwendeel van de feedback van vrienden bijzonder positief. Die twee fenomenen betekenen een boost voor het zelfbeeld. Bij het onderzoek zat een aantal studenten achter een computer waarop hun Facebookprofiel te zien was en mochten daarmee aan de slag; een andere groep zat achter een computer die uit stond. Bij die t
weede groep waren er ook studenten die in een spiegel keken die op het beeldscherm was aangebracht. Toen vervolgens het eigenwaardegevoel van de deelnemers werd gemeten, bleek dat degenen die hun Facebook hadden gebruikt veel meer positieve feedback over zichzelf gaven. Degenen onder hen die hun profiel hadden aangepast tijdens het experiment hadden het hoogste zelfbeeld.

‘In tegenstelling tot een spiegel, die ons eraan herinnert wie we werkelijk zijn en een negatief effect kan hebben wanneer dat beeld niet overeenkomt met ons ideaal, kan Facebook ons een positieve versie van onszelf laten zien’, aldus co-auteur Jeffrey Hancock. ‘We beweren niet dat het een illusoir beeld is, maar het is wel een positief beeld.’

Tot zover is dit allemaal herkenbaar, maar we moeten al een stapje verder denken. Net als Tom MacMaster, de blogger van ‘A Gay Girl in Damascus’, dromen we er allemaal wel eens van een totaal andere persoonlijkheid aan te nemen. Een klein aantal van ons is daarmee al vertrouwd via zijn of haar ‘avatar’ op SecondLife. Maar nu komen er avatars aan die levensechte dubbelgangers van ons zijn, en ze worden gebruikt voor psychotherapie én reclame. Stel dat je aan een sociale of andere fobie lijdt. In een virtuele situatie doet je dubbelganger-avatar wat jij zelf niet durft. Een overvol café betreden en een drankje bestellen, bijvoorbeeld. Kijken naar je digitale dubbelganger zou je sociale vaardigheden helpen verbeteren en je angst doen afnemen. Voorts zou het helpen om een gezondere levensstijl aan te nemen of slimmere financiële beslissingen te nemen (Hoe dat zit, kunt u lezen in Psyche&Brein nummer 4 (augustus-september 2011), die op 11 augustus verschijnt.)



Virtuele tweelingbroer of -zus
Onze digitale en alledaagse identiteit raken steeds meer verweven, iets wat op zich vragen oproept. In die zin kun je de term ‘avatar’ ruimer definiëren als ‘degene die je bent op het net’. Over vrijwel iedereen bestaat er onderhand een hoop digitale informatie en die wordt alleen maar groter. En op die manier krijgen we langzaam aan allemaal een digitaal tweelingbroertje of –zusje. Interessant is in hoeverre iemands ‘online persona’ lijkt op wie hij of zij ‘offline’ is, stipte het Britse New Scientist in 2010 aan in een redactioneel. ‘Een avatar samengesteld op basis van informatie die overal op het net over je is samen gesprokkeld, kan zich volledig anders ontwikkelen dan degene die je zelf zou verzinnen.’ Tot nu toe is de avatar-technologie primitief, aldus het tijdschrift. ‘Maar de landbouwrevolutie werd gekenmerkt door een enorme uitbreiding van wat mensen samen konden verwezenlijken en de industriële revolutie door een machtsverschuiving van de plattelandsadel naar het zakenleven in de steden. De revolutie op gang gebracht door de digitale identiteit kan veranderen hoe mensen denken over zichzelf, hun leven en hun buren. De opkomst van de avatar kan onze ideeën over de wereld en wat het betekent mens te zijn veranderen.’

Gevaarlijke gekken

Deze gevolgtrekkingen zijn misschien wat hooggestemd. Wel lijkt het erop dat de sociale media de drempels tussen de gebruikers verlagen, en dat kan ik alleen maar een goede zaak noemen. Anderzijds maakt de recente tragedie in Noorwegen duidelijk hoe iemand die zich een online-identiteit aanmeet een gruwelijke tunnelvisie kan ontwikkelen – waarbij ik géén causaal verband leg. Gevaarlijke gekken hebben altijd bestaan en ook al vóór de tijd van internet waren ze actief, denk aan Jack the Ripper. Alleen meen ik dat ze nu actiever zijn dan vroeger. En dat de nieuwe technologieën het gemakkelijker voor ze maken om zich op te sluiten in hun paranoïde fantasieën, zoals in het geval van Breivik.

Afgezien van dat extreme voorbeeld, is er onder andere bekend dat pubers met een internetverslaving kleine veranderingen vertonen in de hersenen. Zo stelt cognitiewetenschapper Daphne Bavelier van de universiteit van Rochester (VS) dat er zich bij kinderen veranderingen voordoen op het gebied van geweld, afgeleid worden en verslaving.

Hoe ‘online leven’ ons brein verandert, is iets waar de wetenschap een antwoord moet op zien te bieden. Het gaat niet om de technologieën op zich, maar om de manier waarop we ermee omgaan. Al was het alleen al omdat we er onderhand dag en nacht mee in de weer zijn.


Geschreven in Psychologie , Maatschappij | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Maar dan niet met kurk

07. Juni 2011, 10:02

Onze creativiteit is al sinds de oude Grieken een onderwerp van debat. Het lijkt alsof goede en originele ideeën ‘uit het niets’ komen. Vroeger werd inspiratie gezien als iets dat van de goden of de geesten afkomstig was, later werd het beschouwd als een product van het onbewuste. Begin de jaren zeventig werd creativiteit als een vorm van intelligentie beschouwd. Maar toen men dat vervolgens begon te testen, bleek dat het niet zo simpel lag. Creatieve mensen deden het wel goed bij IQ-tests, maar bleken slechts gemiddeld intelligent te zijn of net ietsje méér. Intussen begrijpen we al beter hoe het zit.


Kreatief met kurk, VPRO 1993.

Onderzoekers richten zich voornamelijk op de vraag: waar komt creativiteit vandaan? De wetenschappelijke interesse daarvoor wordt op dit moment aangewakkerd door verrassende ontdekkingen. Simone Shamay-Tsoory van de Universiteit van Haifa en haar team probeerden eind 2010 de hersengebieden die te maken hebben met creatief denken duidelijker af te bakenen. Daartoe vergeleken ze 40 mensen met hersenschade in één van drie welbepaalde regio’s met personen zonder hersenschade. De hersenen van alle deelnemers werden gescand. Verder werden hen 30 identieke cirkels op een blad papier getoond. Iedereen kreeg vijf minuten te tijd om zoveel mogelijk verschillende tekeningen te maken van bestaande voorwerpen, waarvan elke ten minste uit één cirkel bestond. Hoewel de creativiteitsniveaus van de 40 vóór hun hersenbeschadiging uiteraard niet waren gemeten, duidden de resultaten erop dat die niveaus rechtstreeks gerelateerd zijn aan de plaats waar de schade optrad. Degenen die significant hoger scoorden dan gezonde deelnemers vertoonden meer schade in de linkerkant van het brein, in gebieden verantwoordelijk voor de taalverwerking. De mensen met hersenschade die de laagste scores behaalden hadden veelal meer schade aan de rechterkant, in een gebied dat te maken heeft met planning en beslissingen.

De onderzoekster stelt dat hoewel creativiteit in de rechterhemisfeer ontstaat, deze kan worden onderdrukt door de taalverwerking in de linkerhemisfeer. ‘De taalgebieden kunnen concurreren met het vermogen van de rechterhersenhelft om creatieve ideeën voort te brengen’, zegt ze. Dat idee van concurrerende hersenhelften roept vragen op. Jammer genoeg reageerde Simone Shamay-Tsoory niet op ons verzoek om meer uitleg over haar nieuwe onderzoek naar het stimuleren van creativiteit door het (tijdelijk) stilleggen van de taalgebieden had opgeleverd.

Schizofrenie
Iedereen kent het cliché van de gekwelde artiest en voorbeelden als de vreemde kantjes van Salvador Dali, Virginia Woolf en Beethoven zijn legio. Creativiteit wordt al eeuwenlang in verband gebracht met waanzin. Het heeft dus zijn prijs. Onderzoek  duidt erop hoe dat komt: een genetische mutatie gelinkt aan bipoliaire stoornis en schizofrenie beïnvloedt eveneens de creativiteit. Szabolcs Kéri van de Semmelweis-universiteit in Boedapest bekeek in 2009 waarom de evolutie die mutatie in stand hield. Hij onderzocht een gen dat een rol speelt bij de ontwikkeling van de hersenen en dat neuregulin 1 heet. Tevoren werd het al in verband werd gebracht met een iets groter risico op schizofrenie. Ongeveer 50 procent van de gezonde Europeanen heeft één kopie van dat gen, 15 procent bezit twee kopieën. Toen Kéri de creativiteit van 200 proefpersonen mat, bleken degenen met twee kopieën – twaalf procent van de deelnemers – aanzienlijk hoger te scoren. En degenen met slechts één kopie waren gemiddeld creatiever dan de vrijwilligers zonder kopie. Vrijwilligers met twee kopieën van het neuregulin 1-gen vertoonden ook meer zogenoemd schizotypische eigenschappen als paranoia, vreemde spraakpatronen en niet toepasselijke emoties. Op zich biedt de connectie met mentale stoornissen geen verklaring voor creativiteit, aldus Kéri. Hij speculeert dat de mutatie de prefrontale cortex vochtig maakt, het hersengebied dat onder andere stemmingen en gedrag in toom houdt. Daardoor zou bij sommigen de creativiteit worden ontketend, bij anderen psychotische wanen.

Psycholoog Jordan Peterson van de Universiteit van Toronto meent eveneens dat bepaalde schizofrene kenmerken ook in ruimere mate voorkomen bij creatievelingen. Hij is een mechanisme op het spoor gekomen dat daar een verklaring voor biedt. Hij stelt dat wie creatief is meer openstaat voor indrukken dan anderen. Via onze zintuigen komt er onnoemelijk veel informatie onze hersenen binnen. Meestal negeren of blokkeren we die data om er niet onder bedolven te raken. Peterson noemt dat proces ‘latente inhibitie’. Wie minder latente inhibitie heeft en dus minder indrukken filtert, tegelijkertijd een redelijk hoog IQ bezit en over een goed werkgeheugen beschikt, kan meer met die indrukken spelen en ze combineren. Daardoor staat die persoon meer open voor mogelijkheden en ideeën. De keerzijde van een extreem lage filtering is dat je vatbaar bent voor geestesziekten. Gekte is volgens Peterson geen vereiste voor creativiteit, maar heeft er wel een en ander mee gemeen.



Excentriciteit

Niet echt verwonderlijkis dat ook tussen excentriciteit en creativiteit een verband wordt gelegd. Je kunt de onconventionele manier van denken en waarnemen die gepaard gaan met schizofrenie immers erven, zónder de ziekte zelf. Albert Einstein raapte sigarettenpeuken van de straat om aan tabak te komen voor zijn pijp. Componist Robert Schumann geloofde dat zijn muzikale composities hem door Beethoven ingefluisterd werden. Recenter denken we aan Salvador Dali’s voorliefde voor gevaarlijke huisdieren en zangeres Björk die, speciaal voor de Oscars, gekleed ging als zwaan. Niet alleen Jan Modaal ziet deze hoogcreatieve mensen als excentriek. Vaak zien zij zichzelf ook als anders en vinden ze dat ze er niet bij passen. Recente resultaten uit creatief onderzoek en moleculaire biologie tonen aan dat die inzichten niet enkel gebaseerd zijn op een paar anekdotes van ‘vreemde’ wetenschappers en kunstenaars. Wetenschappers zijn van mening dat beide karaktertrekken het resultaat zijn van hoe onze hersenen de binnenkomende informatie filteren. Bepaalde cognitieve mechanismen die excentriciteit in de hand werken, kunnen ook het creatief denken stimuleren, schrijft Shelley Carson van Harvard University. Haar verhaal staat in het nieuwe Psyche&Brein (nr. 3 2011).


Geschreven in Hersenwetenschap | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De nulgraad van Vangheluwe

21. April 2011, 14:45

Iedereen die niet primair denkt, vraagt waarschijnlijk zich af wat een man als bisschop Vangheluwe dreef. De man in een hokje stoppen, zal niet helpen – de maatschappij, de slachtoffers en hun families schieten daar niets mee op. Hetzelfde geldt voor Tristan van der W., de jonge dader van de schietpartij in Alphen aan de Rijn. ‘Wat hebben die twee met elkaar te maken?’, vraagt u zich wellicht af. Het feit dat zij in staat zijn gebleken om andere mensen te dehumaniseren, lijkt mij een groot punt van overeenkomst – afgezien van alle verschillen. En over die handelwijze bestaat nog steeds onduidelijkheid.

Wetenschappers hebben al een hoop werk verricht als het erom gaat het fenomeen dat traditioneel ‘het kwaad’ wordt genoemd te ontraadselen. Denk aan het opmerkelijke boek
Het wrede brein door Kathleen Taylor, dat in het najaar van 2010 in Nederlandse vertaling verscheen en dat een overzicht biedt van wat tot nu toe bekend is.
 
Het empathie-spectrum

Heel anders gaat de bekende Britse autisme-expert Simon Baron-Cohen te werk. Baron-Cohen is hoogleraar ontwikkelingspsychopathologie aan de universiteit van Cambridge en directeur van het aldaar gevestigde Autism Research Centre. Hij heeft een nieuwe, eigen theorie over de menselijke wreedheid, gebaseerd op onderzoek dat hij voor een deel zelf heeft verricht.



Toen de auteur student was, vertelde een hoogleraar hoe de nazi’s gevangenen in Dachau onderdompelden in ijskoud water om te zien of ze dat drie uur volhielden (foto). Ook wilden ze nagaan hoe de hartslag correleerde met de tijd bij nul graden. De vraag hoe men zijn medemens kan behandelen als een object heeft de auteur sindsdien nooit meer losgelaten.

Toch stelt de jood Baron-Cohen ‘het kwaad’ of de wreedheid niet centraal in zijn boek
Zero degrees of Empathy – wel de empathie. Ons inlevingsvermogen kun je voorstellen als een klokgrafiek, en wijzelf kunnen allemaal ondergebracht worden in een empathie-spectrum. Empathie veronderstelt niet alleen dat we ons identificeren met de gedachten en gevoelens van een ander mens, maar ook dat we daarop reageren. Dat laatste maakt meteen al duidelijk dat iedereen bij momenten tekortschiet als het op empathie aankomt. De uitspraken die de wetenschapper gebruikt om het EQ of empathie-quotient te meten, wijzen eveneens in die richting. ‘Ik kan gemakkelijk zien wanneer iemand anders wil deelnemen aan een gesprek’ en ‘Vriendschappen en relaties zijn te ingewikkeld. Ik houd me daar niet mee bezig’ zijn twee van de tien tamelijk onschuldig lijkende stellingen waarmee je het eens of oneens kunt zijn. Verder zijn er tien belangrijke hersengebieden betrokken bij empathie. Baron-Cohen gewaagt dan ook van een empathie-circuit in het brein.

Borderliners, narcissisten en psychopaten hebben moeite met empathie en mensen met asperger en klassiek autisme daarentegen ‘Zero-Positief’. Beide categorieën ontbreekt het aan affectieve empathie, maar het verschil is dat laatsgenoemden extreme ‘systematiseerders’ zijn. Dat leidt ertoe dat zij er gehecht zijn aan morele codes en vaak een beroepsbezigheid hebben in de juridische sfeer. Type B, N en P worden beschouwd als persoonlijkheidsstoornissen, waarbij over het hoofd wordt gezien wat ze gemeenschappelijk hebben: de nulgraad.


Circuit uitgeschakeld

Psychopaten zijn onderzocht met behulp van beeldvormingsonderzoek. Het eerste belangrijke inzicht waar wetenschappers toe kwamen, is dat het psychopaten ontbreekt aan angst, dus voor de gevolgen van hun handelingen. Dat bleek uit experimenten die aantoonden dat ze niet alleen niet bang zijn voor elektrische schokken, maar er evenmin een geconditioneerde reactie op de bedreiging ontwikkelen (andere proeven wezen in dezelfde richting). Dat duidt op een heel specifiek leerprobleem dat te maken heeft met een verminderde angst voor straf.

Bij degenen die extreme wreedheden begaan – een aantal psychopaten zoals Josef Fritzl – is het empathie-circuit voor lange tijd of zelfs definitief uitgeschakeld, aldus Baron-Cohen. Daarbij spelen genetische en omgevingsfactoren (vooral misbruik en verwaarlozing; Fritzl werd herhaaldelijk geslagen door zijn moeder). Wetenschappers zijn momenteel aan het  ontrafelen welke genen onze empathie verregaand beïnvloeden. De auteur werkt daar met zijn team in Cambridge actief aan mee.


Volgens Simon Baron-Cohen is empathie één van onze voornaamste hulpbronnen. Zijn inzichten dragen bij tot een beter begrip van wat de gevolgen kunnen zijn als daar iets mis mee is. In een latere fase kunnen ze misschien helpen om empathie bij te brengen.


Bron:
Zero Degrees of Empathy. A new Theory of Human Cruelty. Simon Baron-Cohen. Allan Lane, 199 p. £ 20,-. ISBN 9780713997910.

Geschreven in Maatschappij | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Is God een politieman?

14. April 2011, 12:06

Zijn wij alleen maar geprogrammeerd om te geloven of is er toch ‘iets meer’? De wetenschappers die het geloof onderzoeken, zitten in ieder geval niet stil.

In godsdienst en spiritualiteit zoeken we antwoorden op Grote Vragen, zoals: waar komen we vandaan, wat is de betekenis van het leven en wat gebeurt er na de dood? Als geboren en getogen onkerkelijke heb ik altijd een vreemde relatie gehad met het geloof. Toen ik een klein meisje was, en dat is alweer even geleden, kon je de vrijzinnigen in Vlaanderen op de vingers van je ene hand tellen. Diep was mijn ontgoocheling toen mijn klasgenootjes hun eerste communie zouden doen in zo’n wit jurkje, en mijn ouders me zeiden dat het iets was waar wij niet aan meededen.

Intussen heeft het kerkbezoek in dit deel van de Lage Landen en elders een dieptepunt bereikt. Wel lijkt het erop alsof velen van ons op dit moment een vreemde of tenminste ongewone relatie hebben met het geloof. Aardig wat mensen zijn ‘ietsisten’, verdiepen zich in spiritualiteit of hebben de georganiseerde religie de rug toegekeerd, maar laten hun kids wel dopen, want je weet maar nooit.

Zelftranscendentie
Met de regelmaat van de klok verschijnen er studies over geloof & brein en geloof & evolutie. Uit 2010 dateert een onderzoek van hersenwetenschapper Cosino Urgesi van de Universiteit van Udine. Zijn studie met patiënten die aan hersenkanker leden, laat vermoeden dat transcendente gevoelens een gevolg kunnen zijn van hersenschade. Een aantal van hen had een tumor in de achterste pariëtale cortex. Na een operatie waarbij uit dat hersendeel hersencellen werden verwijderd behaalden zij een hogere score op een persoonlijkheidstest waarbij de ‘zelftranscendentie’ werd gemeten. Op die test scoor je hoog als je ‘ja’ antwoordt op de vraag: ‘Ik voel me vaak zo verbonden met de mensen om me heen, dat ik het gevoel heb dat er geen scheiding meer tussen ons bestaat’. Volgens Urgesi zou de verminderde activiteit in het betrokken hersengebied door het wegnemen van neuronen leiden tot de toegenomen gevoelens jezelf te ontstijgen. Zijn patiënten hadden ook minder last van angst voor hun aandoening en voor de dood.

De resultaten van Urgesi sluiten aan bij onderzoek bij boeddhistische monniken, nonnen en mensen die ervaring hebben met mediteren. Dat laat zien dat het hersengebied in kwestie een rol speelt bij meditatie en gebed. Er bestaan verbanden tussen spiritualiteit en het brein, dat is intussen duidelijk. Maar dat roept weer andere vragen op, zoals: wat is spiritualiteit? Het begrip is toch een beetje vaag. Het kan bevrijdend zijn voor mediterenden dat beperkende grenzen verdwijnen. Maar wat als de grens tussen geloof en bijgeloof vervaagt? Wat schiet je ermee op als de priester wordt vervangen door de goeroe van de week?

God tegen roddel
Evolutiepsycholoog Jesse Bering heeft een nieuw antwoord op de aloude vraag: waarom geloven zo veel mensen in God? Dat doet hij uit de doeken inn zijn boek Het Godsinstinct, dat zojuist in het Nederlands is verschenen. Bering stelt dat hoewel de evolutie van de taal een goede zaak was – ze stelde ons in staat om vlot te communiceren en belangrijke informatie te verspreiden – ze ook tot een verontrustend probleem leidde voor de vroege mens. Met behulp van de taal kon hij verslag doen van het gedrag van anderen. Dat betekende dat wanneer je werd betrapt op iets verwerpelijks, zoals stelen, je je reputatie ‘te grabbel gooide’, met als gevolg dat je je kansen op voortplanting wel kon vergeten. Vandaar dat het geloof in een bovennatuurlijk wezen dat iedereen voortdurend in de gaten hield, beoordeelde en mensen aanmoedigde om hun immorele impulsen niet te volgen. Het hielp hen om te overleven. Is God een instinct? Volgens Bering is God een soort default-stand. De ‘illusie van een God’ betekende dé oplossing voor roddel, die slecht was voor je reputatie en je genen. De evolutiepsycholoog uit Belfast ziet God dus als een soort politieman.

Maar ook ons vermogen om na te denken over wat anderen denken, beter bekend als de theory of mind, heeft volgens Jesse Bering het geloof in God aangewakkerd. Onze theory of mind hielp ons om het gedrag onze medemens te begrijpen en te voorspellen. Ontwikkelingspsychologen menen zelfs dat dit de reden is waarom we levende wezens zien in niet-levende objecten. Oostenrijkse wetenschappers lieten hun proefpersonen in een beroemd experiment uit 1944 een simpel animatiefilmpje zien met drie bewegende figuren: een grote driehoek, een kleine driehoek en een kleine cirkel. Daarin herkenden de meeste deelnemers menselijk sociaal gedrag. Zo zou de grote driehoek de kleinere hebben ‘gepest’, terwijl ze beide de affectie probeerden te winnen van de ‘vrouwelijke’ cirkel.





Dit aanpassingsmechanisme kwam ons zo ooit goed van pas, dat we ook een ‘oorzaak’ gingen zoeken achter natuurlijke fenomenen als stormen, tegenspoed en baby’s. Onze  ‘overijverige’ theory of mind zet ons ertoe aan om ‘in Gods hoofd te kruipen’, en in alles verborgen betekenissen te ontwaren, bijvoorbeeld wanneer de kelder onder water loopt. Voorts blijkt uit onderzoek dat kinderen van zes à zeven verborgen berichten ontdekken in gebeurtenissen waarvoor kids van drie of vier alleen een rationele verklaring vinden.

Klein planeetje
Aan het begin van de twintigste eeuw voorspelden sociologen dat het geloof in God tegen het einde van de eeuw zou verdwijnen als gevolg van de secularisatie, aldus scepticus Michael Shermer. In feite is het tegenovergestelde gebeurd. De religie boomt. Volgens Shermer komt dat doordat wij mensen wezens zijn die verhalen vertellen. Denk maar aan de altijd terugkerende mythische thema’s in de wereldgodsdiensten, zoals de scheppings- en de messiasmythe. Daarnaast zijn we ook wezens die voortdurend op zoek zijn naar patronen, ook waar er geen zijn. Vele duizenden jaren hebben we gebruikgemaakt van die patronen om verhalen over een kosmos te construeren die speciaal voor ons was ontworpen. Tijdens de afgelopen eeuwen heeft de wetenschap een heel ander plaatje laten zien. We zijn slechts één van de tientallen miljoenen soorten, die op een van de planeten leven in een sterrenstelsel dat niet zo heel erg verschilt van zijn miljarden soortgenoten.

In tegenstelling tot vroeger is zingeving nu iets dat je zelf bepaalt, bijna zoals je een outfit kiest. Soms willen mensen een wit jurkje aan. Vaak dompelen ze zich onder in materialisme en lifestyle. Soms doen ze oprecht hun best om de wereld te verbeteren en soms twijfelen ze eraan of er iets hogers bestaat als een catastrofe toeslaat in Japan. Maar de oude vragen blijven springlevend. En zelfs rabiate atheïsten moeten toegeven dat er sociale en evolutionaire redenen zijn waarom mensen dikwijls in een hogere macht geloven.


In Psyche&Brein nummer 2, uit op 14 april, vindt u het dossier ’Op zoek naar zin’.


Geschreven in Psychologie , Maatschappij | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


De Benidorm Bastards van de toekomst

20. Januari 2011, 16:13

Ouder worden is zeker geen ziekte, al willen sommigen het zo verkopen. Bovendien blijkt dat we méér dan gedacht zelf in de hand hebben hoe we verouderen.

Over weinig zaken wordt tegelijkertijd zoveel gezeurd en gezegd dat het er niet toe doet als ouder worden. Terwijl ouderen worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt, vindt het motto dat het leven pas begint met vijftig alom weerklank. Om nog maar te zwijgen over onze ontkenning van het ouder worden. U weet wel – het hele idee van drie keer drie kwartier lopen per week, maar spier- en gewrichtcrème smeren plus vitaminesupplementen slikken om dat tegen heug en meug klaar te spelen. We leven in een cultuur die jong zijn aduleert. Wel zit daar een voordeel aan: we zijn meer dan ooit in de weer met jong blijven. En zolang dat binnen de perken blijft, kunnen we daar alleen wel bij varen.

Maar weet waar u aan begint als u met anti-aging aan de slag wilt. Daarvoor waarschuwt de Amerikaande journaliste Arlene Weintraub in haar in september van vorig jaar verschenen Selling the fountain of youth (Uitg. Basic Books). ‘Word niet ziek, word niet oud en ga niet dood’. Die drie vuistregels zijn afkomstig van Robert Goldman, een van de grondleggers van de anti-agingindustrie. Ze impliceren de kern van het probleem waar Weintraub tegen van leer trekt: ouder worden wordt als een ziekte beschouwd. Die wordt niet echter niet bestreden met geneeskunde, maar met pseudowetenschap. Neem nu menselijk groeihormoon of HGH, aanvankelijk gebruikt voor de behandeling van kinderen met een groeiachterstand. Het kan via gentechnologische weg worden gefabriceerd en is een van de eerste antiverouderingsmiddelen die op grote schaal werden geproduceerd.

De Hollywood-connectie
Die middelen werden nooit onderworpen aan serieus gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek dat hun veiligheid aantoonde. In plaats daarvan promootten Amerikaanse antiverouderingsdokters de geloofwaardigheid ervan met boeken vol met getuigenisssen van enthousiaste patiënten. Later werden beroemdheden als sitcomster Suzanne Somers en Oprah Winfrey pleitbezorgsters van de zogenoemde bio-identieke hormonen, gemaakt van plantaardig materiaal. Die zouden helpen bij overgangsklachten. In elk geval is nooit bewezen dat ze veiliger zouden zijn dan synthetische hormonen. Somers beschrijft in een van haar bestsellers vrolijk hoe ze twee keer per dag testotosteron gebruikte om haar seksleven nieuw leven in te blazen, maar wel last had van bijverschijnselen als een diepe stem.

Arlene Weintraub doet ook uit de doeken hoe de mannelijke menopauze werd uitgevonden. Hoewel de testosteronniveaus wel dalen naarmate mannen ouder worden, hebben zij geen last van de hormonale ups en downs waarmee vrouwen worden geplaagd. Toch is een bloeiende industrie onstaan van testosteronsupplementen in de vorm van pillen, gels en injecties. De nieuwste ontwikkeling is dat de anti-aging mainstream gaat, met producten als dure drankjes en supplementen op basis van de açaí-bes. Die zou onder andere de antioxidanten in het bloed doen toenemen, maar dat geldt voor élke fruitsoort.

Goed nieuws voor het geheugen?
Zopas is een studie gepubliceerd over de achteruitgang van het geheugen op latere leeftijd die hoopgevend lijkt. Die teruggang zou wel eens het gevolg kunnen zijn van het verouderen van de immuuncellen. Kan het oppeppen van het immuunsysteem ons geheugen dan scherp houden? Volgens het zopas gepubliceerde onderzoek van Jonathan Kipnis van de Universiteit van Virgina is dat inderdaad het geval.

Kipnis en zijn collega’s creëren muizen die geen CD4-cellen bezaten. Dat zijn een soort T-cellen, en die worden als eerste aangetast door het ouder worden. De muizen in kwestie presteerden slecht in taken waar leren en geheugen aan te pas komen. Maar toen ze CD4-cellen van gezonde knaagdieren kregen ingespoten, verbeterde hun geheugen.

Slome immuuncellen kunnen eventueel verklaren waarom onze hersenen minder goed werken naarmate we verouderen. Als het immuunsysteem daadwerkelijk een rol speelt in het geheugen, kan dat leiden tot nieuwe medicijnen om dat laatste een boost te geven. Niet iedereen is het eens met Kipnis. Volgens sommigen is het onwaarschijnlijk dat het immuunsysteem en het zenuwstelsel elkaar beïnvloeden.

Aftakeling voorkomen
Het (mentaal) verouderen iets waar de meesten onder ons niet naar uitkijken. De vraag hoe de cognitieve achteruitgang zich voltrekt, wordt op dit moment intensiever onderzocht dan ooit tevoren. In grote lijnen komt het hierop neer: als het geheugen en de geestelijke vermogens afnemen, dan heeft dat verscheidene, met elkaar verweven psychologische, sociale en biologische oorzaken. Die laten zich aflezen aan de hersenen. De hoeveelheid grijze en witte stof neemt wat af en er is ook minder van bepaalde boodschapperstoffen (dopamine) beschikbaar. Hoewel die processen universeel zijn, veroudert ieder van ons toch op een invidiuele manier. Er bestaan fitte negentigers, maar je hebt net zo goed beverige zeventigers.

Hoe dat komt? Het is niet puur een kwestie van genen. Naast genetische factoren, spelen ook de persoonlijke levensgeschiedenis, ervaringen en leefwijze een rol. En de invloed ervan is groter dan gedacht, toont onderzoek nu aan. Daarbij zijn drie dingen van wezenlijk belang: regelmatige lichaamsbeweging, geestelijk actief blijven en een actief sociaal leven.

Dankzij de zogeheten plasticiteit van het brein – d.w.z. het vermogen om voortdurend nieuwe hersencellen aan te maken en nieuwe verbindingen te leggen tussen de cellen – gaan vaardigheden die we veel oefenen minder snel verloren. ‘Use it or lose it!’ zeggen de onderzoekers in dat verband. Zelfs wanneer de mentale flexibiliteit afneemt, hebben energieke senioren daar minder last van. Zij kunnen bijvoorbeeld gemakkelijker de straat oversteken en tegelijkertijd een gesprek voeren, terwijl minder actieve ouderen al hun aandacht moeten concentreren op het lopen en dus niet goed in staat zijn ook nog eens op hun gesprekspartner te reageren.

Denkkracht
Dat bleek bijvoorbeeld bij een experiment dat Ulman Lindenberger heeft uitgevoerd in zijn laboratorium aan het Max Planck-instituut voor Pedagogiek en Educatie in Berlijn. Hij vroeg volwassenen van verschillende leeftijden een reeks woorden uit het hoofd te leren terwijl ze een smal parcours aflegden. Aan het eind van een parcours was er telkens een pauze en moesten de proefpersonen de woorden die ze zich nog herinnerden intypen op een computer. Er was een eenvoudig, cirkelvormig parcours, maar ook een heel ingewikkeld traject met veel bochten.

Alleen al bij het leren van de woorden traden er duidelijke leeftijdgerelateerde verschillen aan het licht, en bij de gecombineerde test presteerden de bejaarde deelnemers opnieuw duidelijk slechter. Ze liepen niet alleen langzamer, maar onthielden ook minder woorden, vooral wanneer ze het ingewikkelde parcours moesten afleggen. Daaruit blijkt dat het lopen en de geheugenoefening beide een beroep doen op dezelfde cognitieve functie – aandacht. Iemand die in goede conditie verkeert, kan gemakkelijker zijn fysieke evenwicht bewaren en houdt nog denkkracht over om zich met andere zaken bezig te houden.

Sociale contacten hebben een vergelijkbare preventieve werking tegen aftakeling. Afgezien daarvan kan het ook nuttig zijn bepaalde geestesvermogens doelgericht te trainen. Om een blijvend effect op andere cognitieve gebieden te realiseren, is het volgens de laatste onderzoeken aangewezen fundamentele controlefuncties te trainen. Zoals switchen tussen verschillende taken of het ontdekken van de beste strategie om een probleem op te lossen. Daarbij is het bijvoorbeeld de bedoeling dat iemand zich ervan bewust wordt hoe hij verschillende alternatieven op een verstandige manier tegen elkaar kan afwegen. (Meer over veroudering in de nieuwe Psyche&Brein, uit op 10 februari.)

Als dat zo doorgaat, worden we uiteindelijk met zijn allen Benidorm Bastards, en zónder Braziliaanse wonderbessen.





Geschreven in Maatschappij | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Pesten en erger

18. November 2010, 16:24

Like it or not, we bezitten een donkere kant. De pesterijen waarvan een Waalse arbeider uit Bergen het slachtoffer was, getuigen daar nog maar eens van. Waarom gaan mensen over tot pesten, en tot wreedheid? Bestaat er zoiets als ‘slechte mensen’? De wetenschap zoekt naar antwoorden.



‘Er zijn altijd slechte mensen ...’, zeiden mijn buren op veelbetekenende toon toen ik rondvraag deed naar mijn verdwenen kat. Wanneer ze tijdens de eropvolgende weken en maanden niet opdook, zijn er momenten geweest dat ik geloofde dat er inderdaad slechte mensen bestaan en fantaseerde over wraakacties tegen de onbekende kattenmoordenaars. Natuurlijk is het onzin om zoiets te denken. We zijn toch verstandige mensen. Maar hoe moet je het dan wel zien?

Pesten op het werk is aan de orde van de dag. Denk aan de onmenselijke situaties bij France Telecom, die ertoe leidden dat de voorbije jaren 40 werknemers uit het leven stapten. En nu is er het schrijnende geval in het Bergense bedrijf Mactac. De kranten berichtten zopas over de 54-jarige fabrieksarbeider Daniël M, die niet alleen gepest werd maar ook op een Abu Ghraib-achtige manier gemarteld door collega’s. De man zit nu al drie jaar thuis met posttraumatische stress. Ook het Gentse bedrijf Arcelor Mittal heeft zopas twee werknemers ontslagen die een jaar lang een arbeider zwaar hadden vernederd.

Aanvaarde gedragspatronen
Opmerkelijk vind ik dat pestgedrag dikwijls een gevolg is van aanvaarde gedragspatronen binnen organisaties. Anno nu hebben bedrijven meestal geen duidelijke structuren en het personeel heeft vaak geen nauwkeurig afgebakende functie. Elke werknemer wordt aangemoedigd om zijn eigen rol te definiëren en zijn plek te veroveren binnen het ingewikkelde web van rivaliteiten en invloedssferen. Dat geeft aanleiding tot hard en dominant gedrag, dat soms zelfs aangemoedigd wordt. Zo is pestgedrag vaak een manier om status te doen gelden en macht te verwerven.

Overigens blijkt uit een enquête van het Franse onderzoeksbureau Ipsos daterend van het jaar 2000 dat liefst één op de drie werknemers zich gepest voelt. Eurofount, de Europese Stichting tot verbetering van  de levens- en arbeidsomstandigheden, kwam in 2003 op hetzelfde cijfer uit. Ik kan me niet voorstellen dat de situatie er in de tussentijd op verbeterd is. 

En wie zijn de slachtoffers? Ze bekleden meestal een lagere functie, zijn timide, bezitten weinig zelfvertrouwen en hebben een laag zelfbeeld. Vaak zijn ze emotioneel instabiel en stellen ze zich passief op. Ze zijn overwegend 45 tot 50 jaar oud en veelal gaat het om vrouwen.

Ook over de pesters is een en ander bekend. Het geval van de arbeider uit Bergen doet sterk denken aan het onderzoek van Roy Baumeister van Florida State University. Hij stelde in 1996 vast dat een bovenmatig zelfvertrouwen tot agressief en zelfs tiranniek gedrag kan leiden. Een tweede type pestgedrag houdt volgens Baumeister verband met de weinig ontwikkelde sociale vaardigheden van de pester. Mensen met weinig of geen controle over hun emoties reageren zich dikwijls af op ondergeschikten. Het gebrek aan inlevingsvermogen dat ermee gepaard gaat is vooral duidelijk wanneer mensen één zelfde ondergeschikte pesten.

Het wrede brein
Maar hoe zit dat met gruweldaden? Wreedheid is in elk geval niet iets waar uitsluitend gekken en van nature slechte mensen zich aan bezondigen. Als ik de Britse schrijfster/wetenschapper Kathleen Taylor bel voor een gesprek over haar boek Het wrede brein, wijst ze me beschaafd terecht wanneer ik opmerk dat er volgens haar blijkbaar geen slechte mensen bestaan. ‘Wat ik zeg, is dat kwaad als een soort bovennatuurlijke bezetenheid niet bestaat,’ aldus Taylor, ‘en dat het ook niet in iemands natuurlijke aanleg zit.’ Volgens haar moet je heel voorzichtig zijn met het opplakken van dat etiket. Mensen die wij als echt slecht beschouwen, kunnen vanuit hun eigen oogpunt uit andere motieven handelen.’ In haar boek noemt ze in dat verband het voorbeeld van wreedheden begaan uit liefde. Soldaten die moorden uit liefde voor hun makkers, hun land, hun gezin thuis.

Wreedheid bevindt zich op een continuüm – van de mildste gedachten en het mildste gedrag tot de meest extreme vormen ervan, lezen we in Taylors boek. Een van de oorzaken ervan berust op een mechanisme in onze hersenen. Zo maakt het activeren van een neuraal pad het een volgende keer eenvoudiger om eraan gerelateerde of overlappende paden te activeren. Over wreedheid praten maakt het makkelijker om ook wreed te handelen, tenzij het praten erover snel wordt gestraft.



‘Wij en zij’ en walging
Het meest opmerkelijke dat Kathleen Taylor – althans volgens mij – te melden heeft is, wat ze zegt over het (evolutionaire) verband tussen walging en wreedheid.

Een passage uit ons vraaggesprek:

Taylor: ‘Ik heb speciaal de nadruk gelegd op de grote rol van walging, omdat die tot nu toe grotendeels over het hoofd is gezien. Walging is een soort sociale poortwachter die ons instinctief laat weten wie erbij hoort en wie niet, wie één van ons is en wie niet. Dat is een cruciaal onderscheid voor mensen. Die lijn kun je zelfs doortrekken naar het genetisch niveau.

Er bestaat een verhaal over de evolutionaire oorsprong van wreedheid. De situatie waarin primitieve mensen leefden zou de behoefte hebben geschapen om heel snel het onderscheid te kunnen maken tussen Wij en Zij. De evolutie heeft toen gedaan wat ze altijd doet: een bestaand mechanisme kapen en het bijstellen, zodat het zo goed mogelijk functioneert. Daarom spelen symbolen een grote rol – denk aan Wilders en de Koran. Dat is een symbolisch boek, en symbolen zijn bedreigend.'

- En walging?
Taylor: ‘Walging is een natuurlijk mechanisme dat mensen toelaat om te gaan met dingen die je niet kunt zien of aanraken en die toch ‘gevaarlijk’ zijn, hoewel ze zelf geen kwaad kunnen doen. Ideeën lijken dus op ziekteverwekkers. Als je die mensen beziet als ziekteverwekkend, reageer je tijdens een stresserend conflict op hen alsof ze weerzinwekkende objecten zijn.’
 
Als we de wreedheid willen uitbannen, dan moeten we het fenomeen ontrafelen, en in al zijn complexiteit en gelaagdheid begrijpen.

Poesjkin is terug. Gisteravond zat hij opeens op de richel bij de buren. Vanochtend als ik de deur open om buiten te gaan, staan er twee jongemannen voor de deur, keurig in het pak. Het zijn Jehovah’s Getuigen. Voordat ik mij uit de voeten kan maken, krijg ik een exemplaar van De Wachttoren van ze. ‘Waarom doen mensen slechte dingen?’ staat in grote letters op de omslag.

Het is een vraag die ons nooit zal loslaten. En dat is maar goed ook.


In Psyche&Brein nr. 6, uit op 9 december, vindt u uitgebreide bijdragen over pesten op het werk, mensen die het liegen niet kunnen laten en last but not least het wrede brein. 



Geschreven in Maatschappij | 9 Reacties | Vaste link | Afdrukken


1 2 3  Volgende»