SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Darwin-festijn in Cambridge

20. November 2008, 13:35

U hebt wellicht al meermaals gehoord of gelezen dat 2009 gebombardeerd werd tot Darwin-jaar -tenzij u de voorbije maanden doorgebracht hebt op Mars, of in een van de vele uithoeken van Amerika. Charles Robert Darwin (1809-1882) zou volgend jaar maar liefst 200 jaar geworden zijn, ware het niet dat de dood daar een stokje voor gestoken heeft. Tegelijkertijd ligt zijn magnum opus, On The Origin Of Species, precies 150 jaar in de betere boekhandel. Reden genoeg om te vieren, hoor ik u zeggen, en in Cambridge (UK) hebben ze dan ook grootse plannen.

Darwin en Cambridge
Waarom Cambridge? Wel, een betere vraag is wellicht: waarom niet? Om te beginnen is Darwin een alumnus van Christ’s College, een van de vele onderwijsinstellingen annex studentenresidenties in Cambridge. Meteen na het afstuderen voer hij gedurende vijf jaar de wereld rond op de HMS Beagle. De specimens die hij onderweg te pakken kreeg, verstuurde hij meteen naar zijn mentor in Cambridge, de bioloog John Stevens Henslow. Na zijn reis keerde Darwin terug naar Cambridge, en gebruikte zijn collectie om een nieuwe, baanbrekende hypothese te staven: evolutie door natuurlijke selectie. Het overgrote deel van Darwins collectie, gaande van de bekende galapagos-vinken tot zijn persoonlijke microscoop, bevindt zich nog steeds in Cambridge, verspreid over de verschillende musea en faculteiten in de stad: The Museum of Zoology, The Sedgwick Museum of Earth Sciences, The Whipple Museum of the History of Science, enzovoort. In de universiteitsbibliotheek worden zijn notitieboekjes, manuscripten, briefwisseling (meer dan 14000 brieven naar 2000 correspondenten!) en zelfs zijn persoonlijke bibliotheek bewaard. Ten slotte is er ook nog het Darwin College in Cambridge – een reeks van prachtige gebouwen die opgekocht werden door een van Darwins zonen, en ingericht werden als verblijfplaats voor studenten. Darwin College organiseert overigens jaarlijks een uitstekende lezingenreeks. Het thema van dit jaar hoef ik niet meer te verklappen, denk ik. Een groot deel van deze instellingen zullen hun deuren openen tijdens het Darwin-jaar; een aantal onder hen grijpen de gelegenheid aan om thema-tentoonstellingen te organiseren.

Het Darwin Festival (5-10 juli 2009)
Het hoogtepunt van deze Darwin-manie is uiteraard het vijfdaagse Darwin Festival 2009, ook in Cambridge. Het is één langgerekte reeks van workshops, seminaries en lezingen, geleid door de fine fleur van het hedendaagse darwinisme. Een greep uit het overweldigende aanbod van sprekers: Richard Leakey, de befaamde Keniaanse paleoantropoloog en politicus; Sir David Attenborough, bekend van zijn verrukkelijke natuurdocumentaires; Richard Dawkins en Daniel Dennett, moderne kruisvaarders van het darwinisme; Janet Browne, auteur van een van de beste Darwin-biografieën; en Randolph Nesse, een van de grondleggers van de evolutionaire geneeskunde en evolutiepsychiatrie (jaja, er is een verband met het thema van mijn blog). Het zijn stuk voor stuk begenadigde sprekers, met een indrukwekkende staat van dienst. Het enige minpunt van de organisatie is dat het inschrijvingsgeld behoorlijk hoog is (250 pond voor vijf dagen, exclusief maaltijden en overnachting), en dat u zich voorlopig enkel kan inschrijven voor het volledige programma. Inschrijven kan vanaf maandag 24 november 2008.

Een bezoekje waard
Moest u nog wat tijd over hebben kan u ook deelnemen aan een aantal gegidste themawandelingen door Cambridge, op zoek naar sporen van Darwin. Of u kan ook gewoon op eigen tempo rondkuieren in de stad, de prachtige kruidtuin bezoeken, een dutje doen in een van de vele parken langs de rivier Cam, of de lokale culinaire specialiteiten uitproberen.
Een stinkende bisschop, bijvoorbeeld, of een lauwwarm biertje zonder schuim. Cambridge is een mooie stad, en ik kan het weten. Ik woon er...

                                            



Geschreven in Algemeen | 8 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Een gek met een gave

21. Juli 2008, 15:50

Enige tijd geleden toonde VTM een fascinerende documentaire over Stephen Wiltshire, een jonge Londense autist annex kunstenaar die naam maakte in de kunstwereld met fabelachtig gedetailleerde schetsen van allerlei bekende gebouwen in de wereld. Belangrijk detail: hij maakt die schetsen niet ter plaatse. De reportage toonde Stephens werkwijze: een korte, zijdelingse blik op het gebouw, en dan rechtsomkeer, huiswaarts, om de visuele scan om te zetten in een prachtige pentekening. Zonder franjes of hippe kleuren. Gewoon, met een dunne zwarte stift, die hij op een aandoenlijk kinderlijke manier in zijn hand hield. En vooral: met een waanzinnige precisie. Als een gebouw 19 verdiepingen telt en 649 raampjes, dan tekent Stephen 19 verdiepingen en 649 raampjes. ‘Correct is correct’, is zijn motto.

 

Wiltshire is een zogenaamde savant, een ‘gek met een gave’. Savanten zijn vaak grotendeels zwakzinnig, maar schitteren niettemin met een zeer specifieke artistieke of intellectuele begaafdheid (zie een overzichtsartikel in Scientific American voor enkele voorbeelden). Stephens talent ligt duidelijk in zijn monstergeheugen. Specialisten spreken van een ‘eidetisch geheugen’ – de mogelijkheid om in zeer korte tijd een gigantische hoeveelheid gedetailleerde informatie op te nemen, en lange tijd in het geheugen te bewaren. Aan de andere kant is Stephen ook meer dan een menselijke kopieermachine. Of zijn tekeningen ook een artistieke waarde hebben kan uiteraard alleen door Jan Hoet beslist worden, maar het is duidelijk dat ze eerder een reconstructie zijn van Stephens blikveld (ook al zijn ze bijzonder werkelijkheidsgetrouw) dan een reproductie. Veel commentatoren hebben opgemerkt dat zijn tekeningen niet alleen de details, maar ook de sfeer van een gebouw goed weergeven. Ook al kan Stephen die sfeer zelf niet omschrijven.

 

Savantisme lijkt een mooie illustratie van een van de meest populaire evolutiepsychiatrische verklaringsmodellen, met name van het trade offtrade off model (zie mijn boek voor meer achtergrondinformatie). Zou het kunnen dat dit fenomeen de missing link is die ervoor gezorgd heeft dat autisme al die tijd in het menselijk genoom bewaard gebleven is? De achterliggende gedachte is dan dat de uitzonderlijke creativiteit die savanten vertonen een compensatie zou bieden voor de symptomen waarmee ze kampen. In het geval van Stephen: een verbijsterend zwakke verbale intelligentie, een duidelijk gebrek aan communicatieve vaardigheden, en allerlei ‘typisch autistische’ tics en stereotypieën. Die hypothese is echter betwijfelbaar.

 

Ten eerste is het zeer onduidelijk of er bij savanten überhaupt sprake is van enige creativiteit. Stephens tekentalent lijkt een onmiskenbare uiting van artistieke creativiteit, maar verliest een beetje van zijn glans wanneer men het vergelijkt met de talenten van rekenwonder-savanten. Zo is er het geval van Jedediah Buxton, een eenvoudige arbeider die op eenvoudig verzoek het kwadraat berekende van 2 tot de 139ste macht. Uit zijn hoofd uiteraard. Na tweeënhalve maand presenteerde de uitkomst zich aan zijn bewustzijn. Al die tijd had hij een gewoon leven geleid: gegeten, geslapen, gevreeën, en gesprekken gevoerd. ‘Ergens in zijn hoofd’ werden voortdurende berekeningen gemaakt, maar daar had hij geen toegang toe. Nog een ander voorbeeld van een savantistisch talent is hyperlexie. Er zijn namelijk kinderen die op akelig vroege leeftijd (soms zelfs al in hun derde levensjaar) de krant kunnen voorlezen aan hun familieleden, ook al begrijpen ze geen jota van wat er staat. Beide laatste vormen van het savant-syndroom geven aan dat het niet evident is om zulke talenten als uitingen van creativiteit te beschouwen. Vereist creativiteit dan niet meer dan een ‘geestloze’ mechanische activiteit? Verwachten we niet ergens dat een creatief proces voortvloeit uit de persoonlijkheid van zijn schepper? Ook in het geval van Stephen kan men moeilijk spreken van creativiteit. Zo viel het me op dat hij, bij het tekenen van een gigantische skyline van zijn thuisstad, tegelijkertijd allerlei andere dingen kon doen: een praatje slaan met voorbijgangers, muziek beluisteren,... Ook Stephens houding tegenover zijn ‘kunstwerken’ is minstens ambigu te noemen: zodra ze klaar zijn laten ze hem Siberisch koud. Hij toont met andere woorden niet de trots die een ‘echt’ creatief genie aan de dag zou leggen.

 

Een tweede tegenwerping tegen de gedachte dat savantisme een prototype zou kunnen zijn van een evolutionaire packagedeal, is dat de genoemde talenten weinig relevant zijn voor de fitness van hun dragers. Het gaat namelijk om talenten waarvan bezwaarlijk beweerd kan worden dat ze een belangrijk selectief voordeel opleverden in de evolutionaire geschiedenis van onze soort. Lezen en rekenen zijn dermate recente ontwikkelingen dat ze niet ingeroepen kunnen worden als tegengewicht voor de kosten die verbonden zijn met bepaalde geestesziekten, zoals autisme. Die gaan immers al veel langer mee. Tekenen heeft weliswaar een langere voorgeschiedenis, en het lijkt op het eerste gezicht niet onzinnig om te veronderstellen dat Stephens genie voor concrete en mimetische uitbeelding terugwijst naar de eerste grotschilderingen. Maar dan vergeet men dat de persoonlijkheid van savanten vaak erg gehavend is, en dat ze de werkkracht en de social niceties missen om hun talenten te laten renderen.

 

Er is ook nog een derde bedenking bij de hypothese dat de creatieve talenten van savanten hun zwakheden en symptomen zouden verlichten. Onderzoek wijst immers uit dat slechts tien procent van de autistische populatie een savant-syndroom ontwikkelt (en dat, omgekeerd, vijftig procent van de savanten aan autisme lijdt). In absolute termen is dat misschien opzienbarend, maar gegeven de schade die autisme aanricht in het sociale en seksuele leven van patiënten, zou men veel spectaculairdere voordelen verwachten. Inderdaad: het gros van autisten lijden enorm onder hun aandoening (net als hun familie trouwens), en hebben weinig te bieden om dat lijden te compenseren. Het was in dit verband wel interessant om te zien hoe het succes Stephen ten goede had veranderd: de erkenning had zijn aandoening duidelijk milder gemaakt, en zijn ontspannen en open houding stak schril af tegen de jonge autistjes die bij hem op bezoek kwamen, en die zijn onnavolgbare tekenstijl probeerden te imiteren...

 

Voor de geïnteresseerden: de befaamde Amerikaanse neuroloog Oliver Sacks wijdde een volledig essay aan Stephen Wiltshire, in An Anthropologist on Mars. En Jorge Louis Borges gaf een mooie (fictieve) beschrijving van het savant-syndroom in het kortverhaal ‘Funes de allesonthouder’.


Literatuur
 

Adriaens, P. (2008). Het Nut van Waanzin. Essays over Darwinisme en Psychiatrie. Leuven: Acco.

 

Borges, J.L. (1949). ‘Funes de allesonthouder’ in De Aleph en Andere Verhalen. Amsterdam: De Bezige Bij.

 

Sacks, O. (1995). ‘Wondermensen’ in De Vrouw Zonder Lichaam. Amsterdam: Meulenhoff.

 

Treffert, D. & Wallace, G. (2004). ‘Islands of genius’ in Scientific American Mind, januari 2004: 14-23.

 

Treffert, D. (2008). ‘Savant syndrome: Frequently asked questions’. http://www.wisconsinmedicalsociety.org/savant_syndrome/frequently_asked_questions



Geschreven in Algemeen | 5 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Het wonderlijke geval van de bevroren boskikker

15. Mei 2008, 13:26

Het verband tussen een boskikker en een diabeet? Het klinkt misschien als het begin van een slechte mop, maar in werkelijkheid is het een fascinerende denkpiste in het wetenschappelijk onderzoek naar de evolutie van een bepaalde vorm van suikerziekte. Het verband staat centraal in een recent boek van de Amerikaanse bioloog Sharon Moalem: Het nut van ziekte. De kernvraag van het boek is waarom natuurlijke selectie zulke ziekten nog steeds niet weggewerkt heeft. Een van Moalems antwoorden is dat sommige ziekten onze verre voorouders belangrijke voordelen boden. Zo zou een hoog glucosegehalte in het bloed bepaalde individuen beschermd kunnen hebben tegen de extreme koude tijdens de laatste ijstijd. Wat vandaag suikerziekte is, was vroeger dus misschien een nuttige adaptatie.

 

DIABETES

Een korte inleiding in de diabetologie: mensen die aan diabetes of suikerziekte kampen met een teveel aan glucose in het bloed. Bloedsuiker wordt gewonnen uit onze voeding, en wordt met behulp van insuline opgeslagen in onze spieren, lever en vetcellen. Sommige mensen maken om een of andere reden geen insuline meer aan, waardoor hun glucosespiegel pijlsnel de lucht ingaat. Deze vorm van suikerziekte, ‘Type I’ genaamd, is eigenlijk een auto-immuunziekte, en heeft een grotendeels genetische oorprong. Deze diabetici kunnen enkel geholpen worden met een dagelijkse dosis insuline, die meestal met behulp van een injectie wordt toegediend. Opvallend is dat deze vorm bijna uitsluitend in noordelijke landen voorkomt, zoals Zweden, Noorwegen en Finland. Een andere vorm van diabetes, ‘Type II’ genaamd, komt daarentegen overal ter wereld voor, en hangt nauw samen met overgewicht. Zulke diabetici maken nog wel insuline aan, maar niet voldoende om de glucose in hun bloed te verwerken. Naast insuline-injecties worden zij ook geholpen met een speciaal dieet, lichaamsbeweging en gewichtsverlies. De epidemiologie van de eerste vorm van diabetes is intrigerend, zegt Moalem: 'Als een ziekte die ten minste gedeeltelijk wordt veroorzaakt door genetica opvallend vaak voorkomt in een specifieke bevolkingsgroep, wordt het tijd om de evolutionaire wenkbrauwen op te trekken en vragen te gaan stellen. Want dat betekent vrijwel zeker dat een of ander aspect van die eigenschap die tegenwoordig de ziekte veroorzaakt, bijgedragen heeft aan de overleving van eerdere generaties van die bevolkingsgroep ergens in hun evolutionair verleden' (Moalem 2007, 41). Zou het kunnen dat Type I-diabetes onze voorouders ooit van nut geweest is? En hoe en wanneer dan?

ENTER THE FROZEN WOOD FROG

 

De hypothese van Moalem luidt dat de aanleg voor Type I-diabetes ooit een belangrijke rol speelde in onze natuurlijke afweer tegen de koude. Suiker is namelijk een natuurlijk antivriesmiddel dat door verschillende levende soorten, gaande van druiven tot boskikkers, gebruikt wordt om de kou te weerstaan. Vlak voor de eerste vrieskou pompt een boskikker zoveel mogelijk suiker in zijn bloedbaan. Die suiker zorgt er enerzijds voor dat de vloeistoffen in zijn lichaam minder snel bevriezen, en anderzijds dat, wanneer het toch zover komt, de schade aan celwanden en haarvaten beperkt blijft. Tegelijkertijd onttrekt de boskikker zoveel mogelijk water aan zijn bloed. Water bevriest immers, en de daardoor gevormde ijskristallen kunnen heel wat schade aanrichten in het lichaam. Ook hier is de gelijkenis met diabetes markant: diabetici drinken en urineren merkelijk meer dan gemiddeld. Doordat hun urine enorm veel glucose bevat weigeren hun nieren om het vocht opnieuw op te nemen.

 

ONDERKOELDE VOOROUDERS 

 

De gelijkenis tussen de suiker- en waterhuishouding van de boskikker en de diabeticus is markant, maar welk voordeel zou de mens dan hebben bij zo’n vorstbeveiliging? Volgens Moalem is het geen toeval dat Type I-diabetes nagenoeg uitsluitend voorkomt in het hoge Noorden. De mensen die in die gebieden leven hebben altijd meer last gehad van de koude. De huidige koude ginder is echter klein bier in vergelijking met de ijzingwekkende temperaturen die tijdens de zogenaamde ‘Jonge Dryas’ bereikt werden. De Jonge Dryas, ook wel The Big Freeze genoemd, was een periode van ongeveer 1000 jaar (van 12700 tot 11560 jaar geleden) die bekend staat als een van de koudste perioden van de laatste ijstijd. Fossiele resten geven aan dat er in die tijd ook mensen leefden in het hoge Noorden, ondanks het feit dat de toenmalige gemiddelde jaartemperatuur maar liefst vijftien graden lager lag dan de huidige jaartemperatuur. Uiteraard is het zo dat onze toenmalige voorouders wellicht vindingrijk genoeg waren om allerlei sociale en technologische voorzieningen te creëeren die de plotse afkoeling van het klimaat draaglijk maakten. Maar volgens Moalem is het niet onwaarschijnlijk dat sommige mensen van nature beter bestand waren tegen de extreme koude, en dat precies die ‘natuur’ vandaag de dag eerder een vloek is dan een zegen, omdat ze aanleiding geeft tot Type I-diabetes. Vandaag de dag is het immers niet meer zo koud als tijdens The Big Freeze, en zijn we veel minder afhankelijk van de natuurelementen. Van een mismatch gesproken: wat toentertijd een geweldig selectief voordeel bood, leidt tegenwoordig tot een chronische ziekte.

 

SOORT ONDER CONSTRUCTIE

 

Het verhaal van Moalem toont aan dat ons genoom ook in een recenter evolutionair verleden belangrijke veranderingen heeft ondergaan. Ook de Jonge Dryas heeft onze soort vormgegeven, en behoort dus tot onze environment of evolutionary adaptedness (EEA). Dat betekent dat onze voorouderlijke omgeving niet zomaar gelijkgeschakeld kan worden met de oude steentijd (paleolithicum) of het pleistoceen, zoals (sommige) evolutiepsychologen lijken te veronderstellen. Misschien kan men onze EEA beter definiëren als de som van alle selectiedrukken in de evolutionaire geschiedenis van de soort, gaande van klimatologische veranderingen in het pleistoceen tot recente pandemieën als de pest en de Spaanse griep. Al deze omgevingen/gebeurtenissen hebben de mens gemaakt tot wie hij vandaag is. Sommige aspecten van die omgevingen zijn nog steeds relevant, net zoals de adaptaties die we ontwikkelden om ze het hoofd te bieden; andere aspecten vormen geen selectiedruk meer, en de bijbehorende aanpassingen zijn bijgevolg nutteloos of, in het slechtste geval, schadelijk geworden.

 

Hier is een filmpje over Moalems hypothese, op Youtube:

 

 

 

 

 

In mijn volgende blog kom ik terug op het mismatch-probleem, en vertel ik wat meer over een nog onbekende, maar boeiende discipline: de paleopathologie.

 

 

Referenties

Sharon Moalem, K. Storey, M. Percy, M. Peros & D. Perol (2005). 'The sweet thing about Type 1 diabetes: A cryoprotective evolutionary adaptation'. Medical Hypotheses 65: 8-16.  

Sharon Moalem (2007). Het nut van ziekte. Amsterdam: De Bezige Bij. Vertaling van Survival of the sickest. New York: Harper Collins.

 



Geschreven in Algemeen | 9 Reacties | Vaste link | Afdrukken