SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

Meisjes en wiskunde

22. Mei 2013, 08:00

"Heeft hij het nu weer over meisjes en wiskunde", hoor ik sommigen onder u al denken. Dat klopt, weer wiskunde. Het ging hier op dit blog al wel vaker over wiskunde (hier en hier). Onlogisch is dat niet, vrouwen blijven zwaar ondervertegenwoordigd in de wiskundige en aanverwante domeinen. En hoewel de berg wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp al lang niet meer te overzien is, blijft er veel onduidelijkheid (en mystiek) rondom dit onderwerp hangen. Toen ik begin april op de EOS-website een artikel "Meisjes en wiskunde" zag staan klikte ik dat dan ook met veel interesse aan.
 
 
 
Het artikel was van de hand van Marc Seijlhouwer en betrof een korte samenvatting van niet minder dan 3 wetenschappelijke studies die er in de weken voordien gepubliceerd waren. De eerste studie betrof een zogenaamde meta-analyse over de ruimtelijke vaardigheden van jongens en meisjes. Conclusie van deze studie: die ruimtelijke vaardigheden hangen niet samen met iemands geslacht ("ben ik een jongen of een meisje"), maar wel met iemands genderrol en identificatie ("in welke mate associeer ik mij met mannelijke persoonlijkheidskenmerken"). Een duidelijke aanwijzing dat ruimtelijk inzicht niet zozeer "geslachtsbepaald" is, maar meer cultureel, aldus Seijlhouwer.
 
Ook de tweede studie onderstreept die conclusie: hoewel er geen daadwerkelijke verschillen in de prestaties van meisjes en jongens zitten, hebben jongens toch een positievere houding ten aanzien van wiskunde dan meisjes ("ze vinden het leuker" want zoals Barbie al wist: "Math is a boy thing"). Attitudes beïnvloeden logischerwijs de keuzes die mensen maken, hun gedrag en hun prestaties. Niet verwonderlijk dus dat talloze andere onderzoeken al uitvoerig aangetoond hebben dat diegene die minder interesse heeft in wiskunde en diegene die meent dat hij/zij niet zo heel goed is in wiskunde (en dat zijn dan vooral zij’s uiteraard) ook daadwerkelijke slechter scoort op wiskundige tests (los van de eigenlijke capaciteiten). Vaak is het dus inderdaad zoals Seijlhouwer het samenvat: "Omdat meisjes denken dat ze slechter zijn in technische vakken zoals wiskunde, zijn ze er ook slechter in".
 
De derde studie ten slotte onderzocht of er verschillen zijn in de wiskundige prestaties van jongens en meisjes (een "wiskundekloof") in 75 verschillende landen op basis van het Programme for International Student Assessment (PISA). Over dit onderzoek beweert Seijlhouwer dat het aantoont dat "meisjes in alle 75 onderzochte landen slechter waren in wiskunde". Dat is echter niet correct! Zoals immers reeds in de samenvatting van het artikel te lezen staat: "There are countries without a sex difference in mathematics performance, and in some countries girls scored higher than boys". Volledig in overeenstemming met voorgaand onderzoek (zie bijvoorbeeld deze figuur gebaseerd op onderzoek van de OESO). Opvallend genoeg besteed Seijlhouwer geen aandacht aan een van de belangrijkere conclusies van deze laatste studie. Anders dan voorgaand onderzoek vond deze studie immers geen verband tussen de mate waarin er in een land een wiskundekloof is en de mate van "gendergelijkheid" van dat land. Nochtans zou men verwachten, zoals bepaalde studies ook hebben aangetoond, dat het verschil tussen jongens en meisjes (inzake wiskundige prestaties) kleiner zou zijn in landen met meer gendergelijkheid.
 
 
Wat betekent dit nu alles? Volgens Seijlhouwer is het opvallend dat de wiskundekloof in alle landen aanwezig is (voor alle duidelijkheid: dat is dus niet zo). In combinatie met de resultaten van de andere studies concludeert hij daarom dat het zou kunnen dat de vooroordelen en stereotiepe opvattingen over meisjes en wiskunde geen typisch Westers gegeven zijn, maar dat ze "overal waar zijn".
 
Dat er in werkelijkheid ook landen zijn waar de wiskundekloof afwezig is (of waar meisjes beter scoren), hoeft de conclusie van Seijlhouwer niet noodzakelijk te weerleggen. Het gegeven dat er blijkbaar geen verband bestaat tussen de mate van die wiskundekloof en de mate van gendergelijkheid van dat land, lijkt echter wel problematisch voor zijn conclusie. Als de wiskundekloof immers niet verdwijnt (of minstens verkleint) in landen met een grotere mate van gendergelijkheid, hoe zwaar wegen die culturele factoren dan eigenlijk wel door? Is het dan inderdaad wel echt zo dat het vooral (cultureel gevoede) attitudes zijn die meisjes voor andere dan wiskundige richtingen en carrières doen kiezen, dat (cultureel gevoede) identificatie met "mannelijke" identiteitskenmerken daar een impact op heeft, dat …?
 
CULTUUR DOET ERTOE
 
De bewijslast inzake het belang van culturele factoren om de wiskundige prestaties van meisjes (en jongens) te verklaren, hun attitudes ten aanzien van wiskunde en de gevolgen daarvan voor hun studie- en beroepskeuzes is enorm. Culturele elementen (bijv. identificatie met de mannelijke genderrol, stereotiepe opvattingen over meisjes en wiskunde) hebben zonder enige discussie inderdaad een impact hebben op de wiskundige prestaties van meisjes en jongens, op hun voorliefde/afkeur voor wiskunde, op de (studie- en beroeps)keuzes die ze maken, etc. Daar bestaat geen enkele discussie over! Waarom is die wiskundekloof dan toch niet gelinkt aan de gendergelijkheid van een land? Daar zijn een aantal mogelijke verklaringen voor.
 
 
Ten eerste is het zo dat maatstaven van genderongelijkheid ons weinig tot niets leren over de mate waarin een samenleving gebukt gaat onder stereotiepe gender-opvattingen, seksisme en dies meer. De Gender Inequality Index (GGI) bijvoorbeeld geeft weer in welke mate er in een land ongelijkheid bestaat tussen mannen en vrouwen in termen van gezondheid, onderwijs, politieke vertegenwoordiging, economische mogelijkheden en arbeidsmarktparticipatie. Hoe belangrijk al die zaken ook zijn, ze hebben zeer weinig te maken met culturele (stereotiepe) opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid, over verwachtingspatronen voor jongens en meisjes, etc. Hoewel het duidelijk is dat seksisme en genderongelijkheid aan elkaar gerelateerd zijn, zijn seksisme en stereotiepe genderverwachtingen ook aanwezig in gendergelijke(re) samenlevingen. Men hoeft het Europese waardenonderzoek er maar op na te slaan om dat te beseffen. Ook vandaag de dag vinden in België bijvoorbeeld een hele hoop mensen dat mannen meer recht hebben op een job dan vrouwen wanneer jobs schaars zijn, dat vrouwen kinderen moeten krijgen om zichzelf te kunnen vervullen (en dat geldt uiteraard niet voor mannen), dat wat vrouwen eigenlijk echt willen "een huis en kinderen" is en dat vrouwen minder dan mannen in staat zijn om in relatie met hun emoties om te gaan.
 
Daarnaast speelt er mogelijk nog een tweede verklaring een rol. In een uitstekend artikel uit 2009, deden de sociologen Maria Charles en Karen Bradley een opmerkelijke vaststelling: in economisch sterker ontwikkelde landen (en dat zijn vaak landen met minder genderongelijkheid) zijn onderwijsdomeinen zoals wiskunde veel sterker gender-getypeerd (d.w.z. cultureel gelinkt aan jongens of meisjes). Opmerkelijk genoeg leeft dus in een land als Noorwegen veel sterker het idee dat wiskunde iets "mannelijks" is, iets voor jongens, dan in bijvoorbeeld Bulgarije. (Ter info, in de recentste GGI stond Noorwegen als 3de gerangschikt, Bulgarije als 52ste; België 12de.) Bovendien speelt er in zulke samenlevingen nog iets anders: het geloof (en de maatschappelijke prikkels) voor "zelfontplooiing". Dat leidt volgens Charles en Bradley tot een situatie in deze samenlevingen van "endulging our gendered selves". Kort samengevat: in samenlevingen zoals de onze geldt het volgende: (a) er bestaat een sterke culturele opvatting dat wiskunde iets voor jongens is en (b) er bestaat een sterk geloof dat we "zelfexpressie" moeten nastreven en "onze ware aard" moeten volgen en najagen. De combinatie van die twee factoren leidt ertoe dat in samenlevingen zoals de onze jongens meer geneigd zullen zijn om voor wiskundige richtingen te kiezen (ze ontvangen daar meer maatschappelijke prikkels voor dan meisjes en stimuleren zichzelf ook meer om daarin geïnteresseerd en goed te zijn).
 
Alles in acht genomen is het uiteindelijk dus toch ook weer niet zo heel verwonderlijk dat er geen (duidelijk, rechtlijnig) verband bestaat tussen de wiskundekloof en de mate van gendergelijkheid van een land.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


6 weken zomervakantie volstaan!

03. Mei 2013, 18:35

Het voorstel van CD&V om de zomervakantie in te korten tot zes weken is de logica zelve. Toch stonden onmiddellijk na de bekendmaking van de CD&V-congresteksten alle lerarenkamers in Vlaanderen op hun kop, stonden de onderwijsvakbonden op hun achterste poten en schoot ook de katholieke onderwijskoepel het voorstel af.

 

'Ondoordacht' en 'kort door de bocht' zijn maar enkele van de termen die er richting het voorstel werden gekatapulteerd. Het is onvoorstelbaar dat de zogenaamde progressieve krachten in dit land met scherp schieten op een voorstel dat al lang praktijk had moeten zijn. Het opmerkelijke aan dit verhaal is niet het voorstel van CD&V zelf, maar het feit dat dit nu pas ernstig op de politieke agenda lijkt te worden geplaatst. Socioloog Ignace Glorieux van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) pleit al zowat 15 jaar voor een herziening van de schoolkalender. Het gaat daarbij voor alle duidelijkheid niet om een verlening van de totale schooltijd, die blijft onveranderd: 37 lesweken en 15 vakantieweken. Waar het om gaat is dat die schooltijd beter gespreid kan en zou moeten worden. Glorieux formuleerde daarom ooit het volgende voorstel: de zomervakantie met twee weken inkorten en de herfst- en lentevakantie elk met een week uitbreiden; de lesperiodes tussen de vakanties allemaal min of meer gelijkstellen (7 à 8 weken) door ze los te koppelen van de variabele feestdagen.
 
De argumenten daarvoor zijn krachtig. Al sinds de publicatie van Summer Learning and the Effects of Schooling van Barbara Heyns in 1978 is geweten dat kinderen tijdens de schoolvakanties het gevaar lopen van te vergeten en te "ontleren". Vooral tijdens de (te) lange zomervakantie. Tal van wetenschappelijke studies hebben dat sindsdien bevestigd (e.g., Alexander et al. 2007Cooper et al. 1996). Het zijn bovendien vooral kinderen uit de zwakkere sociale groepen die getroffen worden door de negatieve effecten van de schoolvakanties. Kinderen uit sociaal sterkere gezinnen worden ook buiten de schoolmuren blootgesteld aan sociale en culturele activiteiten. Voor hen blijven de negatieve effecten van schoolvakanties daardoor beperkt, zij leren gewoon verder buiten de schoolmuren. Dat geldt echter niet voor kinderen die opgroeien in slechtere sociale omstandigheden; voor kinderen die thuis geen of slecht Nederlands horen spreken, die thuis geen boeken lezen, die niet op taal- of sportkamp gaan, etc. Voor kinderen uit sociaal zwakkere milieus staan (lange) schoolvakanties gelijk aan het opnieuw inleveren van kennis, vaardigheden en attitudes die ze eerder op school hadden verworven.
 
 
De huidige schoolkalender treft op die manier de sociaal zwakkere kinderen uit onze samenleving oneerlijk hard en draagt onbedoeld bij tot de instandhouding van sociale segregatie en ongelijkheid. Het is dan ook uitermate pervers dat de non-argumentatie die we tot op heden gehoord hebben tegenover het CD&V voorstel betrekking hebben op de geneugten van de sociaal sterkere groepen uit de samenleving: de kampen die volop in de zomervakantie worden georganiseerd, de mogelijkheden om (meerdere) lange reizen te maken tijdens de zomervakantie, etc. De waarheid is dat er niemand fundamenteel geschaad wordt door het anders indelen van de bestaande schoolkalender. De baten zijn echter onmiskenbaar: het is verreweg de eenvoudigste maatregel die er kan worden genomen om de sociale gelijkheid in onze samenleving een heel klein beetje terug te dringen. Applaus dus voor CD&V en awoert voor alle conservatieve krachten die de voorbije dagen op de barricades zijn geklommen voor de heilige zomervakantie!


Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Erotisch kapitaal

03. April 2013, 08:16

Wat hebben Catherine Deneuve, Pierce Brosnan, Madonna, Sean Connery, Christine Lagarde, David Beckham, Michelle Obama en Carla Bruni gemeen? Ze bezitten allen de nodige portie erotisch kapitaal.

 

De bekende Franse socioloog Pierre Bourdieu introduceerde in de jaren '80 het onderscheid tussen economisch, cultureel en sociaal kapitaal. Economisch kapitaal is wat je hebt, het omvat goederen en hulpbronnen die een directe monetaire waarde vertegenwoordigen (bijv. geld en onroerend goed). Cultureel kapitaal is wat je kent, het bestaat uit hulpbronnen zoals kunst en kennis (eventueel geïnstitutionaliseerd door middel van onderwijskwalificaties). Sociaal kapitaal ten slotte is wie je kent, het betreft de hulpbronnen ("connecties") die toegang geven tot bepaalde netwerken, relaties en groepen. Zowel cultureel als sociaal kapitaal kan onder bepaalde voorwaarden worden omgezet in economisch kapitaal. Zulke omzettingen zijn echter niet kosteloos, ze vereisen een inspanning ("transformatie-arbeid"). Zo kan men er bijvoorbeeld voor kiezen om economisch kapitaal om te zetten in cultureel kapitaal door een jarenlange academische opleiding (biologie, geneeskunde, economie, …) te doorlopen. Of je kunt sociaal kapitaal aanwenden om economisch kapitaal te vergaren, door via relaties een nieuwe (beter betaalde) job te verwerven.

In recent werk heeft de Britse sociologe Catherine Hakim beargumenteerd dat er naast de drie traditionele kapitaalsvormen (economisch, sociaal en cultureel) nog een vierde vorm moet worden onderscheiden: erotisch kapitaal. Erotisch kapitaal is volgens Hakim opgebouwd uit een zestal elementen: (1) schoonheid, (2) seksuele aantrekkelijkheid ("sex appeal"), (3) sociale "vaardigheden" zoals charme, (4) levendigheid (wat meestal tot uitdrukking komt in dans of sportactiviteiten), (5) sociale presentatie (bijv. kledingstijl en accessoires) en (6) seksualiteit. Laat u dus niet misleiden door de term erotisch kapitaal, de term erotisch kapitaal is enigszins misleidend voor datgene waar Hakim naar verwijst: de meeste van de elementen waar erotisch kapitaal uit opgebouwd is, blijken maar weinig of niets met seksualiteit of erotiek te maken te hebben.

HET VROUWELIJK VOORDEEL

Het belang van erotisch kapitaal ligt hem volgens Hakim deels in het feit dat, over het algemeen, vrouwen over meer erotisch kapitaal beschikken dan mannen. Vrouwen hebben op dit vlak dus een voordeel dat ze zouden kunnen (moeten?) aanwenden om de nog steeds bestaande genderongelijkheid te bestrijden en weg te werken (ook in het Westen beschikken vrouwen vandaag de dag nog altijd over minder economisch, sociaal en cultureel kapitaal dan mannen). Onderzoek toont inderdaad ook aan dat erotisch kapitaal aangewend kan worden ten voordele van de bezitter. Mensen die over meer erotisch kapitaal beschikken (bijv. aantrekkelijkere mensen) doen het bijvoorbeeld beter op de huwelijksmarkt (i.e. ze geraken makkelijker aan een partner en hun partners zijn doorgaans succesvoller). Aantrekkelijke mensen krijgen ook eenvoudiger leningen toegewezen, ontsnappen vaker aan strenge gevangenisstraffen en zijn over het algemeen geliefder en gelukkiger. En ook op de arbeidsmarkt biedt bezit van een fikse portie erotisch kapitaal zijn voordelen. Zo zijn bijvoorbeeld aantrekkelijkere mensen over het algemeen succesvoller en verdienen ze meer. Het lijstje voordelen lijkt overigens quasi eindeloos blijkens recente boeken zoals Beauty Pays: Why Attractive People are More Successful (Daniel Hamermesh, 2011) en The Beauty Bias: The Injustice of Appearance in Life and Law (Deborah Rhode, 2011). Bovendien blijkt dat vooral vrouwen gebaat zijn bij het bezit van erotisch kapitaal.

 

Het idee van erotisch kapitaal en de implicaties die Hakim daaraan verbindt zijn echter minstens om twee redenen problematisch: (1) erotisch kapitaal vermindert snel in waarde; en (2) erotisch kapitaal biedt geen garanties.

DE WAARDE VAN EROTISCH KAPITAAL

Alle kapitaalsvormen zijn (in zekere mate) onderhevig aan waardevermindering (computers, auto's, tuinmeubelen, ... de meeste zaken verliezen aan waarde door de tijd heen). Feit is echter: erotisch kapitaal is sterker onderhevig aan waardeverlies doorheen de tijd dan economisch, cultureel en sociaal kapitaal. Vrouwen (en mannen) kunnen ook op latere leeftijd nog over een serieuze dosis erotisch kapitaal beschikken, maar het is niettemin overduidelijk dat erotisch kapitaal sterk samenhangt met leeftijd.

Dat volgt overigens ook rechtstreeks uit Hakim's eigen argumentatie. Hakim stelt immers dat vrouwen een comparatief voordeel hebben tegenover mannen met betrekking tot het aanwenden van erotisch kapitaal omdat mannen meer in seks geïnteresseerd zijn (Hakim spreekt in dit verband van het "male sex deficit"). Zoals echter genoegzaam bekend is (zie bijv.
de blog van Mark Nelissen): mannen verkiezen jonge vrouwen! Erotisch kapitaal is vanuit dat oogpunt dus eerder een slechte investering. Ter herinnering: het omzetten van de ene kapitaalvorm in de andere is mogelijk, maar niet kosteloos. Wie investeert in het opbouwen van erotisch kapitaal die doet misschien op korte termijn wel profijt, maar op lange termijn kan toch worden verwacht dat investeringen in andere kapitaalsvormen een hoger rendement met zich zullen meebrengen.

EROTISCH KAPITAAL BIEDT GEEN GARANTIES

Zoals eerder gesteld is de term erotisch kapitaal eerder ongelukkig gekozen omdat de meeste elementen immers geen seksuele of erotische inhoud hebben. De term erotisch kapitaal is echter mogelijk nog om een andere reden slecht gekozen. Kapitaal (in zijn verschillende verschijningsvormen; economisch, cultureel, sociaal) kan men immers verwerven en bezitten. Ten dele kan men ook erotisch kapitaal verwerven (hoewel de vraag zich stelt of men het ook kan accumuleren), maar men kan het niet bezitten (overdracht is overduidelijk ook niet mogelijk – waar dat voor andere kapitaalsvormen minstens deels mogelijk is). Men kan erotisch kapitaal niet bezitten omdat erotisch kapitaal ten gronde perceptie is. Wie rijk is aan geld (economisch kapitaal), vaardigheden (cultureel kapitaal) of relaties (sociaal kapitaal) die heeft iets tastbaars, concreet in handen. Wie erotisch kapitaal "bezit" heeft slechts de mogelijkheid om dat kapitaal aan te wenden zolang anderen dat erotisch kapitaal herkennen: heeft de keizer kleren aan? Bovendien is het gebruik van erotisch kapitaal voor vrouwen een tweesnijdend zwaard. Enerzijds kunnen vrouwen als "onvoldoende vrouwelijk" worden beoordeeld. En zoals gezegd: wie aantrekkelijk wordt bevonden wordt als intelligenter en competenter beschouwd. Anderzijds bestaat voor vrouwen het gevaar om als "te vrouwelijk" te worden bestempeld. Dat is niet zonder gevaar want onderzoek (bijv. Heflick and Goldenberg 2009) toont aan dat wanneer mensen focussen op een vrouw haar uiterlijk ze haar als minder intelligent en competent beschouwen. Hoewel aantrekkelijke vrouwen dus vermoedelijk inderdaad een streepje voor hebben pas je als vrouw toch maar beter op met het prominent uitspelen van je uiterlijk.

 

SEKSISME

Tot slot nog een laatste bedenking. Op het einde van de introductie van haar boek Honey Money: The Power of Erotic Capital schrijft Hakim: "Why does no one encourage women to exploit men whenever they can?" [Met "exploit" bedoelt Hakim dat vrouwen gebruik zouden moeten maken van hun erotisch kapitaal; bijvoorbeeld door op de werkvloer te flirten en speels om te gaan met hun mannelijke collega's.] Mocht een man schrijven: "What is wrong with men exploiting women whenever they can?", dan zouden we dat terecht seksitisch vinden. Hakim verwijt radicale feministes dat ze de heersende moraal (die vrouwen ontmoedigt om hun erotisch kapitaal aan te wenden) versterken. Zelfs indien dat waar is, lijkt me dat nog steeds te verkiezen boven de seksistische gedragscode die Hakim blijkbaar voorstaat. Daar kan volgens mij geen zinvol mens zich achter scharen.

Wie Catherine Hakim graag zelf aan het woord wil horen die kan zich op dinsdag 14 april overigens naar Brussel begeven, dan organiseert de culturele organisatie het Vlaams-Nederlands huis deBuren immers een (gratis) lezing en interview met Hakim.



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Vrouwen en oorlog

23. Oktober 2012, 07:41

Vrouwen worden vaak afgeschilderd als vredelievend. Vrouwen zouden bijvoorbeeld van nature uit minder gewelddadig zijn dan mannen. Dat is een behoorlijk wijdverbreide opvatting, in die mate zelfs dat we gerust kunnen spreken van een beeld dat diep in onze cultuur zit ingebakken. Ter illustratie: de combinatie van de termen "women" en "the fairer sex" levert in Google meer dan 3 miljoen ‘hits’ op!

Nu maakt één Amazone wel de winter niet, maar er zijn toch op zijn minst voldoende historische anekdotes die de algemeenheid van de stelling dat vrouwen van nature uit vredelievend zouden zijn eerder twijfelachtig maken (denk bijvoorbeeld maar aan Golda Meir, Margaret Thatcher of Indira Ghandi). Omdat de meeste maatschappijen zo georganiseerd zijn dat het vooral mannen zijn die posities van macht bekleden, bevinden vrouwen zich uiteraard minder vaak in posities waarin ze de mogelijkheid hebben om, bijvoorbeeld, ten oorlog te trekken. Simpelweg kijken naar het aantal gewelddaden van vrouwen en mannen of het aantal maal dat een oorlog door een vrouwelijke dan wel mannelijke politieke leider werd verklaard zou dus logischerwijs een behoorlijk vertekend beeld geven (er wordt dan immers geen rekening gehouden met opportuniteit). Het moet echter worden onderstreept dat er maar weinig wetenschappelijk bewijs is dat houvast biedt voor de mythe dat vrouwen van nature uit vredelievender of minder tot oorlog geneigd zouden zijn. Er zijn uiteraard wel studies terug te vinden waaruit blijkt dat mannen vaker of sneller geneigd zijn om ten oorlog te trekken (e.g., Johnson et al., 2006), maar alles bij elkaar genomen blijken vrouwen wanneer ze zich in dezelfde positie bevinden als mannen uiterst vergelijkbare keuzes te maken. In zoverre er al verschillen opduiken dan is het zeker niet ten gevolge van het feit dat vrouwen van nature uit vredelievender zouden zijn. 

En toch bestaat er een link tussen vrouwen een oorlog. Twee zelf. Ten eerste gaat oorlog zowat hand in hand met verkrachtingen. In sommige gevallen zijn die verkrachtingen toe te schrijven aan ongedisciplineerde soldaten, maar de geschiedenis telt net zo goed voorbeelden waar verkrachtingen werden aangewend als ‘wapen’. Bosnië, Darfur en Rwanda zijn recente voorbeelden van dat fenomeen, maar het verschijnsel is zo oud als de straat. Na de plunderingen van Roma (400 na Chr.), noemde de heilige Augustunis verkrachting tijdens oorlogstijd bijvoorbeeld een "oud en gebruikelijk kwaad". (In de Economist verscheen hierover vorig jaar overigens een uitstekend, zij het weinig opvrolijkend artikel.) Hoewel vrouwen dus niet "de belangrijkste slachtoffers" van oorlog zijn in de zin dat er meer vrouwen dan mannen het leven laten tijdens oorlogstijd (ook dat is weer een wijdverbreide mythe waarvoor geen wetenschappelijk bewijs bestaat; zie bijvoorbeeld Murray en King, 2002; Reza et al., 2001), brengt oorlog dus wel gruwelen met zich mee waaraan (quasi) uitsluitend vrouwen ten prooi vallen. Een tweede link die er bestaat tussen vrouwen en oorlog doet zich voor onder de vorm van gender-(on)gelijkheid. Een resem recent onderzoek toont aan dat er een positief verband bestaat tussen gender-ongelijkheid en oorlog (zie bijvoorbeeld Caprioli, 2003; Melander, 2005). Dat wil zeggen: landen die gekenmerkt worden door een grotere mate van gender-ongelijkheid zijn tevens landen die conflicten eerder via gewapende weg zullen oplossen. Gender-ongelijkheid en gewapende conflicten (inclusief oorlog) lopen met andere woorden hand in hand. Voorlopig blijft het evenwel onduidelijk hoe die relatie precies in elkaar steekt: (a) zijn landen met meer gender-ongelijkheid sneller geneigd om naar de wapens te grijpen wanneer er zich een conflict voordoet of (b) is frequente blootstelling aan oorlog een oorzaak van grotere gender-ongelijkheid? Toekomstige wetenschappelijk onderzoek zal moeten uitwijzen hoe de relatie precies loopt (en of het bevorderen van gender-gelijkheid dus mogelijk een middel kan zijn om het aantal gewapende conflicten in de wereld terug te dringen).

 

Referenties

Caprioli, Mary (2003) Gender Equality and State Aggression: The Impact of Domestic Gender Equality on State First Use of Force. International Interactions, 29: 195–214.

Johnson, D. D. P., McDermott, R., Barrett, E., Cowden, J., Wrangham, R., McIntyre, M. & Rosen, S. (2006). Overconfidence in wargames: experimental evidence on expectations, aggression, gender and testosterone. Proceedings of the Royal Society of London, Series B, 273: 2513–2520. 

Melander, Erik (2005) Gender Equality and Intrastate Armed Conflict. International Studies Quarterly, 49(4): 695-714.

Murray, C. L. J. en G. King (2002) Armed conflict as a public health problem. BMJ, 324: 346-349 

Reza, A., J. A. Mercy en E. krug (2001) Epidemology of violent deaths in the world. Injury Prevention, 7 (2): 104-111.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Men think about sex all the time

19. September 2012, 07:21

Mannen denken voortdurend aan seks, zowat om de 7 seconden wordt er wel eens gezegd. Waar dat getal (7 sec.) vandaan komt is onduidelijk, maar ook de oorsprong van het idee dat het vooral mannen zouden zijn die geïnteresseerd zijn in seks is raadselachtig.

   

Tijdens het grootste gedeelte van de vorige eeuw was de opvatting dat vrouwen maar weinig geïnteresseerd waren in seks duidelijk gemeengoed. Daar kwam pas enige verandering in tijdens de jaren '60 en '70 (ten tijde van de seksuele revolutie). De befaamde Kinsey-rapporteren (Sexual Behaviour in the Human Male en Sexual Behaviour in the Human Female) werden ook tegen die achtergrond geschreven. Alfred Kinsey voerde zijn onderzoek in de jaren '50 (onder andere) met het specifieke doel om de veronderstelde 'aseksualiteit van de vrouw' te weerleggen. En hoewel de jaren '50 ondertussen wel enige tijd achter ons liggen, sleuren we toch nog steeds een hele hoop mythes en stereotiepe opvattingen uit die tijd met ons mee (bijvoorbeeld de misvatting dat iedereen vroeger in grotere gezinnen leefde dan vandaag de dag het geval is). En hoewel er dus een seksuele revolutie heeft plaatsgevonden kunnen we het ons dus vandaag de dag toch maar moeilijk voorstellen dat er ooit andere ideeën over (vrouwelijke) seksualiteit gangbaar zijn geweest. De waarheid is echter wel degelijk anders.

   

Historische onderzoek toont overduidelijk aan dat eeuwen lang zelf precies het tegenovergestelde werd aangenomen: dat werd verondersteld dat seksuele verlangens en seksueel plezier sterker waren bij vrouwen dan bij mannen. "Vrouwen willen niets anders dan seks", was lange tijd een gangbare gedachte tijdens een groot deel van de geschiedenis (zowel in het Westen als elders).

Een mooi literair voorbeeld daarvan is uiteraard het verhaal van Tiresias in Boek 3 van de Methamorphosen van Ovidius. Het bijzondere aan Tiresias was dat hij/zij zowel man als vrouw was geweest in het leven. Tiresias was dan ook de persoon bij uitstek om als scheidsrechter op te treden toen Zeus en Hera op een dag vlammende ruzie hadden over de vraag wie (de man of de vrouw) nu het meeste plezier beleefde aan seks. Toen die vraag werd voorgelegd aan Tiserius antwoordde die zonder enige aarzeling: "Dat is zonder twijfel de vrouw". (Daar haalde hij zich overigens de woede van Hera mee op zijn hals die hem met blindheid strafte.)



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Onder de kerktoren

22. Augustus 2012, 07:30

Nog niet zo lang geleden overwoog ik zeer ernstig om mijn wetenschappelijke carrière vervolg te geven aan het andere einde van de oceaan. Na menig gesprek met mensen uit mijn nabije omgeving rees daardoor op een gegeven ogenblik bij mij de vraag hoe vaak mensen zich eigenlijk aan zulke avonturen wagen. Of misschien preciezer: hoe ver trekt de gemiddelde mens de wijde wereld in wanneer hij/zij uiteindelijk het ouderlijke huis verlaat?
 
Er bestaat een nogal wijdverbreid (stereotiep) beeld dat de meeste mensen verkiezen om onder de eigen kerktoren te blijven wonen. Toch zeker in Europa, en al helemaal in België. In de V.S. is dat uiteraard veel minder, zijn we al snel geneigd te denken, daar verhuist iedereen van de ene naar de andere kant van het land alsof het niets. Die indruk zie je ook al gauw bevestigd wanneer je in de V.S. met een aantal mensen spreekt en hen vraagt naar hun studie- en werkervaringen (en daarbij uiteraard vergeet dat je "steekproef" ridicuul klein is en bovendien voor geen halve meter willekeurig of representatief). Bestaat er voor die wijdverbreide opvattingen misschien enige wetenschappelijke ondersteuning? Hoewel er een behoorlijk rijke literatuur voor handen is die de "nabijheid" tussen ouders en kinderen bestudeert, bleek het verre van evident om een eenduidig antwoord terug te vinden op mijn nochtans redelijk eenvoudige vraag.
 
De meeste literatuur blijkt te focussen op de timing die mensen er op na houden om het ouderlijke huis te verlaten, maar dus niet zozeer op de bestemming die men er dan op na houdt wanneer men besloten heeft dat de tijd is aangebroken voor een eigen plekje onder de zon. En dat mag toch wel enigszins vreemd worden genoemd want die bestemming bepaalt uiteraard tot op belangrijke hoogte de mate waarin ouders eventueel betrokken kunnen blijven in de (dagdagelijkse) ondersteuning van hun kinderen (ook al worden die nu dan geacht "op eigen benen te staan"). Hoe groter de fysieke afstand tussen het ouderlijke huis en de eigen woonst van zoon of dochter, hoe kleiner uiteraard de kans dat ouders betrokken zullen blijven in de kuis, was en plas van zoon- of dochterlief. Een Nederlandse studie vond bijvoorbeeld terug dat kinderen een veel grotere kans hebben om ouderlijke steun (bijvoorbeeld in de vorm van ondersteuning bij huishoudelijke klussen) te ontvangen wanneer zij binnen een aftstand van 5km van de ouderlijke woonst gaan wonen (Mulder and van der Meer, 2009). Bovendien blijkt uit onderzoek ook dat naarmate de afstand tot het ouderlijke huis toeneemt, kinderen een minder nauw contact onderhouden met hun ouders (Bucx et al., 2008); al is het daarbij uiteraard maar de vraag in hoeverre dat niet eerder oorzaak dan wel gevolg is.
 
Voldoende redenen in elk geval om niet enkel in de timing, maar ook in de afstand geïnteresseerd te zijn die kinderen er op na houden tot het ouderlijke huis. Helaas vertaalt zich dat dus blijkbaar niet in een veelheid aan studies. Eentje uit 1989, van Mayer en Schwarz (1989) vond terug dat het verhuizen over grote afstanden eerder uitzonderlijk is: minder dan 15% van de (Duitse) respondenten gaf aan op meer dan 300km van hun ouderlijke huis te zijn gaan wonen. Weinig verrassends daar. Iets verrassender waren de resultaten van een recentere studie van Mulder en Clark (2000); zij vonden immers terug dat minder dan 15% van hun respondenten in de V.S. in een andere staat gingen wonen dan die van hun ouders. Tot daar in elk geval ons (stereotiep) beeld dat alle Amerikanen uitzwerven overheen het hele land ongeacht van waar ze afkomstig zijn. (Toegegeven, de meeste Amerikaanse staten doen in oppervlakte niet onder voor het gemiddelde Europese land; op een handjevol uitzonderingen na zijn alle staten bijvoorbeeld ook allemaal groter dan België). En toch is ook dat weer niet zo verwonderlijk, migratie is een stresserende aangelegenheid (omwille van familiale, sociale, culturele, emotionele en eventueel zelfs economische redenen). Het spreekt voor zich dat dit in toenemende mate het geval is wanneer de geografische afstand tussen oude en nieuwe bestemming toeneemt (hoewel wel als dusdanig gebruikt in de wetenschappelijke literatuur spreekt niemand in het dagdagelijkse bestaan over migratie wanneer iemand naar een andere straat of een andere stad verhuist).
 
Maar goed, terug naar mijn oorspronkelijke vraag: hoe ver trekt de gemiddelde mens de wijde wereld in wanneer hij/zij uiteindelijk het ouderlijke huis verlaat? Het toeval dat het tijdschrift Social Science Research binnenkort een studie publiceert van een aantal Duitse onderzoekers (Leopold et al., 2012) met de titel "How far do children move? Spatial distances after leaving the parental home". Net waar ik naar op zoek was. De studie, die gebaseerd is op data van 2113 individuen woonachtig te Duitsland, bevat enkele interessante resultaten. Ten eerste, de meeste mensen verkiezen inderdaad om woonachtig te blijven onder de eigen kerktoren, of toch minstens een zeer nabij gelegen kerktoren. De helft woont nadat hij/zij het ouderlijke huis heeft verlaten op minder dan 10km van die ouderlijke woonst. In 10% van de gevallen bedraagt de afstand zelfs minder dan 500 meter, dat is echt wel letterlijk naast de deur te noemen. Misschien nog belangrijker, amper in 25% van de gevallen bedroeg de afstand meer dan 70km (voor de meeste onder ons is dat vermoedelijk net te ver om nog vlotjes met de fiets te doen, maar met trein of auto is dat in de meeste gevallen toch nog steeds minder dan 1uur reistijd). Ten tweede, zoals men zou kunnen verwachten, zijn er belangrijke verschillen naarmate het opleidingsniveau. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe waarschijnlijker de kans dat men voor de kerktoren van het nabijgelegen dorp kiest in plaats van voor de eigen kerktoren. Niettemin is over alle opleidingsniveaus heen de regel dat de afstand klein is en dat verre verhuizingen de uitzondering zijn.
 
 
Referenties
Bucx, F., F. Van Wel, T. Knijn en L. Hagendoorn (2008) Intergenerational Contact and the Life Course Status of Young Adult Children. Journal of Marriage and Family, 70 (1): 144–156.
Leopold, T., F. Geissler, S. Pink (2012) How far do children move? Spatial distance after leaving the parental home. Social Science Research, forthcoming.
Mayer, K. U. en K. Schwarz (1989) The Process of Leaving the Parental Home: Some German Data. In: E. Grebenik, C. Höhn en R. Mackensen (Eds.) Later phases of the family cycle. Oxford: Clarendon Press: pp. 145-163.
Mulder, C. H. and M. J. van der Meer (2009) Geographical distances and support from family members. Journal of Comparative Family Studies, 15: 381–399.
Mulder, C. H. en W. A. V. Clark (2000) Leaving home and leaving the State: evidence from the United States. International Journal of Population Geography, 6 (6): 423–437.


Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Het genot van Twitter

18. Juli 2012, 07:29

Een collega van mij grapt geregeld dat mensen niet in staat zijn om langer dan twee minuten aan het woord te zijn zonder over zichzelf te praten: 'Mensen zijn aandacht-junks; de hele tijd strooien ze informatie over zichzelf in het rond in de hoop dat er iemand naar hen om zal kijken en hen wat aandacht zal schenken'. En hoewel dat vermoedelijk enigszins overdreven is, is de waarheid niet eens zo ver af.

 

Niet minder dan 30 à 40% van wat een mens in het dagdagelijkse leven vertelt, heeft betrekking op zichzelf (Dunbar et al., 1997; Emler, 1994). Anders dan wat je misschien zou verwachten, worden onze conversaties niet gedomineerd door sport, politiek of cultuur, maar wel door onze gedachten, gevoelens, persoonlijke belevenissen en andere zaken die betrekking hebben op onze sociale relaties. (En dat geldt overigens in precies dezelfde mate voor mannen als voor vrouwen.) In de wereld van de sociale media neemt die zelfonthulling nog net een iets prominentere rol in. Zowat 80% van alle informatie die er via sociale netwerksites wordt gedeeld heeft betrekking op het eigen ik (Naaman et al., 2010).

Look at me, look at me, LOOK AT ME! @Anybody in the world

Millions of people on Facebook and Twitter

Het is dus enigszins tegen beter weten in dat ik mij op bijna dagdagelijkse basis verwonder over het feit dat mensen via Facebook of Twitter communiceren over hun favoriete pastagerecht, het feit dat dochterlief hen de ganse nacht heeft wakker gehouden, de nieuwste DVD die ze hebben aangekocht, het slechte weer, de dagelijks weerkerende ergernis over de files en dies meer.

De beslissing om (doelbewust) persoonlijke informatie te onthullen wordt traditioneel als een typische kosten-baten afweging beschouwd. Het vreemde aan onthullingen via sociale media zoals Facebook en Twitter is dat er geen duidelijk baten aan verbonden lijken te zijn. In principe is het onthullen van persoonlijke informatie immers tweerichtingsverkeer. Naarmate relaties tussen mensen zich ontwikkelen wordt er een vergelijkbare mate van onthulling bereikt: met sommige mensen wissel je enkel alledaagse of zelfs oppervlakkige informatie uit, met sommige mensen wissel je gevoelige en persoonlijke informatie uit, maar er is normaliter altijd sprake van wederkerigheid. Mensen zijn in principe niet bereid om (langdurige) relaties te onderhouden waarin zij informatie delen terwijl de andere partij dat niet doet. Op sociale netwerksites lijken er echter andere spelregels te gelden, daar lijken mensen blijkbaar wel bereid om allerhande informatie met anderen te delen (desnoods met de hele wereld) zonder die wederkerigheid. Die raadselachtige vaststelling roept dus toch wel vragen op omtrent de baten van het onthullen van persoonlijke informatie over onszelf.

Who cares?! @Anybody who feels the need to communicate about "their current location"

De auteur van deze blog vraagt het zich wel eens af.

Hoewel die vraag voorlopig nog onbeantwoord blijft, leerde ik uit een recent verschenen studie echter wel dat het in feite de verkeerde vraag is! Uit een studie die recent in de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) werd gepubliceerd blijkt nu immers dat het onthullen van persoonlijke informatie intrinsiek belonend werkt! Wanneer mensen informatie over zichzelf onthullen dan wordt het 'beloningssysteem' in onze hersenen geactiveerd, net zoals dat het geval is wanneer we een heerlijke maaltijd tot ons nemen of een wilde nacht tussen de lakens beleven.

Wist u overigens al dat FC Barcelona mijn favoriete voetbalclub is?



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


D Y S L E X I E

20. Juni 2012, 05:39

Ontwikkelingsdyslexie treft naar schatting ten minste 5% van de bevolking. Dat zijn minstens 500.000 mensen in België alleen. Omdat dyslexie gepaard gaat met een verhoogde kans op emotionele, psychologische en economische problemen lijdt het weinig twijfel dat het bestrijden van lees- en of spellingsproblemen bij mensen met dyslexie een belangrijke zaak is. Daar zijn alle onderzoekers het dan ook wel over eens, ook al betwisten ze tezelfdertijd hevig de onderliggende oorzaken van deze stoornis (zie bijv. [1]). Zonder de nodige aanpassingen en/of hulpmiddelen kan dyslexie ernstige onderwijsbelemmeringen met zich meebrengen (met alle gevolgen van dien). Ter illustratie: een kind met dyslexie leest in 1 jaar tijd ongeveer hetzelfde aantal woorden als wat een vlotte lezer in 2 dagen leest.
 
 
 
De cruciale vraag is dus hoe we kinderen met dyslexie zo ver krijgen dat ze in staat zijn om meer woorden in minder tijd te lezen? De twee belangrijkste remedies die daarvoor in omloop zijn, zijn (1) het aanleren van specifieke deelvaardigheden en (2) aanpassingen in het leesmateriaal. Het aanleren van vaardigheden die het lezen bevorderen is nog steeds de belangrijkste remedievorm om kinderen met dyslexie vooruit te helpen. Niet onbelangrijke tekortkoming hiervan is echter dat dit zeer tijdrovend is (en bovendien een remedie die, zowel binnen als buiten de schoolmuren, niet altijd haalbaar is). Sleutelen aan de toegankelijkheid van het leesmateriaal (door aanpassingen in het lettertype, de grootte van dat lettertype, etc.) is zeker ook niet altijd eenvoudig haalbaar, maar heeft wel het voordeel dat het geen bijkomende inspanningen van het kind zelf vraagt. Frappant is dat er in feite maar weinig wetenschappelijk bewijs voor handen is dat de effectiviteit van dergelijke manipulaties aantoont.
 
 
B R E D E R E     S P A T I E S     H E L P E N 
 
Een recente studie die binnenkort gepubliceerd wordt in de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) heeft nu aangetoond dat kinderen met dyslexie gebaat zijn bij bredere spaties [2]. De resultaten van deze studie tonen aan dat het verbreden van de spaties tussen letters het kinderen met dyslexie toelaat om 20% sneller te lezen en bovendien de helft minder fouten te maken. Het bijzondere aan een dergelijke remedie is uiteraard dat het kinderen met dyslexie enorm kan helpen zonder dat zij daar zelf enige inspanning voor hoeven te doen (ze hoeven er bijvoorbeeld geen intensieve training en oefening voor te doorlopen).
 
 
SEX DIFFERENCES 
 
Gaat dit blog normaal gezien niet over mannen, vrouwen, sekse, gender, dat soort dingen, hoor ik u denken. Dat klopt. Het is daarom waarschijnlijk goed dat ik even kort stil sta bij de obseratie dat dyslexie vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. Hoewel die scheve verhouding minder scheef is dan vaak wordt aangenomen is ze wel degelijk scheef. Niet in een verhouding van 2:1 of 3:1 (2 of 3 jongens met dyslexie voor elk meisje met dyslexie) zoals je wel eens hoort beweren, maar in elk geval toch in die mate dat er iets meer dan 1 jongen met dyslexie is voor elk meisje met dyslexie. De reden dat die verhouding vaak overschat wordt en dat je tal van studies kan terugvinden die inderdaad zulke cijfers rapporteren, is een gevolg van het feit dat de meeste van die studies populatie-gebaseerde onderzoeken zijn. Omdat jongens met dyslexie een grotere kans hebben om als dusdanig gediagnosticeerd en behandeld te worden dan meisjes met dyslexie, overschatten zulke studies de werkelijke verhouding [3]. Klinische studies vinden typisch dan ook veel minder scheefgetrokken verhoudingen terug, maar zoals gezegd nog steeds een verhouding die iets hoger ligt dan een 1 op 1 verhouding [4]. Voor de remediëring maakt dat evenmin helemaal niets uit.
 
V e r m o e d e l i j k     z o u     h e t     g e b r u i k     v a n     w a t    
b r e d e r e     s p a t i e s     z o w e l     h e t     l e v e n     v a n    
m e i s j e s     a l s     j o n g e n s     m e t      d y s l e x i e      h e e l    
e e n v o u d i g     e e n     s t u k     k u n n e n      v o o r u i t     h e l p e n.
 

Referenties 
[1] Gabrieli, John D. E. (2009) Dyslexia: A new synergy between education and cognitive neuroscience. Science, 325 (5938): 280-283.
[2] Zorzi, Marc et al. (2012) Extra-large letter spacing improves reading in dyslexia. Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA. Forthcoming.
[3] Berninger, Virginia W. et al. (2008) Gender differences in severity of writing and reading disabilities. Journal ofSchool Psychology, 46 (2): 151-172.
[4] Rutter, Michael et al. (2004) Sex Differences in Developmental Reading Disability New Findings From 4 Epidemiological Studies. The Journal of the American Medical Association, 291 (16): 2007-2012.
 


Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Werk en/of gezin: niet enkel een vrouwenzaak

24. Februari 2012, 20:19

Carrière of gezin, de vrouw moet kiezen, zo luidde de titel boven een interview met Monique De Knop (de enige vrouwelijke topmanager bij de federale overheid) dat eerder deze week verscheen in De Standaard.

Aldus geformuleerd lijkt daar weinig mis mee te zijn met die titel. Nu ja, het valt te zeggen, daar is uiteraard een heleboel mis mee, maar het vat uitermate goed samen wat de relevante wetenschappelijke literatuur ons over dit onderwerp vertelt: vrouwen die carrière wensen te maken moeten het niet in hun hoofd halen om daarnaast ook nog een volwaardig gezinsleven uit te bouwen, dat is een onmogelijke combinatie. Let wel, dit geldt uitsluiten voor vrouwen. Voor mannen is het blijkbaar geen enkel probleem om carrière te maken en daarnaast een gezin te hebben. In zekere zin is dat uiteraard "logisch": vrouwen nemen tot op de dag van vandaag immers het overgrote deel van het huishoudelijke werk op zich. De meeste mannen hebben dus een vrouw waarop ze kunnen rekenen om een hele hoop huishoudelijke taken op zich te nemen (terwijl zij hun carrière uitbouwen). De meeste vrouwen aan de andere kant moeten die huishoudelijke taken dus zien te combineren met hun carrière (want zij hebben geen man die de huishoudelijke taken in hun plaats vervult).

Tot daar konden we ons in elk geval wel vinden in het interview. Tot daar en niet verder. De rest van het interview deed me pijn aan het hart (en ik verslikte me net niet in mijn boterham).

HET IS DE STUDIEKEUZE

Het interview bijt de kop af met te stellen dat meisjes vaak de "foute" studiekeuzes maken. (Fout in de zin dat ze kiezen voor richtingen die hen later weinig kansen zullen bieden om een managementsfunctie op te nemen.) "Meisjes moeten durven kiezen voor meer technische richtingen zoals economie of fiscaliteit. Nu kiezen ze te veel voor maatschappelijk georiënteerde richtingen, rechten of menswetenschappen, die leiden naar de zorgsector. Je kunt niet vanuit zo'n softe richting de stap zetten naar een managementfunctie, noch bij de overheid, noch in de privé", zo sprak De Knop. Klinkt aannemelijk zou je bijna denken, maar mevrouw De Knop springt daarbij helaas wel al te eenvoudig voorbij een aantal essentiële punten.

Ten eerste zijn er geen objectieve criteria die bepalen welke studierichtingen voorbereiden op een functie als manager en welke niet (die criteria zijn socio-cultureel bepaald). De woorden van mevrouw De Knop illustreren dat onmiddellijk ook perfect; de classificatie van rechten - traditioneel een hoogaangeschreven en prestigieuze studierichting - als "softe", maatschappelijke georiënteerde richting is op zijn minst bijzonder te noemen. Ten tweede en misschien nog belangrijker: de bewering van mevrouw De Knop gaat voor een groot stuk voorbij aan de realiteit dat meisjes al sinds jaar en dag goed vertegenwoordigd zijn in technische (sic) richtingen zoals economie. Het lijkt dus wel snor te zitten met de keuzes die meisjes maken op dat vlak. (Des te meer als je er ook nog eens rekening mee houdt dat meisjes gemiddeld beter scoren op de universiteit dan jongens.) Ten slotte en zeker niet in het minst draait dit soort argumenten bovendien oorzaak en gevolg om. Het is uitvoerig gedocumenteerd in de wetenschappelijke literatuur dat "vrouwenwerk" en "mannenwerk" niet dezelfde status hebben omdat vrouwen in het algemeen over minder status beschikken. Met andere woorden, het is niet zo dat vrouwen er bewust voor kiezen om laag aangeslagen studies te volgen en doelbewust kiezen voor weinig prestigieuze beroepen, neen, studierichtingen en beroepen worden precies laag gewaardeerd omdat ze (voornamelijk) door vrouwen worden gebezigd. Dat studies zoals biologie en psychologie en beroepen zoals leerkracht en huisarts vandaag de dag al lang niet meer het prestige (en daarbij horende inkomen) bezitten dat ze ooit deden heeft voor een groot deel te maken met het feit dat zulke studies en beroepen vroeger vooral een mannenzaak waren terwijl ze vandaag de dag gedomineerd worden door vrouwen.

WERK EN/OF GEZIN

Er zullen weinig mensen het in twijfel trekken dat het (succesvol) combineren van werk en gezin geen sinecure is. Inderdaad, onderzoek toont overduidelijk en onomwonden aan dat het combineren van werk en gezin tot conflicten leidt en stress veroorzaakt. (Daarbij mag worden opgemerkt dat werkuren daar de belangrijkste oorzaak van zijn.) Omdat vrouwen nog steeds het overgrote deel van de huishoudelijke taken op zich nemen is het bijna onvermijdelijk dat zulke problemen zich vaker en meer uitgesproken zullen manifesteren bij vrouwen dan bij mannen. Dat verklaart ook waarom er zoveel vrouwen - en zo weinig mannen - deeltijds werken: in de meeste landen is ongeveer driekwart van de deeltijds werkenden vrouw. Rechtvaardigt dat echter de conclusie die mevrouw De Knop (en vele anderen met haar) trekt dat "vrouwen geraken gestresseerd door de combinatie van werk en gezin en moeten dus kiezen, want beide combineren is onhaalbaar"? We zijn het zo gewend om (onbewust) de associatie vrouw-gezin en man-werk te maken dat de meeste mensen waarschijnlijk zonder veel aarzelen onmiddellijk geneigd zullen zijn van ja te knikken en in te stemmen. Wie echter de moeite neemt om hier heel even kort bij stil te staan en even een moment van reflectie inbouwt die concludeert onvermijdelijk dat dit helemaal niet zo logisch is. Waarom zou dit immers de enig mogelijke uitkomst moeten zijn terwijl dit blijkbaar niet geldt voor mannen. Combineren al die mannen hun bloeiende carrières immers niet met een gezin, ja toch? Waarom zou dit dan niet kunnen voor vrouwen, waarom zouden zij dan moeten kiezen? Vinden we pleidooien die overduidelijk andere spelregels vooropstellen voor vrouwen en voor mannen werkelijk nog aanvaardbaar in de 21ste eeuw?

Enerzijds doet het me de denken aan een stukje uit de film Down with Love: "I was really starting to believe that women weren't cut out for the workplace ... when the only problem was the workplace wasn't cut out for women". Indien we wensen dat mensen (vrouwen en mannen) in de toekomst werk en gezin op een haalbare manier kunnen combineren dan dringen veranderingen op de werkvloer zich op. Dan zullen we bijvoorbeeld van kinderopvang op de werkplek regel in plaats van uitzondering moeten maken. Anderzijds zal dat niet volstaan. Het is voldoende opgemerkt door wetenschappers allerhande dat het elimineren van alle vormen van discriminatie op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld in aanwervingen en promoties) niet zal volstaan om de ongelijkheid op de arbeidsmarkt weg te werken. In die zin deed het me dus ook denken aan wat Gloria Steinem, een van de boegbeelden van het feminisme in de jaren '60 en '70, recent nog in herinnering bracht: "women will never be equal outside the home until men are equal inside the home". Ook op dat vlak zijn er dus veranderingen nodig; zowel voor vrouwen als voor mannen. Het zou bijvoorbeeld al een goed begin zijn als we het ouderschapsverlof gelijk zouden verdelen over vader en moeder. Zoals de Nederlandse filosofe Ingrid Robeyns in dat verband wist op te merken: "de overheid heeft een plicht om haar burgers gelijk te behandelen, en dus moet ze het geboorteverlof tussen mannen en vrouwen gelijk trekken".

 

U begrijpt dus dat het interview met mevrouw De Knop de nodige frustraties bij mij deed opborrelen. Niet enkel en alleen bij mij gelukkig. Om die reden werd er eerder deze week dan ook al snel beslist om in de pen te kruipen door enkele leden van het RHEA–Centrum voor Gender & Diversiteit van de Vrije Universiteit Brussel. De gedeelde frustratie werd omgezet in een open brief aan mevrouw De Knop die vandaag onder de titel Het glazen plafond: subtiel, maar niet futiel werd gepubliceerd in De Standaard. Wie het volledige artikel wenst te lezen kan uiteraard terecht op de website van De Standaard (klik hier). 



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


The Gendered Production of Audit Quality

06. December 2011, 20:05

Eerder op dit blog ging ik ooit al eens zeer kort in op iets wat mij toen bezighield in het kader van mijn doctoraatsonderzoek. Nu, zowat twee en een half jaar later, kom ik daar op terug omdat sinds enkele weken mijn doctoraat afgewerkt en ingeblikt is.

Nu het onderzoek afgerond is en het doctoraat voltooid, dient zich uiteraard de laatste stap aan: de publieke verdediging van het doctoraat. Onder de titel The Gendered Production of Audit Quality (promotor prof. dr. Diane Breesch) vindt daarom volgende week, op donderdag 15 december, de publieke verdediging van mijn proefschrift plaats.

Deze verdediging vindt plaats op de campus Etterbeek van de Vrije Universiteit Brussel (Pleinlaan 2, 1050 Brussel) in de Promotiezaal (Gebouwd D, lokaal D2.01). Hieronder vindt u alvast een korte samenvatting:

 

Samenvatting 

Dit proefschrift onderzoekt welk verschil (en onder welke omstandigheden) gender maakt voor de controle van financiële overzichten. Zowel academici als beleidsmakers hechten veel belang aan zulke controles omdat ze de betrouwbaarheid verhogen van de financiële rapportering van ondernemingen. De kwaliteit van deze controles wordt sterk bepaald door beslissingen en gedragingen van de auditor. Voorgaand onderzoek heeft uitvoerig gedocumenteerd hoe mensen gender "doen" (i.e., verschillen creëren die geassocieerd zijn met mannelijkheid en vrouwelijkheid) tijdens en door middel van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten. Deze studie gaat daarom dieper in op de vraag hoe gender het gedrag van auditors stuurt en hoe dit de controle van financiële overzichten beïnvloedt. Het onderzoek beantwoordt de vraag hoe auditors gender doen tijdens en door middel van hun "auditor zijn". Daarnaast verklaart deze studie ook hoe het doen van gender invloed uitoefent op de kwaliteit van de controle van financiële overzichten. Deze studie maakt gebruik van een "concurrent mixed methods design"en de data zijn afkomstig van de Belgische auditmarkt. Enerzijds werden semi-gestructureerde interviews afgenomen met 24 auditors, anderzijds werd gebruik gemaakt van de gegevens van alle Belgische ondernemingen die in 2008 door een auditor werden gecontroleerd. Inhoudsanalyse van de gegevens uit de interviews bracht verschillende thema’s naar voren met betrekking tot de manier waarop gender een invloed uitoefent op de manier waarop auditors de controle van financiële overzichten uitvoeren en de invulling die ze geven aan het “auditor zijn”. Regressieanalyses werden gebruikt om de invloed na te gaan van gender op verschillende variabelen die de kwaliteit van de controle van financiële overzichten meten, namelijk (1) de auditopinie (N = 14,314) en (2) het audithonorarium (N = 13,828). Deze verschillende analyses wijzen alle naar dezelfde conclusie: de controle van financiële overzichten is van hogere kwaliteit wanneer de auditor een vrouw is (vooral in de grotere kantoren). De resultaten van deze studie verhogen ons begrip over de manier waarop auditkantoren gender-verschillen creëren en in stand houden; wat onvermijdelijk de controle van financiële overzichten beïnvloedt. Daarnaast kunnen deze resultaten ook gebruikt worden om (de grote) auditkantoren aan te sporen om hun vertoog en hun beloningsstructuur aan te passen.

 



Geschreven in De wereld draait door | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen leeft voort, maar waarom?

29. Juni 2011, 08:32

De recente media-aandacht en discussies over "vrouwenquota" voor raden van bestuur (eerder besproken op dit blog) vestigde er nogmaals onze aandacht op dat vrouwen en mannen niet op gelijke voet staan in de arbeidsmarkt. De ongelijkheid beperkt zich echter niet tot de bovenlaag van de arbeidsmarkt, of tot de arbeidsmarkt in het algemeen. Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is eigenlijk allom allomtegenwoordig. Zo verzetten vrouwen nog steeds het overgrote deel van het huishoudelijke werk, ook wanneer ze voltijds werken, en zelfs wanneer ze een hoger inkomen hebben dan hun partner (zie bijvoorbeeld, Harkness [2003] en Hook [2010]). Wie dat van onvoldoende belang vindt die kan ik overigens geruststellen, ten prooi vallen aan stalking, huishoudelijk en eergerelateerd geweld, etc., is ook haast uitsluitend een vrouwenaangelegenheid.

OUDE WIJN IN NIEUWE ZAKKEN

Wat zowel interessant als opvallend is aan de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is dat ze nooit lijkt te verdwijnen. De precieze invulling van hoe mannen en vrouwen van elkaar verschillen verschilt van tijd tot tijd en van plaats tot plaats (zowel in termen van stereotype opvattingen en verwachtingen alsook in termen van de posities die ze bekleden in een samenleving). Wat echter als een rode draad doorheen de geschiedenis loopt is dat er ongelijkheid is - en meer bepaald dat uiteindelijk geoordeeld wordt dat het "logisch" is dat mannen meer macht hebben. De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is met andere woorden ook steeds een hiërarchische opdeling (en het zijn altijd mannen die hoger in de hiërarchie staan, die status en authoriteit krijgen toegeschreven).

Belangrijke socio-economische omwentellingen zoals de industriële revolutie, de massale instroom van vrouwen in de betaalde arbeidsmarkt en de instroom van vrouwen in voorheen door mannen gedomineerde beroepen hebben die hiërarchische opdeling niet aangetast. Interessant om weten is dat de instroom van vrouwen in traditionele "mannenberoepen" niet tot grotere gelijkheid heeft geleid tussen mannen en vrouwen (zie bijvoorbeeld, Cohen [2003] en Magnusson [2009]). Twee oorzaken liggen daaraan ten basis. Ten eerste leidt de instroom van vrouwen in een beroep traditioneel tot een devaluatie van dat beroep (zowel in termen van aanzien als van lonen). Het is dus niet zo dat vrouwen "kiezen" om te werken in sectoren die 'nu eenmaal minder goed betalen', zoals wel eens wordt beweerd. Een tweede oorzaak - die in feite niet kan worden los gezien van de eerste - is dat vrouwen binnen zulke beroepen vaak terecht komen in specifieke niches die na verloop van tijd presitge verliezen en waarin de lonen lager zijn. Beschouw bijvoorbeeld het voorbeeld van de geneeskunde. Naast het feit dat vrouwen vaker kiezen voor studies als verpleegkundige terwijl mannen eerder voor een opleiding tot arts kiezen, gaat een disproportioneel deel van de vrouwen die er toch voor kiest om arts te worden nadien "maar" als huisarts aan de slag (terwijl hun mannelijke medestudenten neuroloog of chirurg worden).

OORZAKEN 

Ik heb eerder op dit blog (zie hier) al eens een artikel van de Amerikaanse sociologe Cecilia Ridgeway (Stanford University) aangeraden. Ik vermeldde toen ook dat men in de nabije toekomst een boek van haar hand mocht verwachten. Dat boek is er nu: "Framed by Gender How Gender Inequality Persists in the Modern World". In lijn met haar eerdere academische werk, richt Ridgeway er zich in dit boek op om uit te leggen hoe gender ons doen en laten beïnvloedt, hoe het de wijze waarop we de wereld rondom ons heen waarnemen en beleven kleurt, hoe gender bovendien altijd en overal aanwezig is en waarom ongelijkheid tussen mannen en vrouwen ook in onze moderne samenleving blijft voortleven (ondanks het feit dat onze moderne samenleving het aan zichzelf heeft opgelegd om gelijkheid na te streven).

Wie al enigszins een idee wil krijgen van waaraan hij zich mag verwachten die kan het volgende fragment uit een publieke lezing van Ridgeway bekijken (al moet gezegd worden dat ze vlotter is met de pen dan met de tong): 

 

 

 

Referenties

Cohen, Philip N. & Matt L. Huffman 2003 Occupational Segregation and the Devaluation of Women's Work across U.S. Labor Markets Social Forces 81 3 pp. 881–908. 

Harkness, Susan (2003) The household division of labour: changes in families’ allocation of paid and unpaid work 1992–2002. In: Dickens, Richard, Gregg, Paul and Wadsworth, Jonathan (eds.) The Labour Market under New Labour. Basingstoke: Palgrave. 

Hook, Jennifer L. (2010) Gender Inequality in the Welfare State: Sex Segregation in Housework, 1965–2003. American Journal of Sociology, 115,5, 1480–1524. 

Magnusson, Charlotta 2009 Gender, Occupational Prestige, and Wages: A Test of Devaluation Theory European Sociological Review 25 1 pp. 87–101 



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Equal Pay Day

28. Maart 2011, 15:59

Vijftien jaar nadat in de V.S. door het National Committee on Pay Equity (NCPE) voor de eerste maal een Equal Pay Day werd georganiseerd verdienen vrouwen gemiddeld nog steeds minder dan mannen. In de V.S., maar net zo goed in Europa. Vrijdag jongstleden (25 maart) werd er daarom ook in ons land opnieuw aandacht gevraagd voor deze ongelijkheid. Want dat deze problematiek (helaas) actueel is en blijft daar kan men niet omheen. Mogelijk is dat ook de frequente biscoopbezoeker opgevallen want sinds begin deze maand speelt daar 'Made in Dagenham'; een film die het ware verhaal van de vrouwenstaking in de Fordfabriek van Dagenham (1968) vertelt.  

Bijzondere aandacht tijdens de campagne van dit jaar was er voor de relatie tussen lonen en pensioenen. Wie minder verdient tijdens zijn loopbaan zal op latere leeftijd immers ook een lager pensioen hebben. Bovendien belanden vrouwen sowieso al vaker in de armoede en is armoede onder ouderen een toenemend probleem (niet voor niets vormen oudere alleenstaande vrouwen een 'risicogroep' om in de armoede te belanden).  



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Vrouwen in raden van bestuur

03. Maart 2011, 13:28

Begin deze week keurde de Kamercommissie Handelsrecht een wettekst goed die vrouwenquota oplegt aan bedrijven. Als binnen twee weken de voltallige Kamer de wettekst eveneens goedkeurt dan zullen beursgenoteerde ondernemingen en overheidsbedrijven het aantal vrouwelijke leden van hun bestuursraden verplicht tot minstens een derde moeten uitbreiden. Overheidsbedrijven zullen reeds vanaf 2012 aan deze regel moeten voldoen, de beursgenoteerde bedrijven krijgen zes jaar uitstel. 

 

Gezien de heisa die dit wetsvoorstel met zich meebrengt, en de aandacht die het krijgt van media en publiek, voel ik me enigszins verplicht om er iets mee te doen, om er iets over te zeggen. Evident is dat niet want er zijn goede argumenten voor en tegen te bedenken, bovendien ben ik onzeker over mijn eigen standpunt. Ik ben altijd geneigd geweest om verzet te plegen tegen quota, positieve discriminatie en aanverwanten. Ik neig bijvoorbeeld Matthias Storme te volgen wanneer die beargumenteert dat men de vrijheid behoort te hebben om te discrimineren (zie hier), althans in de private ruimte (overheden kunnen zich uiteraard niet op zo een recht of vrijheid beroepen). En toch ...    

FEITEN OP EEN RIJ

De werkzaamheidsgraad (dat is het aandeel werkenden in de beroepsbevolking op arbeidsleeftijd, 15-64 jaar) is vandaag de dag bij vrouwen en mannen bijna gelijk: in 2009 bedroeg die in Vlaanderen respectievelijk 60 en 70%; ter vergelijking, in 1984 was die bij vrouwen amper 36% (bij mannen 68,7%). Niettemin blijven vrouwen zwaar ondervertegenwoordigd in de hogere kaders. Dat is voor niemand een geheim, al is de ongelijkheid vaak nog groter dan men zou denken. In 2010 was gemiddeld slechts 8,5% van de bestuursraadsleden van de 20 grootste beursgenoteerde bedrijven in België een vrouw. En 5 van de 20 van deze topbedrijven hadden zelfs geen enkele vrouw in hun bestuursraden. 

 

Hoewel België op dat vlak zeker geen goede leerling is, is het er ook geen opvallend slechte. Zoals uit de bovenstaande grafiek blijkt, scoort België net onder het Europese gemiddelde (de cijfers zijn afkomstig van het European Professional Women's Network en gebaseerd op het aantal vrouwen in de raden van bestuur van de 334 Europese bedrijven met de grootste beurswaarden). Het verwondert waarschijnlijk niemand, maar het zijn de Scandinavische landen die goed scoren op dit vlak terwijl de Zuid-Europese landen onderaan bengelen.

PROBLEMATISCH?

Het is duidelijk dat bestuursraden mannenbastions zijn, maar moeten we dat nu eigenlijk erg vinden? Het antwoord is duidelijk ja, los van de vraag of quota een antwoord zijn. Die ongelijkheid is immers niet toe te schrijven aan verschillen in bekwaamheid (het aantal vrouwen overtreft ondertussen al lang het aantal mannen aan onze universiteiten), maar spruit voort uit een verschil in 'toegeschreven' kenmerken (in casu, iemands geslacht). Dergelijke ongelijkheid is dus problematisch omdat ze conflicteert met het westerse ideaal van de meritocratie (d.w.z. een samenleving gebaseerd op verdienste). Om die reden snijdt het ook geen hout wanneer de N-VA haar standpunt verdedigt en bij monde van mevrouw Homans verklaart dat "het bovendien beledigend is voor vrouwen. Zij gaan zich afvragen of ze in een bestuursraad zitten vanwege hun kwaliteiten of omdat ze vrouw zijn." Dat kan immers wel zo zijn, maar vandaag de dag is in feite precies hetzelfde waar: veel vrouwen zitten vandaag net niet in raden van bestuur omdat ze vrouw zijn

Bovendien is het ook maar de vraag in hoeverre vrouwen zich inderdaad die vraag zouden stellen indien er quota worden ingevoerd. Zo steeg het aantal vrouwen in ons federale parlement bijvoorbeeld sterk (van 12% in 1995 naar 35% in 2003) na de invoering van wettelijke quota ('ritslijsten'); vraagt mevrouw Homans zich dan ook af of zij in het parlement zit vanwege haar kwaliteiten of omdat ze vrouw? 

NIET VOLDOENDE

Wanneer tegenstanders van quota beweren dat we 'gewoon geduld' moeten hebben (het 'een organisch proces' is, we 'vertrouwen in de bedrijven' moeten hebben of een 'corporate governance code' ook wel zal werken) dan moeten we ze in het beste geval onvoorstelbaar naïef noemen (en in vele gevallen waarschijnlijk gewoon kwaadwillig). Want het is duidelijk dat een evenwichtigere verdeling van mannen en vrouwen in raden van bestuur geen logische uitkomst van een natuurlijk proces zal zijn. Dat is ook logisch, wie macht heeft wil die behouden. Het is daarom ook duidelijk (en net zo logisch) dat quota (indien ze al nuttig en wenselijk zouden zijn) nooit voldoende kunnen zijn. Zonder een verandering van de bedrijfscultuur en onze maatschappelijke opvattingen zijn quota hoogstens schaamlapjes die de werkelijkheid helpen verdoezelen: op de arbeidsmarkt ben je beter af als man dan als vrouw.



Geschreven in De wereld draait door | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Basta!

16. Februari 2011, 08:58

'Basta' is niet alleen de naam van een populair televisieprogramma dat op de zender Eén liep, maar ook van een campane opgezet door de krant L'Unita om de Italiaanse premier Silvio Berlusconi er (nogmaals) op te wijzen dat niet alle vrouwen prostituees of showgirls zijn – een gelijkaardig initiatief van La Repubblica leverde al eens meer dan honderddzuiend handtekeningen op.


Seksisme blijft een hardnekkig probleem, ook vandaag nog, in de 21ste eeuw, ook in onze westerse wereld. Vaak weinig verhuld zoals in het geval van Berlusconi of de twee BBC-voetbalcommentatoren die onlangs de deur werden gewezen nadat ze zich seksistisch hadden uitgelaten over een vrouwelijke lijnrechter, maar vaak ook heel wat subtieler, onschuldiger ogend, verborgen. Zo weten we bijvoorbeeld sinds kort hoe John Key, de eerste minister van Nieuw-Zeeland, over Liz Hurley denkt: she is hot. Voldoende reden om in de schoenen van Shane Warne (de huidige vriend van Liz Hurley) te willen staan, aldus Key. Om die reden zou Key, zo voegde hij er nog aan toe, er ook geen bezwaar tegen hebben om Tiger Woods te zijn – diens voorraad minnaressen blijkt hoe langer hoe meer even onuitputtelijk te zijn als zijn rijkdom. Key maakte het nog wat bonter door achteraf, nadat er een storm van reacties was losgekomen, te verklaren dat hij geen problemen zag in zijn opmerkingen en dat Liz Hurley waarschijnlijk blij was met zijn opmerkingen. Heeft hij gelijk en zijn zulke opmerkingen onschuldig of moeten we er stijl van achterover vallen dat er in de 21ste eeuw op die manier over vrouwen wordt gesproken (door de eerste minister van een westers land dan nog)?
 
OBJECTIVERING
 
Het feministische antwoord luidt: ja, het is immers een uiting van (seksuele) objectivering. Objectivering is 'het tot object maken van een individu', van iets een ding maken terwijl het dat eigenlijk niet is (Nussbaum 1999). Van objectivering is sprake wanneer iemand (meestal vrouwen, maar in toenemende mate ook mannen) gereduceerd wordt tot diens lichaam. Objectivering maakt mensen onpersoonlijk, het maakt hen minder menselijk. De belangrijkste manier waarop vorm wordt gegeven aan objectivering is door seksuele objectivering. Met seksuele objectivering wordt verwezen naar ervaringen waarbij men het gevoeld heeft dat men wordt omgevormd tot een seksueel object (klaar om onderzocht en geëvalueerd te worden). Seksuele objectivering is de reductie van iemands persoon tot diens lichaam (Bartky 1990; Nussbaum 1999) en vindt met andere woorden plaats wanneer een persoon beschouwd of behandeld wordt als niets meer dan een lichaam (dat bestaat voor het seksuele plezier en gebruik van anderen). Het geven van ongepaste seksuele commentaren is een voorbeeld van seksuele objectivering, maar ook wanneer een man zijn blik over een vrouw haar lichaam laat glijden (en haar al dan niet mentaal uitkleedt) doet hij aan seksuele objectivering.

Coleen, bekend omdat ze de vrouw is van stervoetballer Wayne Rooney.
 
Vooral voor vrouwen maakt seksuele objectivering deel uit van de alledaagse ervaring. Uit dagboekstudies blijkt dat vrouwen gemiddeld 1 à 2 keer per week subtiele vormen van seksuele objectivering ervaren (Swim et al. 2001). Dat er zoiets bestaat als 'Wags' (wives and girlfriends) is exemplarisch. Het acroniem 'Wags' is niet meer weg te denken uit de Britse tabloids en verwijst naar vrouwen die enkel en alleen media-aandacht toebedeeld krijgen omdat ze het bed delen met een bekende sportman (en omdat ze hot zijn uiteraard).
 
EN WAT DAN NOG
 
Objectivering is niet zonder gevolgen. Het ervaren van seksuele objectivering leidt tot de internalisering van deze perceptie, tot de perceptie en definiëring van zichzelf als 'seksueel object' (Gay en Castano 2010). Deze zelf-evaluatie gebaseerd op het uiterlijk wordt zelf-objectivering genoemd en is een van de belangrijkste gevolgen die objectivering met zich meebrengt. Ongeveer 20% van alle vrouwen heeft een sterke neiging tot zelf-objectivering (en is dus bijzonder vatbaar voor stimuli die zelf-objectivering in de hand werken, zoals 'aangestaard worden'). Wie aan zelf-objectivering doet, wordt geconfronteerd met een waaier aan negatieve psychologische en fysische consequenties (e.g., Fredrickson and Harrison 2005). Zo hebben studies bijvoorbeeld aangetoond dat verhoogde zelf-objectivering schaamte over het eigen lichaam in de hand werkt (voor een overzicht, zie Moradi en Huang 2008). In het onderstaande filmpje wordt een zeer recente studie van Gervais et al. (2011) toegelicht waaruit blijkt dat objectivering zelfs de wiskundige prestaties van vrouwen negatief kan beïnvloeden.
 
 
 
Empirisch onderzoek (Heflick en Goldenberg 2009) bevestigt de stelling van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (1999): het objectiveren van vrouwen zorgt ervoor dat men hen als minder competent beschouwt en minder als volwaardig mens aanziet. Uit ander onderzoek weten we bovendien dat mannen vrouwen als minder competent aanzien wanneer ze zijn blootgesteld aan seksueel geladen afbeeldingen van andere vrouwen (Rudman en Borgida 1995).
 
KAN DAAR IETS AAN GEDAAN WORDEN
 
No one can make you feel inferior without your consent (Eleanor Roosevelt)
 
De woorden van Eleanor Roosevelt bevatten mogelijk minder waarheid dan men zou verhopen. Men creëert zijn zelfbeeld niet vanuit het niets en zonder invloed van buitenaf. Bovendien blijken de gevolgen van objectivering zich te kunnen voordoen zonder dat er aan uiterst sterke voorwaarden is voldaan. Er blijkt weinig nodig te zijn om de negatieve gevolgen van objectivering te ervaren: het volstaat bijvoorbeeld al dat men focust op een vrouw haar uiterlijk (Heflick et al. 2011). Mocht het al wenselijk zijn om wetten in te voeren die vrouwen zouden moeten beschermen tegen opmerkingen over hun uiterlijk, starende blikken en gefluit, het zou niet praktisch zijn. Bovendien is het zo dat mensen subtiele vormen van seksuele objectivering mogelijk niet als problematisch identificeren (niet verwonderlijk dus dat John Key ook positieve commentaren ontving na zijn uitlatingen).
 
Om de psychologische onrust terug te dringen die door objectivering veroorzaakt wordt (voornamelijk bij vrouwen, maar ook in toenemende mate bij mannen), zijn er veranderingen nodig op maatschappelijk niveau. Het is een (bijkomend) argument dat pleit in het voordeel van geblindeerde beoordelingen, in de mate van het mogelijke. Tal van onderzoek toont aan dat vrouwen en mannen niet op dezelfde manier beoordeeld worden en dat vrouwen er wel bij varen wanneer beoordelingen 'gender-blind' zijn (d.w.z., wanneer de beoordelaar het geslacht van de kandidaat niet kent). Zo liet een uiterst elegante studie van Goldin en Rouse (2000) bijvoorbeeld zien hoe vrouwelijke musici hun selectie-kansen dramatisch zagen verhogen wanneer de audities werden afgenomen achter een geblindeerd scherm (zodat niemand hen kon zien en wist dat het een vrouw was). Daarnaast kan simpele gewaarwording mogelijk ook al wonderen doen. Mannen aanmoedigen om zich te verplaatsen in de schoenen van geobjectiveerde vrouwen voorkomt mogelijk dat ze de negatieve gevolgen ervan onderschatten en motiveert hen er mogelijk toe om van toekomstige objectivering af te zien (Newheiser et al. 2010).
 
Denk daar even aan de volgende keer alvorens u iemand aangaapt, nafluit of …
 
 
Referenties
Bartky, S. L. 1990. Femininity and domination: Studies in the phenomenology of oppression. New York: Routledge.
Gay, R. K. en E. Castano. 2010. My body or my mind: The impact of state and trait objectification on women's cognitive resources. European Journal of Social Psychology 40 (5): 695–703.
Gervais, S. J., T. K. Vescio en J. Allen. 2011. When What You See Is What You Get: The Consequences of the Objectifying Gaze for Women and Men. Psychology of Women Quarterly, forthcoming.
Goldin, C. en C. Rouse. 2000. Orchestrating Impartiality: The Impact of "Blind" Auditions on Female Musicians. American Economic Review 90 (4): 715–741.
Fredrickson, B. L., & Harrison, K. 2005. Throwing like a girl: Self-objectification predicts adolescent girls’ motor performance. Journal of Sport and Social Issues 29: 79–101.
Heflick, N. A. en Goldenberg, J. L. 2009. Objectifying Sarah Palin: Evidence that objectification of women causes women to be perceived as less competent and less fully human. Journal of Experimental Social Psychology 45: 598–601.
Heflick, N. A., J. L. Goldenberg, D. P. Cooper en E. Puvia. 2011. From women to objects: Appearance focus, target gender, and perceptions of warmth, morality and competence. Journal of Experimental Social Psychology, forthcoming.
Moradi, B. en Y.-P. Huang. 2008. Objectification Theory and Psychology of Women: A Decade of Advances and Future Directions. Psychology of Women Quarterly 32 (4): 3 77–398.
Newheiser, A.-K., M. LaFrance en J. F. Dovidio. 2010. Others as Objects: How Women and Men Perceive the Consequences of Self-Objectification. Sex Roles 63 (9/10): 657–671.
Nussbaum, M. 1999. Sex and Social Justice. New York, Oxford University Press.
Rudman, L. A. en E. Borgida. 1995. The afterglow of construct accessibility: The behavioral consequences of priming men to view women as sexual objects. Journal of Experimental Social Psychology 31: 493–517.
Swim, J. K., L. L. Hyers, L. L. Cohen en M. J. Ferguson. 200. Everyday sexism: Evidence for its incidence, nature, and psychological impact from three daily diary studies. Journal of Social Issues 57: 31–53.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Weinig vrouwen op Wikipedia

03. Februari 2011, 09:30

Op 15 januari vierde Wikipedia reeds zijn 10de verjaardag. De gratis online encyclopedie heeft zich in sneltrein tempo in onze cultuur ingewerkt en is uitgegroeid tot iets waarvan men zou denken dat het altijd heeft bestaan (net zoals Google sinds 1996 en Youtube sinds 2005). Hoewel de traditionele encyclopedie voorlopig nog stand houdt, heeft Wikipedia wel reeds Encarta de dood ingejaagd en is het vandaag de dag veruit de populairste online encyclopedie. De Engelstalige Wikipedia (er zijn Wikipedia's in meer dan 250 talen) wordt wereldwijd door niet minder dan 365 miljoen mensen gelezen en heeft meer dan 3,5 miljoen artikels beschikbaar. Wikipedia is vaak de eerste bron waar mensen informatie zoeken en zoek je informatie over [in te vullen naar keuze] of [om het even wat] dan staat Wikipedia quasi zonder uitzondering bovenaan de zoekresultaten. De betrouwbaarheid van Wikipedia is nog wel geregeld onderwerp van kritiek (omdat de informatie niet door experts wordt verstrekt en door 'iedereen' kan worden aangepast), maar dat stuit de populariteit en het veelvuldige gebruik van de encyclopedie niet.

Wetenschappelijke onderzoek naar de betrouwbaarheid van Wikipedia toont bovendien aan dat het met die betrouwbaarheid van Wikipedia nog wel best meevalt (althans toch zeker in vergelijking met klassieke encyclopedieën). De allereerste studie daaromtrent werd gepubliceerd in het gereputeerde Nature (Giles 2005). Wetenschappers vergeleken systematisch de betrouwbaarheid van Wikipedia met de traditionele Encyclopaedia Britannica door 42 artikels met elkaar te vergelijken. Elk artikel werd op zijn betrouwbaarheid gecontroleerd door academici die niet op de hoogte waren van de bron van het artikel. Het verrassende resultaat was dat Wikipedia en de Britannica haast net zo betrouwbaar bleken te zijn (in beide encyclopedieën werden 4 ernstige fouten aangetroffen - naast een hele reeks kleintjes).    

Wikipedia logo

Hoewel vaak een bron van kritiek dankt Wikipedia zonder twijfel veel van haar succes aan de manier waarop het beheerd wordt. De openheid van het wiki-platform is uniek: iedereen die dat wil kan een artikel aanpassen of toevoegen. Reden genoeg voor sommige wetenschappers om hun collega's aan te manen om het belang van Wikipedia te onderkennen en hen aan te sporen tot actieve betrokkenheid (Nature 468, p. 765). Een gelijkaardige oproep moeten we nu misschien richten aan het adres van vrouwen. In tal van buitenlandse kranten konden we begin deze week lezen dat amper 13% van diegene die artikels aanpassen of toevoegen op Wikipedia vrouwen zijn (Wikipedia survey). 

Dat kan verbazen omdat er vandaag de dag geen sprake meer lijkt te zijn van een digitale kloof tussen mannen en vrouwen (Fallows 2005; Hargittai en Schafer 2006). Recent onderzoek toont echter aan dat, hoewel mannen en vrouwen nu gelijke toegang hebben tot het internet, er op andere vlakken een genderkloof blijft bestaan. Er is een uitgebreide hoeveelheid aan onderzoek en theoretische reflectie over de relatie tussen technologie en gender (zie bijvoorbeeld Green en Adam 2001; Seiter 1999). Vrouwen schatten bijvoorbeeld hun online-vaardigheden lager in dan mannen, hoewel ze net zo goed in staat zijn om informatie terug te vinden op het www (Hargittai en Schafer 2006). In de perceptie van zowel mannen als vrouwen zijn technische vaardigheden echter iets typisch mannelijk: vrouwen zijn technofoben, mannen technofielen (Facer et al. 2001; Henwood et al. 2000; Ribak 2001; Richardson 2005). Hoewel ze nu dus wel over een computer en internetaansluiting beschikken, is het dus toch ook weer niet zo verwonderlijk dat vrouwen zich minder goed thuis voelen op het net dan mannen - dat geldt overigens ook voor ouderen. Ten gevolge van het feit dat er zo lang een digitale genderkloof heeft bestaan is de online-cultuur bovendien traditioneel zeer man-gecentreerd. Dat uit zich in een lagere betrokkenheid van vrouwelijke programmeurs bij Linux en andere open source software (lees hier meer daarover) maar blijkbaar dus ook in de betrokkenheid bij Wikipedia.

Maakt het iets uit wie de artikels op Wikipedia plaatst en aanpast? In veel gevallen waarschijnlijk niet, maar vermoedelijk des te meer wanneer bepaalde controversiële onderwerpen behandeld worden (vooral wanneer die te maken hebben met patriarchie en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen). Daarnaast zouden bepaalde onderwerpen, personen, gebeurtenissen, etc., waarschijnlijk van meer en correctere informatie worden voorzien indien er meer vrouwen zich actief zouden bezighouden met het aanmaken en aanpassen van Wikipedia-artikels. Het artikel op de Engelstalige Wikipedia over 'masculinity' bijvoorbeeld, is op zijn zachts gezegd oppervlakkig en eenzijdig (naar Patricia Yancey Martin, vermoedelijk de belangrijkste autoriteit wanneer het over mannelijkheid gaat, is simpelweg geen enkele verwijzing terug te vinden). Wikipedia helpt je ook verder op weg indien je wat wenst te weten over de eerste de beste voetballer (kent u Emanuele Calaiò?) dan wanneer je op zoek bent naar informatie over bekende mode-ontwerpers als Manolo Blahnik en Jimmy Choo; over Ritchie De Laet (wie vraagt u?) vind je meer informatie terug dan over De Antwerpse Zes (Dirk Van Saene en Marina Yee hebben geeneens een eigen artikel).

Hoeveel vrouwen zitten er eigenlijk op dit blogportaal?  



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


1 2 3  Volgende»