SciLogs International .com.be.es.de

Recentste blogposts RSS

'14-'18: Falend risico- en crisismanagement door Studio 100

10. Juni 2014, 20:55

Organisaties staan bloot aan tal van risico's. Sommige van die risico's hebben een beperkte impact, andere een bijzonder grote. Sommige van die risico's zijn eenvoudig te voorspellen, sommige bijna niet te voorzien. Of het nu gaat om een kleine diefstal of een apocalyptische gebeurtenis die het voortbestaan van een organisatie in gevaar kan brengen, als organisatie weet je echter sowieso dat je aan een breed scala van risico's bent blootgesteld. Goed omgaan met risico's is dan ook van levensbelang voor organisaties.
 

Je kan als organisatie nooit alle risico's waaraan je bent blootgesteld kennen of voorspellen, laat staan elimineren. De essentie van risicomanagement is dan ook niet de eliminatie van risico's, maar het omgaan met risico's. Een niet te onderschatten rol in het omgaan met risico's is weggelegd voor communicatie. Organisaties communiceren bijvoorbeeld over risico's via hun jaarverslagen, maar net zo goed door middel van persberichten en bij producten bijgeleverde gebruiksaanwijzingen.

In de cursus risicomanagement die ik doceer, wijs ik er mijn studenten op dat communicatie altijd een belangrijke rol vervult in het risicomanagement van een organisatie, maar dat de rol van communicatie des te duidelijker wordt in tijden van crisis. Een essentieel kenmerk van crisissen is immers dat zij een snelle respons vereisen van de betrokken organisatie. Als een organisatie niet tijdig en adequaat communiceert over een crisissituatie dan loopt zij bijvoorbeeld het risico op reputatieschade. Dat is bovendien in steeds toenemende mate zo door het alsmaar groeiende belang van sociale media zoals Facebook en Twitter (de impact van sociale media werd wel zeer duidelijk in het geval van de Dry Max luiers van Procter & Gamble)
 
  
 
 
TELL IT ALL, TELL IT EARLY, TELL IT YOURSELF
Zo luidde het mantra van de crisiscommunicatie in het Witte Huis ten tijde van Bill Clinton. Voorbeelden van het belang van risico- en crisiscommunicatie zijn legio en je zou dan ook verwachten dat elke organisatie zich daarvan ter degen bewust is. Gisteren ondervond ik echter nog eens aan de levende lijven dat dit niet het geval is.

Even de feiten op een rij. Gisterenavond rond 19u zat ik, samen met zo'n 1800 andere mensen, reikhalzend op het puntje van mijn stoel te wachten tot de spektakel musical '14-'18 van start zou gaan. Zoals gepland verliet ik iets na 21u de Mechelse Nekkerhal om huiswaarts te keren. In de tussenliggende +/- 2 uur kreeg ik echter niet de +/- 2 uur durende voorstelling te zijn. Nadat de voorstelling met een kleine vertraging van start was gegaan werd deze immers al gauw een eerste maal stilgelegd. Na zowat 5 minuten kregen we van een Studio 100 medewerker te horen dat er technische problemen waren en dat men deze zo snel mogelijk ging trachten op te lossen. Er werd ons ook gevraagd om te blijven zitten. Ruim 45 minuten later zou de voorstelling pas opnieuw van start gaan. In die tussenliggende 45 minuten werd er door de Studio 100 medewerker nog een keer herhaald dat men probeerde om het technische probleem zo snel mogelijk op te lossen. Meer informatie werd er niet verschaft. Het probleem werd echter weggewerkt en met de nodige vertraging kon de voorstelling dus alsnog van start gaan. Of zo dachten de 1800 aanwezigen toch. Een tijd lang ging het goed, maar na zowat een half uur voorstelling gingen de lichten opnieuw aan en kreeg het publiek te horen dat er geen "kwalitatieve voorstelling kon worden gegarandeerd omdat het technische probleem niet opgelost geraakte" (meer uitleg dan dat werd er opnieuw niet verstrekt). Daar werd een weinig overtuigende spijtbetuiging aan toegevoegd en de belofte dat we naar een nieuwe voorstelling zouden mogen komen kijken of ons geld terugbetaald zouden krijgen.

Technische problemen zijn overduidelijk een risico waaraan de organisatie van een spektakelstuk als deze is blootgesteld. Het is dan ook verwonderlijk dat de organisatie hier geen rekening mee leek te hebben gehouden en zich hier geen raad mee wist. Nochtans gebeurt het vaker dat evenementen en culturele voorstellingen door omstandigheden niet kunnen doorgaan of voortijdig dienen te worden stopgezet. Ik maakte het zelf recent nog met twee andere voorstellingen mee. In het ene geval was het reeds enkele dagen voor de eigenlijke voorstelling duidelijk dat ze niet zou kunnen plaatsvinden en werd ik dan ook via e-mail en sms tijdig op de hoogte gebracht van het hoe en waarom, mijn ticket kreeg ik uiteraard ook volledig terugbetaald. In het andere geval werd de voorstelling na zowat 5 minuten "tijdelijk" en na een nieuwe poging uiteindelijk definitief gestaakt. Zowel tijdens de onderbreking als na de uiteindelijke stopzetting kregen alle toeschouwers een gratis drankje aangeboden, werd duidelijk toegelicht wat het probleem was en werden naderhand uiteraard de tickets volledig terugbetaald.

Het verwonderde mij dus zeer dat wij gisteren zo goed als in het ongewisse bleven over de oorzaak van de stopzetting en op geen enkel ogenblik een drankje of wat dan ook werden aangeboden. Dat had nochtans welgekomen geweest wanneer men ongewenst 45 minuten met zijn duimen dient te draaien in een tropisch warme ruimte (ook naar het waarom van het niet gebruiken van de airconditioning konden de toeschouwers slechts raden). Sterker nog, zij die op zoek gingen naar verfrissing stelden vast dat er geen plastieken flesjes water meer voorradig waren in de bar. Wie (water) wenste te drinken was dus verplicht zijn toevlucht te zoeken tot de duurdere glazen flesjes water die er werden verkocht (aan niet minder dan 3,33 euro; het dubbele van een plastieken flesje). Wanneer een aantal toeschouwers hierover aan bar hun beklag deden en dit aankaartte bij de verantwoordelijke dan kregen zij slechts te horen dat "er een beslissing genomen moest worden" en dat er beslist was dat de barprijzen de barprijzen waren en niet gewijzigd gingen worden. Gelukkig werd er als "tegemoetkoming" wel beslist dat deze glazen flesjes uitzonderlijk mee in de zaal mochten worden meegenomen.

Voor mij was '14-'18 dus geen indrukwekkende voorstelling, maar wel een praktijkervaring van gebrekkig risicomanagement en crisiscommunicatie. Een vaststelling die alleen maar onderstreept wordt door het feit dat men blijkbaar de dag voordien reeds de hulp van de brandweer had dienen in te roepen om de zondagavondvoorstelling te kunnen laten doorgaan. De technische problemen waren naar alle waarschijnlijkheid noch te voorzien noch te vermijden, maar risicomanagement gaat zoals gezegd niet om het vermijden van risico's, maar het omgaan met risico's.



Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Gender en lichamelijkheid

29. Januari 2014, 08:07

Er is weinig dat zo persoonlijk, intiem en natuurlijk aanvoelt dan onze verhouding met ons eigen lichaam. Ons eigen lichaam is immers iets wat we volledig zelf kunnen beschouwen. Bovendien worden lichamen in onze samenleving (die in toenemende mate belang hecht aan gezondheid, schoonheid en lichamelijk welzijn) ook almaar meer gezien als een kneedbaar object (zie daaromtrent ook mijn eerdere blogpost over erotisch kapitaal). Zoals echter uit het onderzoek van Dieter Vandebroeck, socioloog aan de Vrije Universiteit Brussel, blijkt, wordt onze lichamelijkheid in belangrijke mate vorm gegeven door het sociale milieu waarin we ons bevinden. Lichamen worden sociaal geconstrueerd (d.w.z. onze ideeën over welke lichamen we mooi vinden, hoe lichamen er volgens ons behoren uit te zien, wat de typische fysieke capaciteiten van die lichamen zijn in fysieke arbeid en sportactiviteiten, etc., zijn sociale constructies).
 
Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor gender. Gender geeft in belangrijke mate vorm aan de manier waarop wij ons lichaam beschouw en hoe we met ons lichaam omgaan (men spreekt in dat verband over "de belichaming van gender"). Het hoeft dan ook niet te verbazen dat genderonderzoekers zoals de biologe Anne Fausto-Sterling (Sexing the Body) en de sociologe Judith Lorber (The Socially Constructed Body) in hun onderzoek veel aandacht besteden aan ons lichaam en onze lichamelijkheid. In haast alle gekende samenlevingen zijn er immers duidelijke gegenderde ideeën en verwachtingen omtrent lichamelijkheid: er bestaat niet zoiets als een mooi lichaam, er bestaan mooie mannelijke lichamen en mooie vrouwelijke lichamen; een mannelijk lichaam dient er anders uit te zien dan een vrouwelijk lichaam; een vrouwelijk lichaam beschikt niet over dezelfde fysieke capaciteiten als een mannelijk lichaam, etc.
 
Wanneer onze ideeën en verwachtingen op dat gebied niet worden ingelost dan zorgt dat voor een vorm van ongemak. Vanuit dat oogpunt is het project "Switcheroo" van Hana Pesut uitermate interessant. Het project bestaat uit een reeks mannen en vrouwen die van outfit veranderen:
 
  
Wat opvalt is dat de foto's die het meest in het oogspringen diegene zijn waarop mannen zichtbaar zijn in outfits die zeer sterk als vrouwelijk worden aanzien. Vrouwen kunnen zich tot op zekere hoogte aan gedrag wagen dat niet-genderconform is (d.w.z. eerder mannelijk dan vrouwelijk) omdat mannelijkheid meer status heeft in onze maatschappij dan vrouwelijkheid (vrouwen kunnen dus tot op zekere hoogte aan statusverhoging doen door aan mannelijkheid te doen). Omgekeerd geldt dat niet, onze samenleving is hoogst intolerant voor mannen die gedrag vertonen dat niet-genderconform is (d.w.z. ten aanzien van mannen die eerder vrouwelijk gedrag vertonen). Mannelijkheid is goed voor iedereen, vrouwelijkheid is voor vrouwen (alzo luidt de impliciete culturele boodschap die onze maatschappij uitdraagt). Sommige "mannelijke" kledij (bijv. lange broeken) en poses (bijv. gekruiste armen) zijn dus ook aanvaardbaar voor vrouwen, maar omgekeerd geldt niet dat "vrouwelijke" kledij en poses aanvaardbaar zijn voor mannen. Vrouwen beschikken op dat vlak dus over iets meer flexibiliteit, maar voor zowel mannen als vrouwen geldt dat het voorzichtig balanceren is op de genderconforme lijn.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Mannen als de "neutrale" standaardversie

27. November 2013, 08:33

Nadat ik in een vorige blogpost vrij onomwonden has geschreven dat mannen in onze samenleving beschouwd worden als "de norm" kreeg ik behoorlijk wat vragen en opmerkingen daaromtrent. Het is nochtans niet moeilijk om in te zien dat mannen inderdaad als de standaard worden aanzien in (de meeste) samenlevingen, dat mannen beschouwd worden als "neutraal" (de "default option" als je wil). Wanneer er gesproken wordt over "mensen", "personen" of soortgelijks dan wordt (vaak) impliciet aangenomen dat het om mannen gaat en wanneer we duidelijk wensen te maken dat het om een vrouw gaat dan voegen we een specifiek label toe (en zodus spreken we over mevrouw de directeur, mevrouw de burgemeester, etc. - in het geval van de brandweerman is de ondertoon zelfs geeneens impliciet).

Wie zijn ogen opentrekt die kan op dagdagelijkse basis vaststellen hoe onze maatschappij mannen als de default option beschouwt:

 

Hoewel er "deodorant voor vrouwen" bestaat, is er blijkbaar geen "deodorant voor mannen" (voor mannen is er immers reeds "deodorant", het toevoegsel man is uiteraard overbodig).

 

Datgene waar mannen in geïnteresseerd zijn dat valt onder "algemene interesse" (de norm), voor vrouwen is er daarentegen "mode voor vrouwen".

De lijst met alledaagse voorbeelden van situaties waarin mannen als de norm worden beschouwd (de "standaard" versie, zeg maar) zijn veelvuldig: mannen zijn personen, vrouwen zijn vrouwen:

 

 

Puzzels, boeken, sportgrief, werktuigen, ... ze zijn er allemaal in een versie voor haar (en uitsluitend voor haar want de "neutrale" standaardversie is feitelijk uitsluitend voor hem).



Geschreven in Algemeen | 2 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Halloween

31. Oktober 2013, 08:07

Enkele blogposts geleden had ik het over het gegenderde karakter van speelgoed (d.w.z. er is "mannelijk" en "vrouwelijk" speelgoed). Ook over de (toenemende en overdreven) seksualisering van kinderen is er vaak veel te doen (zie bijv. het rapport van de American Psychology Association daarover).

En af en toe komt alles gewoon samen; of hoe een enkel beeld soms veelzeggend kan zijn: 



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Porno

25. September 2013, 08:38

Hoewel er vanuit feministische hoek (bijv. door Ellen Willis) af en toe beargumenteerd wordt dat pornografie kan bijdragen tot de seksuele bevrijding van vrouwen, en alzo een een belangrijke bijdrage kan leveren in het bewerkstelligen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, zijn zulke geluiden eerder uitzonderlijk. Door de bank genomen hoor je vanuit feministische hoek vooral (zeer) kritische geluiden over pornografie. De radicaalste van die kritieken bepleit zelfs een volledig verbod op pornografie omdat, zo luidt de argumentatie, pornografie in feite niets anders is dan uitbuiting en geweldpleging ten aanzien van vrouwen.

Men hoeft echter geen radicale feministe te zijn om het eens te zijn met de observatie van Alice Schwarzer dat pornografie een vertekend beeld geeft over seks en het menselijke lichaam (zowel dat van mannen als dat van vrouwen). Mensen van allerhande slag en ideologische signatuur onderschrijven die vaststelling (al verbinden ze er uiteraard niet allemaal dezelfde conclusies aan).

Het is ook die vaststelling die de Britse Cindy Gallop er de voorbije jaren toe inspireerde om de verspreiding van "een realistischer beeld van seks" te bepleiten en na te streven. Het begon met een lezing in 2009 tijdens een TED (Technology, Entertainment and Design) conferentie waarin ze seksualiteit (in de echte wereld) en (hardcore) pornografie bespreekt:

 

(Een uitgebreidere versie van de video vind je hier: klik)  

Daarop volgde dan de lancering van een website MakeLoveNotPorn.tv waarop homevideo's beschikbaar zijn van "echte mensen" die seks hebben.

Volgens Cindy Gallop (en vele anderen) is er an sich niets mis met pornografie. Zoals ze zelf zegt: This is not anti-porn. I'm a fan of hardcore porn, I watch it regularly myself. Het probleem zit hem in de huidige (door mannen gedomineerde) porno-industrie (en in zekere zin in de huidige maatschappij in zijn geheel) die een vertekend beeld van het menselijke lichaam geeft en van seksuele beleving (pornografie is bijvoorbeeld vaak vrouwonvriendelijk en geweldadig).

 

http://www.makelovenotporn.com/ 



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Mannen- en vrouwentoiletten

05. September 2013, 08:00

In de bioscoop, in het theater, op de sportclub en op vele andere publieke plaatsen lopen we geregeld een publiek toilet binnen. Niet zomaar willekeurig uiteraard, neen, mannen in de mannentoiletten en vrouwen in de vrouwentoiletten. Dit lijkt banaal, vanzelfsprekend of zelfs noodzakelijk. Dat is het echter niet.

 

Erving Goffman, volgens sommigen de belangrijkste socioloog van de 20ste eeuw, beschreef in een wetenschappelijk artikel ooit hoe openbare toiletten een eerbetoon zijn aan de verschillen tussen mannen en vrouwen (in zoverre ze die verschillen zelfs niet mee in stand houden en produceren). Het onderscheid tussen mannen- en vrouwentoiletten mag dan immers wel als "natuurlijk" worden voorgesteld, dat is het niet. Het (biologische) feit dat mannen en vrouwen andere organen gebruiken bij hun toiletbezoek is op geen enkele manier (noodzakelijke en voldoende) oorzaak voor het arrangement waarbij er afzonderlijke mannen- en vrouwentoiletten bestaan. Het bestaan van aparte toiletten voor mannen en vrouwen is een zuiver cultureel gegeven! (Of heeft u thuis ook afzonderlijke toiletten voor mannen en vrouwen?)

De scheiding tussen mannen en vrouwen in openbare toiletten is waarschijnlijk een van de overduidelijkste manieren waarop de man-vrouw scheidingslijn in stand wordt gehouden en versterkt. Symbolen die gebruikt worden ter signalisatie hiervan zijn dan ook hoogst interessant en opmerkelijk. Ze vertellen ons immers iets over de manier waarop samenlevingen omgaan met sekse en gender. 

Toilet-segregatie als "natuurlijk" verlengstuk van man-vrouw verschillen 

Soms is de link tussen de veronderstelde "natuurlijkheid" van gescheiden toiletten voor mannen en vrouwen behoorlijk expliciet. Vaak wordt het onderscheid tussen mannen- en vrouwentoiletten immers aangegeven met symbolen die expliciet verwijzen naar bepaalde geslachtskenmerken van mannen en vrouwen (mannen kunnen uiteraard geen borsten of vagina hebben).

 

 

Brute pech voor transgenders dan wel. (Niet verwonderlijk zijn het dan ook vaak transgenders die verwikkeld raken in debatten hieromtrent; recentelijk bijvoorbeeld nog in Arizona waar overwogen werd om het wettelijk te verplichten dat men de openbare toiletten, kleedkamers, etc. gebruikt in overeenstemming met het geslacht dat op zijn geboortecertificaat staat; zie hier).

Nog essentialistischer zijn uiteraard symbolen waarbij specifieke chromosoomparen worden afgebeeld waarover men blijkbaar dient te bezitten indien men van ene of gene toilet wenst te gebruiken:

Brute pech voor mensen met bijvoorbeeld het syndroom van Klinefelter of het syndroom van Turner.

Toilet-segregatie als symbool van de mannelijke norm  

In vele gevallen is de boodschap die gecommuniceerd wordt middels signalisaties van toiletten dat mannen de norm zijn en vrouwen niets meer zijn dan een uitbreiding van de man (mannen zijn representatief voor "de mens", vrouwen zijn slechts representatief voor "andere vrouwen").

Op dit Iraanse bord bijvoorbeeld worden mannen afgebeeld als mensen en vrouwen als mensen die rokken en hijabs dragen: 

 

Toilet-segregatie als uitdrukking van vrouwen en mannen als tegengestelde categorieën 

Wanneer het symbool dat de vrouwentoiletten moet aanduiden geen uitbreiding is van de mannelijke norm wordt er vaak gebruik gemaakt van symbolen (bijv. driehoeken) die uitdragen dat mannen en vrouwen tegengestelde categorieën zijn die diametraal tegenover elkaar staan.

 

Toilet-segregatie als gender-expressie 

De symboliek van mannen- en vrouwentoiletten beperkt zich niet uitsluitend tot sekse-gerelateerde kenmerken, maar beroept zich net zo vaak op gender-expressies en -verwijzingen. In zulke gevallen wordt er niet eens meer gepretendeerd dat de scheiding in mannen- en vrouwentoiletten "natuurlijk" is. Vaak dragen zulke symbolen ook uit hoe mannen en vrouwen zich dienen te gedragen (i.e., hoe mannelijkheid en vrouwelijkheid dient "uitgevoerd" te worden). Dat is van belang om omdat op die manier ook opvattingen worden gecommuniceerd over wat het betekent om "man" of "vrouw" te zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot klederdracht:

 

Soms gaat men nog een stapje verder en wordt het onderscheid uitsluitend gemaakt op basis van klederdracht ("kleren maken de man", weet u wel): 

 

De frappantste figuur is echter ongetwijfeld de volgende:

Deze figuur is als het ware allesomvattend: (1) het omvat de idee van de man als norm: de vrouwelijke figuur wordt afgebeeld als een uitbreiding van de mannelijke figuur (de vrouwelijke figuur is simpelweg de mannelijke figuur met toevoeging van een jurk en lippenstift); (2) het idee dat de scheiding in mannen- en vrouwentoiletten veroorzaakt wordt door biologische verschillen tussen de seksen: hij heeft een penis, zij een vagina; en (3) de manier waarop er aan gender moet worden "gedaan": hij denkt aan voetbal, zij aan winkelen.

De overbodigheid van mannen- en vrouwentoiletten

Het wijdverspreide bestaan van aparte openbare mannen- en vrouwentoiletten is een expliciet culturele uitting van hoe onze samenleving over gender denkt: mannen zijn de norm, vrouwen en mannen zijn elkaar uitsluitende categorieën is (wie man is kan geen vrouw zijn en vice versa), mannen en vrouwen zijn tegenovergestelde categorieën en wie tot de ene categorie behoort die dient anders te voelen, denken en handelen dan wie tot de andere categorie behoort. Het kan nochtans ook anders: 

Bovenstaande foto is afkomstig uit een restaurant in Philadelphia waar de vier aanwezige toiletten expliciet genderneutrale labels hebben gekregen (gedeeltelijk met de omvangrijke queer-gemeenschap uit de stad in het achterhoofd).

 

  

 

DisclaimerDit artikel is deels gebaseerd op een artikel dat eerder verscheen op de blog Sociological Images. Een deel van de in dit artikel gebruikte foto's zijn afkomstig van Eszter Hargittai. 



Geschreven in Algemeen | 3 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Jongens- en meisjesspeelgoed

03. Juli 2013, 08:00

Speelgoed is een belangrijk onderdeel van het leven. Speelgoed draagt bij tot kinderen hun socialisatie en beïnvloedt hun fysieke en geestelijke ontwikkeling. Om die reden is het verontrustend om vast te stellen dat er weinig domeinen zijn waar de genderbarrières zo uitgesproken zijn als in de wereld van het kinderspeelgoed: geweren zijn voor jongens, poppen zijn voor meisjes, auto's zijn voor jongens, het kookfornuis voor meisjes, alle blauwe speelgoed voor jongens, alle roze speelgoed voor meisjes.

 

Speelgoed is dus niet zomaar speelgoed. Aan de hand van het speelgoed dat we onze kinderen geven, geven we hen ook een boodschap mee. Een boodschap over wie ze zijn en hoe ze behoren te zijn: in roze geklede poppetjes tegenover in blauw gehulde wereldveroveraars. De implicaties van die (impliciete, doch niet mis te verstane) boodschappen is niet te onderschatten. Alleen al het feit dat Barbie geen bouwvakker, brandweerman (sic), vrachtwagenchauffeur of elektricien is, beïnvloed de mate waarin meisjes zichzelf later een dergelijk beroep zijn uitoefenen. Gelukkig dus maar dat Barbie tegenwoordig ook computeringenieur of piloot kan zijn.

Speelgoed vervult echter niet enkel een socialiserende rol. "Al spelende leert men", luidt de zegswijze en zo is het maar net. Speelgoed helpt kinderen in hun fysieke, intellectuele en artistieke ontplooiing. Het ene stuk speelgoed echter al wat meer dan het andere. Zo helpen blokken, puzzels en constructiespeelgoed bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van kinderen hun ruimtelijke vaardigheden. Helaas voor de meisjes want veel van dat speelgoed is toch allemaal net iets geschikter voor jongens dan voor meisjes. Nog erger is het gesteld met speelgoed dat zeer uitgesproken en expliciet voor jongens of voor meisjes voorbestemd is (bijv. soldaatjes voor jongens en een ballerinakostuum voor meisjes). Zulk uitgesproken gegendered speelgoed blijkt immers veel minder geschikt te zijn voor de ontwikkeling van kinderen van speelgoed dat minder uitgesproken voor jongens of meisjes bedoeld is (bijv. dinosauriërs voor jongens en paarden voor meisjes) of speelgoed dat genderneutraal is (bijv. een speelgoedkassa of een trampoline).

 

Dat het ook anders kan daar bestaat geen twijfel over. Terwijl in de meeste landen automatisch in termen van jongens- en meisjes(speelgoed) wordt gedacht (door ouders, leerkrachten en opvoeders, marketeers, etc.) zijn zulke opvattingen uitzondering in plaats van regels in Zweden (niet toevallig in Zweden, pionier op het vlak van gendergelijkheid). Wie de Zweedse (links) en Deense (rechts) versie van de catalogus van speelgoedfabrikant TopToy naast elkaar legt die kan alleen maar verbaasd zijn:

 

Zweden is uiteraard een vreemde eend in de bijt. In termen van gendergelijkheid zijn er maar weinige landen die aan Zweden kunnen tippen (het verplichtte vaderschapsverlof bedraagt bijvoorbeeld minimaal 60 dagen (maximaal 480 dagen) – daar vallen de 10 dagen die Belgische vaders krijgen bij in het niets). Wat wij in onze contreien "radicaal feminisme" zouden noemen, is in Zweden softe mainstream. Er is echter reden voor optimisme. Toenemende bewustwording op dit vlak lijkt ook in toenemende mate buiten Zweden op te duiken. Tijdens de Kerstperiode van 2011 haalde het bekende Engelse warenhuis Harrods bijvoorbeeld de krantenkoppen omdat ze besloten had om hun speelgoed niet langer in jongens- en meisjesspeelgoed in te delen, maar wel op basis van thema's (zie hier).

Dat biedt dus toch enige hoop voor de toekomst want het is vreemd vast te stellen dat speelgoed, of toch alleszins de advertenties voor speelgoed, vandaag de dag meer in plaats van minder stereotypes lijken uit te dragen!

 



Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Meisjes en wiskunde

22. Mei 2013, 08:00

"Heeft hij het nu weer over meisjes en wiskunde", hoor ik sommigen onder u al denken. Dat klopt, weer wiskunde. Het ging hier op dit blog al wel vaker over wiskunde (hier en hier). Onlogisch is dat niet, vrouwen blijven zwaar ondervertegenwoordigd in de wiskundige en aanverwante domeinen. En hoewel de berg wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp al lang niet meer te overzien is, blijft er veel onduidelijkheid (en mystiek) rondom dit onderwerp hangen. Toen ik begin april op de EOS-website een artikel "Meisjes en wiskunde" zag staan klikte ik dat dan ook met veel interesse aan.
 
 
 
Het artikel was van de hand van Marc Seijlhouwer en betrof een korte samenvatting van niet minder dan 3 wetenschappelijke studies die er in de weken voordien gepubliceerd waren. De eerste studie betrof een zogenaamde meta-analyse over de ruimtelijke vaardigheden van jongens en meisjes. Conclusie van deze studie: die ruimtelijke vaardigheden hangen niet samen met iemands geslacht ("ben ik een jongen of een meisje"), maar wel met iemands genderrol en identificatie ("in welke mate associeer ik mij met mannelijke persoonlijkheidskenmerken"). Een duidelijke aanwijzing dat ruimtelijk inzicht niet zozeer "geslachtsbepaald" is, maar meer cultureel, aldus Seijlhouwer.
 
Ook de tweede studie onderstreept die conclusie: hoewel er geen daadwerkelijke verschillen in de prestaties van meisjes en jongens zitten, hebben jongens toch een positievere houding ten aanzien van wiskunde dan meisjes ("ze vinden het leuker" want zoals Barbie al wist: "Math is a boy thing"). Attitudes beïnvloeden logischerwijs de keuzes die mensen maken, hun gedrag en hun prestaties. Niet verwonderlijk dus dat talloze andere onderzoeken al uitvoerig aangetoond hebben dat diegene die minder interesse heeft in wiskunde en diegene die meent dat hij/zij niet zo heel goed is in wiskunde (en dat zijn dan vooral zij’s uiteraard) ook daadwerkelijke slechter scoort op wiskundige tests (los van de eigenlijke capaciteiten). Vaak is het dus inderdaad zoals Seijlhouwer het samenvat: "Omdat meisjes denken dat ze slechter zijn in technische vakken zoals wiskunde, zijn ze er ook slechter in".
 
De derde studie ten slotte onderzocht of er verschillen zijn in de wiskundige prestaties van jongens en meisjes (een "wiskundekloof") in 75 verschillende landen op basis van het Programme for International Student Assessment (PISA). Over dit onderzoek beweert Seijlhouwer dat het aantoont dat "meisjes in alle 75 onderzochte landen slechter waren in wiskunde". Dat is echter niet correct! Zoals immers reeds in de samenvatting van het artikel te lezen staat: "There are countries without a sex difference in mathematics performance, and in some countries girls scored higher than boys". Volledig in overeenstemming met voorgaand onderzoek (zie bijvoorbeeld deze figuur gebaseerd op onderzoek van de OESO). Opvallend genoeg besteed Seijlhouwer geen aandacht aan een van de belangrijkere conclusies van deze laatste studie. Anders dan voorgaand onderzoek vond deze studie immers geen verband tussen de mate waarin er in een land een wiskundekloof is en de mate van "gendergelijkheid" van dat land. Nochtans zou men verwachten, zoals bepaalde studies ook hebben aangetoond, dat het verschil tussen jongens en meisjes (inzake wiskundige prestaties) kleiner zou zijn in landen met meer gendergelijkheid.
 
 
Wat betekent dit nu alles? Volgens Seijlhouwer is het opvallend dat de wiskundekloof in alle landen aanwezig is (voor alle duidelijkheid: dat is dus niet zo). In combinatie met de resultaten van de andere studies concludeert hij daarom dat het zou kunnen dat de vooroordelen en stereotiepe opvattingen over meisjes en wiskunde geen typisch Westers gegeven zijn, maar dat ze "overal waar zijn".
 
Dat er in werkelijkheid ook landen zijn waar de wiskundekloof afwezig is (of waar meisjes beter scoren), hoeft de conclusie van Seijlhouwer niet noodzakelijk te weerleggen. Het gegeven dat er blijkbaar geen verband bestaat tussen de mate van die wiskundekloof en de mate van gendergelijkheid van dat land, lijkt echter wel problematisch voor zijn conclusie. Als de wiskundekloof immers niet verdwijnt (of minstens verkleint) in landen met een grotere mate van gendergelijkheid, hoe zwaar wegen die culturele factoren dan eigenlijk wel door? Is het dan inderdaad wel echt zo dat het vooral (cultureel gevoede) attitudes zijn die meisjes voor andere dan wiskundige richtingen en carrières doen kiezen, dat (cultureel gevoede) identificatie met "mannelijke" identiteitskenmerken daar een impact op heeft, dat …?
 
CULTUUR DOET ERTOE
 
De bewijslast inzake het belang van culturele factoren om de wiskundige prestaties van meisjes (en jongens) te verklaren, hun attitudes ten aanzien van wiskunde en de gevolgen daarvan voor hun studie- en beroepskeuzes is enorm. Culturele elementen (bijv. identificatie met de mannelijke genderrol, stereotiepe opvattingen over meisjes en wiskunde) hebben zonder enige discussie inderdaad een impact hebben op de wiskundige prestaties van meisjes en jongens, op hun voorliefde/afkeur voor wiskunde, op de (studie- en beroeps)keuzes die ze maken, etc. Daar bestaat geen enkele discussie over! Waarom is die wiskundekloof dan toch niet gelinkt aan de gendergelijkheid van een land? Daar zijn een aantal mogelijke verklaringen voor.
 
 
Ten eerste is het zo dat maatstaven van genderongelijkheid ons weinig tot niets leren over de mate waarin een samenleving gebukt gaat onder stereotiepe gender-opvattingen, seksisme en dies meer. De Gender Inequality Index (GGI) bijvoorbeeld geeft weer in welke mate er in een land ongelijkheid bestaat tussen mannen en vrouwen in termen van gezondheid, onderwijs, politieke vertegenwoordiging, economische mogelijkheden en arbeidsmarktparticipatie. Hoe belangrijk al die zaken ook zijn, ze hebben zeer weinig te maken met culturele (stereotiepe) opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid, over verwachtingspatronen voor jongens en meisjes, etc. Hoewel het duidelijk is dat seksisme en genderongelijkheid aan elkaar gerelateerd zijn, zijn seksisme en stereotiepe genderverwachtingen ook aanwezig in gendergelijke(re) samenlevingen. Men hoeft het Europese waardenonderzoek er maar op na te slaan om dat te beseffen. Ook vandaag de dag vinden in België bijvoorbeeld een hele hoop mensen dat mannen meer recht hebben op een job dan vrouwen wanneer jobs schaars zijn, dat vrouwen kinderen moeten krijgen om zichzelf te kunnen vervullen (en dat geldt uiteraard niet voor mannen), dat wat vrouwen eigenlijk echt willen "een huis en kinderen" is en dat vrouwen minder dan mannen in staat zijn om in relatie met hun emoties om te gaan.
 
Daarnaast speelt er mogelijk nog een tweede verklaring een rol. In een uitstekend artikel uit 2009, deden de sociologen Maria Charles en Karen Bradley een opmerkelijke vaststelling: in economisch sterker ontwikkelde landen (en dat zijn vaak landen met minder genderongelijkheid) zijn onderwijsdomeinen zoals wiskunde veel sterker gender-getypeerd (d.w.z. cultureel gelinkt aan jongens of meisjes). Opmerkelijk genoeg leeft dus in een land als Noorwegen veel sterker het idee dat wiskunde iets "mannelijks" is, iets voor jongens, dan in bijvoorbeeld Bulgarije. (Ter info, in de recentste GGI stond Noorwegen als 3de gerangschikt, Bulgarije als 52ste; België 12de.) Bovendien speelt er in zulke samenlevingen nog iets anders: het geloof (en de maatschappelijke prikkels) voor "zelfontplooiing". Dat leidt volgens Charles en Bradley tot een situatie in deze samenlevingen van "endulging our gendered selves". Kort samengevat: in samenlevingen zoals de onze geldt het volgende: (a) er bestaat een sterke culturele opvatting dat wiskunde iets voor jongens is en (b) er bestaat een sterk geloof dat we "zelfexpressie" moeten nastreven en "onze ware aard" moeten volgen en najagen. De combinatie van die twee factoren leidt ertoe dat in samenlevingen zoals de onze jongens meer geneigd zullen zijn om voor wiskundige richtingen te kiezen (ze ontvangen daar meer maatschappelijke prikkels voor dan meisjes en stimuleren zichzelf ook meer om daarin geïnteresseerd en goed te zijn).
 
Alles in acht genomen is het uiteindelijk dus toch ook weer niet zo heel verwonderlijk dat er geen (duidelijk, rechtlijnig) verband bestaat tussen de wiskundekloof en de mate van gendergelijkheid van een land.


Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


6 weken zomervakantie volstaan!

03. Mei 2013, 18:35

Het voorstel van CD&V om de zomervakantie in te korten tot zes weken is de logica zelve. Toch stonden onmiddellijk na de bekendmaking van de CD&V-congresteksten alle lerarenkamers in Vlaanderen op hun kop, stonden de onderwijsvakbonden op hun achterste poten en schoot ook de katholieke onderwijskoepel het voorstel af.

 

'Ondoordacht' en 'kort door de bocht' zijn maar enkele van de termen die er richting het voorstel werden gekatapulteerd. Het is onvoorstelbaar dat de zogenaamde progressieve krachten in dit land met scherp schieten op een voorstel dat al lang praktijk had moeten zijn. Het opmerkelijke aan dit verhaal is niet het voorstel van CD&V zelf, maar het feit dat dit nu pas ernstig op de politieke agenda lijkt te worden geplaatst. Socioloog Ignace Glorieux van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) pleit al zowat 15 jaar voor een herziening van de schoolkalender. Het gaat daarbij voor alle duidelijkheid niet om een verlening van de totale schooltijd, die blijft onveranderd: 37 lesweken en 15 vakantieweken. Waar het om gaat is dat die schooltijd beter gespreid kan en zou moeten worden. Glorieux formuleerde daarom ooit het volgende voorstel: de zomervakantie met twee weken inkorten en de herfst- en lentevakantie elk met een week uitbreiden; de lesperiodes tussen de vakanties allemaal min of meer gelijkstellen (7 à 8 weken) door ze los te koppelen van de variabele feestdagen.
 
De argumenten daarvoor zijn krachtig. Al sinds de publicatie van Summer Learning and the Effects of Schooling van Barbara Heyns in 1978 is geweten dat kinderen tijdens de schoolvakanties het gevaar lopen van te vergeten en te "ontleren". Vooral tijdens de (te) lange zomervakantie. Tal van wetenschappelijke studies hebben dat sindsdien bevestigd (e.g., Alexander et al. 2007Cooper et al. 1996). Het zijn bovendien vooral kinderen uit de zwakkere sociale groepen die getroffen worden door de negatieve effecten van de schoolvakanties. Kinderen uit sociaal sterkere gezinnen worden ook buiten de schoolmuren blootgesteld aan sociale en culturele activiteiten. Voor hen blijven de negatieve effecten van schoolvakanties daardoor beperkt, zij leren gewoon verder buiten de schoolmuren. Dat geldt echter niet voor kinderen die opgroeien in slechtere sociale omstandigheden; voor kinderen die thuis geen of slecht Nederlands horen spreken, die thuis geen boeken lezen, die niet op taal- of sportkamp gaan, etc. Voor kinderen uit sociaal zwakkere milieus staan (lange) schoolvakanties gelijk aan het opnieuw inleveren van kennis, vaardigheden en attitudes die ze eerder op school hadden verworven.
 
 
De huidige schoolkalender treft op die manier de sociaal zwakkere kinderen uit onze samenleving oneerlijk hard en draagt onbedoeld bij tot de instandhouding van sociale segregatie en ongelijkheid. Het is dan ook uitermate pervers dat de non-argumentatie die we tot op heden gehoord hebben tegenover het CD&V voorstel betrekking hebben op de geneugten van de sociaal sterkere groepen uit de samenleving: de kampen die volop in de zomervakantie worden georganiseerd, de mogelijkheden om (meerdere) lange reizen te maken tijdens de zomervakantie, etc. De waarheid is dat er niemand fundamenteel geschaad wordt door het anders indelen van de bestaande schoolkalender. De baten zijn echter onmiskenbaar: het is verreweg de eenvoudigste maatregel die er kan worden genomen om de sociale gelijkheid in onze samenleving een heel klein beetje terug te dringen. Applaus dus voor CD&V en awoert voor alle conservatieve krachten die de voorbije dagen op de barricades zijn geklommen voor de heilige zomervakantie!


Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Erotisch kapitaal

03. April 2013, 08:16

Wat hebben Catherine Deneuve, Pierce Brosnan, Madonna, Sean Connery, Christine Lagarde, David Beckham, Michelle Obama en Carla Bruni gemeen? Ze bezitten allen de nodige portie erotisch kapitaal.

 

De bekende Franse socioloog Pierre Bourdieu introduceerde in de jaren '80 het onderscheid tussen economisch, cultureel en sociaal kapitaal. Economisch kapitaal is wat je hebt, het omvat goederen en hulpbronnen die een directe monetaire waarde vertegenwoordigen (bijv. geld en onroerend goed). Cultureel kapitaal is wat je kent, het bestaat uit hulpbronnen zoals kunst en kennis (eventueel geïnstitutionaliseerd door middel van onderwijskwalificaties). Sociaal kapitaal ten slotte is wie je kent, het betreft de hulpbronnen ("connecties") die toegang geven tot bepaalde netwerken, relaties en groepen. Zowel cultureel als sociaal kapitaal kan onder bepaalde voorwaarden worden omgezet in economisch kapitaal. Zulke omzettingen zijn echter niet kosteloos, ze vereisen een inspanning ("transformatie-arbeid"). Zo kan men er bijvoorbeeld voor kiezen om economisch kapitaal om te zetten in cultureel kapitaal door een jarenlange academische opleiding (biologie, geneeskunde, economie, …) te doorlopen. Of je kunt sociaal kapitaal aanwenden om economisch kapitaal te vergaren, door via relaties een nieuwe (beter betaalde) job te verwerven.

In recent werk heeft de Britse sociologe Catherine Hakim beargumenteerd dat er naast de drie traditionele kapitaalsvormen (economisch, sociaal en cultureel) nog een vierde vorm moet worden onderscheiden: erotisch kapitaal. Erotisch kapitaal is volgens Hakim opgebouwd uit een zestal elementen: (1) schoonheid, (2) seksuele aantrekkelijkheid ("sex appeal"), (3) sociale "vaardigheden" zoals charme, (4) levendigheid (wat meestal tot uitdrukking komt in dans of sportactiviteiten), (5) sociale presentatie (bijv. kledingstijl en accessoires) en (6) seksualiteit. Laat u dus niet misleiden door de term erotisch kapitaal, de term erotisch kapitaal is enigszins misleidend voor datgene waar Hakim naar verwijst: de meeste van de elementen waar erotisch kapitaal uit opgebouwd is, blijken maar weinig of niets met seksualiteit of erotiek te maken te hebben.

HET VROUWELIJK VOORDEEL

Het belang van erotisch kapitaal ligt hem volgens Hakim deels in het feit dat, over het algemeen, vrouwen over meer erotisch kapitaal beschikken dan mannen. Vrouwen hebben op dit vlak dus een voordeel dat ze zouden kunnen (moeten?) aanwenden om de nog steeds bestaande genderongelijkheid te bestrijden en weg te werken (ook in het Westen beschikken vrouwen vandaag de dag nog altijd over minder economisch, sociaal en cultureel kapitaal dan mannen). Onderzoek toont inderdaad ook aan dat erotisch kapitaal aangewend kan worden ten voordele van de bezitter. Mensen die over meer erotisch kapitaal beschikken (bijv. aantrekkelijkere mensen) doen het bijvoorbeeld beter op de huwelijksmarkt (i.e. ze geraken makkelijker aan een partner en hun partners zijn doorgaans succesvoller). Aantrekkelijke mensen krijgen ook eenvoudiger leningen toegewezen, ontsnappen vaker aan strenge gevangenisstraffen en zijn over het algemeen geliefder en gelukkiger. En ook op de arbeidsmarkt biedt bezit van een fikse portie erotisch kapitaal zijn voordelen. Zo zijn bijvoorbeeld aantrekkelijkere mensen over het algemeen succesvoller en verdienen ze meer. Het lijstje voordelen lijkt overigens quasi eindeloos blijkens recente boeken zoals Beauty Pays: Why Attractive People are More Successful (Daniel Hamermesh, 2011) en The Beauty Bias: The Injustice of Appearance in Life and Law (Deborah Rhode, 2011). Bovendien blijkt dat vooral vrouwen gebaat zijn bij het bezit van erotisch kapitaal.

 

Het idee van erotisch kapitaal en de implicaties die Hakim daaraan verbindt zijn echter minstens om twee redenen problematisch: (1) erotisch kapitaal vermindert snel in waarde; en (2) erotisch kapitaal biedt geen garanties.

DE WAARDE VAN EROTISCH KAPITAAL

Alle kapitaalsvormen zijn (in zekere mate) onderhevig aan waardevermindering (computers, auto's, tuinmeubelen, ... de meeste zaken verliezen aan waarde door de tijd heen). Feit is echter: erotisch kapitaal is sterker onderhevig aan waardeverlies doorheen de tijd dan economisch, cultureel en sociaal kapitaal. Vrouwen (en mannen) kunnen ook op latere leeftijd nog over een serieuze dosis erotisch kapitaal beschikken, maar het is niettemin overduidelijk dat erotisch kapitaal sterk samenhangt met leeftijd.

Dat volgt overigens ook rechtstreeks uit Hakim's eigen argumentatie. Hakim stelt immers dat vrouwen een comparatief voordeel hebben tegenover mannen met betrekking tot het aanwenden van erotisch kapitaal omdat mannen meer in seks geïnteresseerd zijn (Hakim spreekt in dit verband van het "male sex deficit"). Zoals echter genoegzaam bekend is (zie bijv.
de blog van Mark Nelissen): mannen verkiezen jonge vrouwen! Erotisch kapitaal is vanuit dat oogpunt dus eerder een slechte investering. Ter herinnering: het omzetten van de ene kapitaalvorm in de andere is mogelijk, maar niet kosteloos. Wie investeert in het opbouwen van erotisch kapitaal die doet misschien op korte termijn wel profijt, maar op lange termijn kan toch worden verwacht dat investeringen in andere kapitaalsvormen een hoger rendement met zich zullen meebrengen.

EROTISCH KAPITAAL BIEDT GEEN GARANTIES

Zoals eerder gesteld is de term erotisch kapitaal eerder ongelukkig gekozen omdat de meeste elementen immers geen seksuele of erotische inhoud hebben. De term erotisch kapitaal is echter mogelijk nog om een andere reden slecht gekozen. Kapitaal (in zijn verschillende verschijningsvormen; economisch, cultureel, sociaal) kan men immers verwerven en bezitten. Ten dele kan men ook erotisch kapitaal verwerven (hoewel de vraag zich stelt of men het ook kan accumuleren), maar men kan het niet bezitten (overdracht is overduidelijk ook niet mogelijk – waar dat voor andere kapitaalsvormen minstens deels mogelijk is). Men kan erotisch kapitaal niet bezitten omdat erotisch kapitaal ten gronde perceptie is. Wie rijk is aan geld (economisch kapitaal), vaardigheden (cultureel kapitaal) of relaties (sociaal kapitaal) die heeft iets tastbaars, concreet in handen. Wie erotisch kapitaal "bezit" heeft slechts de mogelijkheid om dat kapitaal aan te wenden zolang anderen dat erotisch kapitaal herkennen: heeft de keizer kleren aan? Bovendien is het gebruik van erotisch kapitaal voor vrouwen een tweesnijdend zwaard. Enerzijds kunnen vrouwen als "onvoldoende vrouwelijk" worden beoordeeld. En zoals gezegd: wie aantrekkelijk wordt bevonden wordt als intelligenter en competenter beschouwd. Anderzijds bestaat voor vrouwen het gevaar om als "te vrouwelijk" te worden bestempeld. Dat is niet zonder gevaar want onderzoek (bijv. Heflick and Goldenberg 2009) toont aan dat wanneer mensen focussen op een vrouw haar uiterlijk ze haar als minder intelligent en competent beschouwen. Hoewel aantrekkelijke vrouwen dus vermoedelijk inderdaad een streepje voor hebben pas je als vrouw toch maar beter op met het prominent uitspelen van je uiterlijk.

 

SEKSISME

Tot slot nog een laatste bedenking. Op het einde van de introductie van haar boek Honey Money: The Power of Erotic Capital schrijft Hakim: "Why does no one encourage women to exploit men whenever they can?" [Met "exploit" bedoelt Hakim dat vrouwen gebruik zouden moeten maken van hun erotisch kapitaal; bijvoorbeeld door op de werkvloer te flirten en speels om te gaan met hun mannelijke collega's.] Mocht een man schrijven: "What is wrong with men exploiting women whenever they can?", dan zouden we dat terecht seksitisch vinden. Hakim verwijt radicale feministes dat ze de heersende moraal (die vrouwen ontmoedigt om hun erotisch kapitaal aan te wenden) versterken. Zelfs indien dat waar is, lijkt me dat nog steeds te verkiezen boven de seksistische gedragscode die Hakim blijkbaar voorstaat. Daar kan volgens mij geen zinvol mens zich achter scharen.

Wie Catherine Hakim graag zelf aan het woord wil horen die kan zich op dinsdag 14 april overigens naar Brussel begeven, dan organiseert de culturele organisatie het Vlaams-Nederlands huis deBuren immers een (gratis) lezing en interview met Hakim.



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Vrouwen en oorlog

23. Oktober 2012, 07:41

Vrouwen worden vaak afgeschilderd als vredelievend. Vrouwen zouden bijvoorbeeld van nature uit minder gewelddadig zijn dan mannen. Dat is een behoorlijk wijdverbreide opvatting, in die mate zelfs dat we gerust kunnen spreken van een beeld dat diep in onze cultuur zit ingebakken. Ter illustratie: de combinatie van de termen "women" en "the fairer sex" levert in Google meer dan 3 miljoen ‘hits’ op!

Nu maakt één Amazone wel de winter niet, maar er zijn toch op zijn minst voldoende historische anekdotes die de algemeenheid van de stelling dat vrouwen van nature uit vredelievend zouden zijn eerder twijfelachtig maken (denk bijvoorbeeld maar aan Golda Meir, Margaret Thatcher of Indira Ghandi). Omdat de meeste maatschappijen zo georganiseerd zijn dat het vooral mannen zijn die posities van macht bekleden, bevinden vrouwen zich uiteraard minder vaak in posities waarin ze de mogelijkheid hebben om, bijvoorbeeld, ten oorlog te trekken. Simpelweg kijken naar het aantal gewelddaden van vrouwen en mannen of het aantal maal dat een oorlog door een vrouwelijke dan wel mannelijke politieke leider werd verklaard zou dus logischerwijs een behoorlijk vertekend beeld geven (er wordt dan immers geen rekening gehouden met opportuniteit). Het moet echter worden onderstreept dat er maar weinig wetenschappelijk bewijs is dat houvast biedt voor de mythe dat vrouwen van nature uit vredelievender of minder tot oorlog geneigd zouden zijn. Er zijn uiteraard wel studies terug te vinden waaruit blijkt dat mannen vaker of sneller geneigd zijn om ten oorlog te trekken (e.g., Johnson et al., 2006), maar alles bij elkaar genomen blijken vrouwen wanneer ze zich in dezelfde positie bevinden als mannen uiterst vergelijkbare keuzes te maken. In zoverre er al verschillen opduiken dan is het zeker niet ten gevolge van het feit dat vrouwen van nature uit vredelievender zouden zijn. 

En toch bestaat er een link tussen vrouwen een oorlog. Twee zelf. Ten eerste gaat oorlog zowat hand in hand met verkrachtingen. In sommige gevallen zijn die verkrachtingen toe te schrijven aan ongedisciplineerde soldaten, maar de geschiedenis telt net zo goed voorbeelden waar verkrachtingen werden aangewend als ‘wapen’. Bosnië, Darfur en Rwanda zijn recente voorbeelden van dat fenomeen, maar het verschijnsel is zo oud als de straat. Na de plunderingen van Roma (400 na Chr.), noemde de heilige Augustunis verkrachting tijdens oorlogstijd bijvoorbeeld een "oud en gebruikelijk kwaad". (In de Economist verscheen hierover vorig jaar overigens een uitstekend, zij het weinig opvrolijkend artikel.) Hoewel vrouwen dus niet "de belangrijkste slachtoffers" van oorlog zijn in de zin dat er meer vrouwen dan mannen het leven laten tijdens oorlogstijd (ook dat is weer een wijdverbreide mythe waarvoor geen wetenschappelijk bewijs bestaat; zie bijvoorbeeld Murray en King, 2002; Reza et al., 2001), brengt oorlog dus wel gruwelen met zich mee waaraan (quasi) uitsluitend vrouwen ten prooi vallen. Een tweede link die er bestaat tussen vrouwen en oorlog doet zich voor onder de vorm van gender-(on)gelijkheid. Een resem recent onderzoek toont aan dat er een positief verband bestaat tussen gender-ongelijkheid en oorlog (zie bijvoorbeeld Caprioli, 2003; Melander, 2005). Dat wil zeggen: landen die gekenmerkt worden door een grotere mate van gender-ongelijkheid zijn tevens landen die conflicten eerder via gewapende weg zullen oplossen. Gender-ongelijkheid en gewapende conflicten (inclusief oorlog) lopen met andere woorden hand in hand. Voorlopig blijft het evenwel onduidelijk hoe die relatie precies in elkaar steekt: (a) zijn landen met meer gender-ongelijkheid sneller geneigd om naar de wapens te grijpen wanneer er zich een conflict voordoet of (b) is frequente blootstelling aan oorlog een oorzaak van grotere gender-ongelijkheid? Toekomstige wetenschappelijk onderzoek zal moeten uitwijzen hoe de relatie precies loopt (en of het bevorderen van gender-gelijkheid dus mogelijk een middel kan zijn om het aantal gewapende conflicten in de wereld terug te dringen).

 

Referenties

Caprioli, Mary (2003) Gender Equality and State Aggression: The Impact of Domestic Gender Equality on State First Use of Force. International Interactions, 29: 195–214.

Johnson, D. D. P., McDermott, R., Barrett, E., Cowden, J., Wrangham, R., McIntyre, M. & Rosen, S. (2006). Overconfidence in wargames: experimental evidence on expectations, aggression, gender and testosterone. Proceedings of the Royal Society of London, Series B, 273: 2513–2520. 

Melander, Erik (2005) Gender Equality and Intrastate Armed Conflict. International Studies Quarterly, 49(4): 695-714.

Murray, C. L. J. en G. King (2002) Armed conflict as a public health problem. BMJ, 324: 346-349 

Reza, A., J. A. Mercy en E. krug (2001) Epidemology of violent deaths in the world. Injury Prevention, 7 (2): 104-111.



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Men think about sex all the time

19. September 2012, 07:21

Mannen denken voortdurend aan seks, zowat om de 7 seconden wordt er wel eens gezegd. Waar dat getal (7 sec.) vandaan komt is onduidelijk, maar ook de oorsprong van het idee dat het vooral mannen zouden zijn die geïnteresseerd zijn in seks is raadselachtig.

   

Tijdens het grootste gedeelte van de vorige eeuw was de opvatting dat vrouwen maar weinig geïnteresseerd waren in seks duidelijk gemeengoed. Daar kwam pas enige verandering in tijdens de jaren '60 en '70 (ten tijde van de seksuele revolutie). De befaamde Kinsey-rapporteren (Sexual Behaviour in the Human Male en Sexual Behaviour in the Human Female) werden ook tegen die achtergrond geschreven. Alfred Kinsey voerde zijn onderzoek in de jaren '50 (onder andere) met het specifieke doel om de veronderstelde 'aseksualiteit van de vrouw' te weerleggen. En hoewel de jaren '50 ondertussen wel enige tijd achter ons liggen, sleuren we toch nog steeds een hele hoop mythes en stereotiepe opvattingen uit die tijd met ons mee (bijvoorbeeld de misvatting dat iedereen vroeger in grotere gezinnen leefde dan vandaag de dag het geval is). En hoewel er dus een seksuele revolutie heeft plaatsgevonden kunnen we het ons dus vandaag de dag toch maar moeilijk voorstellen dat er ooit andere ideeën over (vrouwelijke) seksualiteit gangbaar zijn geweest. De waarheid is echter wel degelijk anders.

   

Historische onderzoek toont overduidelijk aan dat eeuwen lang zelf precies het tegenovergestelde werd aangenomen: dat werd verondersteld dat seksuele verlangens en seksueel plezier sterker waren bij vrouwen dan bij mannen. "Vrouwen willen niets anders dan seks", was lange tijd een gangbare gedachte tijdens een groot deel van de geschiedenis (zowel in het Westen als elders).

Een mooi literair voorbeeld daarvan is uiteraard het verhaal van Tiresias in Boek 3 van de Methamorphosen van Ovidius. Het bijzondere aan Tiresias was dat hij/zij zowel man als vrouw was geweest in het leven. Tiresias was dan ook de persoon bij uitstek om als scheidsrechter op te treden toen Zeus en Hera op een dag vlammende ruzie hadden over de vraag wie (de man of de vrouw) nu het meeste plezier beleefde aan seks. Toen die vraag werd voorgelegd aan Tiserius antwoordde die zonder enige aarzeling: "Dat is zonder twijfel de vrouw". (Daar haalde hij zich overigens de woede van Hera mee op zijn hals die hem met blindheid strafte.)



Geschreven in Algemeen | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Onder de kerktoren

22. Augustus 2012, 07:30

Nog niet zo lang geleden overwoog ik zeer ernstig om mijn wetenschappelijke carrière vervolg te geven aan het andere einde van de oceaan. Na menig gesprek met mensen uit mijn nabije omgeving rees daardoor op een gegeven ogenblik bij mij de vraag hoe vaak mensen zich eigenlijk aan zulke avonturen wagen. Of misschien preciezer: hoe ver trekt de gemiddelde mens de wijde wereld in wanneer hij/zij uiteindelijk het ouderlijke huis verlaat?
 
Er bestaat een nogal wijdverbreid (stereotiep) beeld dat de meeste mensen verkiezen om onder de eigen kerktoren te blijven wonen. Toch zeker in Europa, en al helemaal in België. In de V.S. is dat uiteraard veel minder, zijn we al snel geneigd te denken, daar verhuist iedereen van de ene naar de andere kant van het land alsof het niets. Die indruk zie je ook al gauw bevestigd wanneer je in de V.S. met een aantal mensen spreekt en hen vraagt naar hun studie- en werkervaringen (en daarbij uiteraard vergeet dat je "steekproef" ridicuul klein is en bovendien voor geen halve meter willekeurig of representatief). Bestaat er voor die wijdverbreide opvattingen misschien enige wetenschappelijke ondersteuning? Hoewel er een behoorlijk rijke literatuur voor handen is die de "nabijheid" tussen ouders en kinderen bestudeert, bleek het verre van evident om een eenduidig antwoord terug te vinden op mijn nochtans redelijk eenvoudige vraag.
 
De meeste literatuur blijkt te focussen op de timing die mensen er op na houden om het ouderlijke huis te verlaten, maar dus niet zozeer op de bestemming die men er dan op na houdt wanneer men besloten heeft dat de tijd is aangebroken voor een eigen plekje onder de zon. En dat mag toch wel enigszins vreemd worden genoemd want die bestemming bepaalt uiteraard tot op belangrijke hoogte de mate waarin ouders eventueel betrokken kunnen blijven in de (dagdagelijkse) ondersteuning van hun kinderen (ook al worden die nu dan geacht "op eigen benen te staan"). Hoe groter de fysieke afstand tussen het ouderlijke huis en de eigen woonst van zoon of dochter, hoe kleiner uiteraard de kans dat ouders betrokken zullen blijven in de kuis, was en plas van zoon- of dochterlief. Een Nederlandse studie vond bijvoorbeeld terug dat kinderen een veel grotere kans hebben om ouderlijke steun (bijvoorbeeld in de vorm van ondersteuning bij huishoudelijke klussen) te ontvangen wanneer zij binnen een aftstand van 5km van de ouderlijke woonst gaan wonen (Mulder and van der Meer, 2009). Bovendien blijkt uit onderzoek ook dat naarmate de afstand tot het ouderlijke huis toeneemt, kinderen een minder nauw contact onderhouden met hun ouders (Bucx et al., 2008); al is het daarbij uiteraard maar de vraag in hoeverre dat niet eerder oorzaak dan wel gevolg is.
 
Voldoende redenen in elk geval om niet enkel in de timing, maar ook in de afstand geïnteresseerd te zijn die kinderen er op na houden tot het ouderlijke huis. Helaas vertaalt zich dat dus blijkbaar niet in een veelheid aan studies. Eentje uit 1989, van Mayer en Schwarz (1989) vond terug dat het verhuizen over grote afstanden eerder uitzonderlijk is: minder dan 15% van de (Duitse) respondenten gaf aan op meer dan 300km van hun ouderlijke huis te zijn gaan wonen. Weinig verrassends daar. Iets verrassender waren de resultaten van een recentere studie van Mulder en Clark (2000); zij vonden immers terug dat minder dan 15% van hun respondenten in de V.S. in een andere staat gingen wonen dan die van hun ouders. Tot daar in elk geval ons (stereotiep) beeld dat alle Amerikanen uitzwerven overheen het hele land ongeacht van waar ze afkomstig zijn. (Toegegeven, de meeste Amerikaanse staten doen in oppervlakte niet onder voor het gemiddelde Europese land; op een handjevol uitzonderingen na zijn alle staten bijvoorbeeld ook allemaal groter dan België). En toch is ook dat weer niet zo verwonderlijk, migratie is een stresserende aangelegenheid (omwille van familiale, sociale, culturele, emotionele en eventueel zelfs economische redenen). Het spreekt voor zich dat dit in toenemende mate het geval is wanneer de geografische afstand tussen oude en nieuwe bestemming toeneemt (hoewel wel als dusdanig gebruikt in de wetenschappelijke literatuur spreekt niemand in het dagdagelijkse bestaan over migratie wanneer iemand naar een andere straat of een andere stad verhuist).
 
Maar goed, terug naar mijn oorspronkelijke vraag: hoe ver trekt de gemiddelde mens de wijde wereld in wanneer hij/zij uiteindelijk het ouderlijke huis verlaat? Het toeval dat het tijdschrift Social Science Research binnenkort een studie publiceert van een aantal Duitse onderzoekers (Leopold et al., 2012) met de titel "How far do children move? Spatial distances after leaving the parental home". Net waar ik naar op zoek was. De studie, die gebaseerd is op data van 2113 individuen woonachtig te Duitsland, bevat enkele interessante resultaten. Ten eerste, de meeste mensen verkiezen inderdaad om woonachtig te blijven onder de eigen kerktoren, of toch minstens een zeer nabij gelegen kerktoren. De helft woont nadat hij/zij het ouderlijke huis heeft verlaten op minder dan 10km van die ouderlijke woonst. In 10% van de gevallen bedraagt de afstand zelfs minder dan 500 meter, dat is echt wel letterlijk naast de deur te noemen. Misschien nog belangrijker, amper in 25% van de gevallen bedroeg de afstand meer dan 70km (voor de meeste onder ons is dat vermoedelijk net te ver om nog vlotjes met de fiets te doen, maar met trein of auto is dat in de meeste gevallen toch nog steeds minder dan 1uur reistijd). Ten tweede, zoals men zou kunnen verwachten, zijn er belangrijke verschillen naarmate het opleidingsniveau. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe waarschijnlijker de kans dat men voor de kerktoren van het nabijgelegen dorp kiest in plaats van voor de eigen kerktoren. Niettemin is over alle opleidingsniveaus heen de regel dat de afstand klein is en dat verre verhuizingen de uitzondering zijn.
 
 
Referenties
Bucx, F., F. Van Wel, T. Knijn en L. Hagendoorn (2008) Intergenerational Contact and the Life Course Status of Young Adult Children. Journal of Marriage and Family, 70 (1): 144–156.
Leopold, T., F. Geissler, S. Pink (2012) How far do children move? Spatial distance after leaving the parental home. Social Science Research, forthcoming.
Mayer, K. U. en K. Schwarz (1989) The Process of Leaving the Parental Home: Some German Data. In: E. Grebenik, C. Höhn en R. Mackensen (Eds.) Later phases of the family cycle. Oxford: Clarendon Press: pp. 145-163.
Mulder, C. H. and M. J. van der Meer (2009) Geographical distances and support from family members. Journal of Comparative Family Studies, 15: 381–399.
Mulder, C. H. en W. A. V. Clark (2000) Leaving home and leaving the State: evidence from the United States. International Journal of Population Geography, 6 (6): 423–437.


Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


Het genot van Twitter

18. Juli 2012, 07:29

Een collega van mij grapt geregeld dat mensen niet in staat zijn om langer dan twee minuten aan het woord te zijn zonder over zichzelf te praten: 'Mensen zijn aandacht-junks; de hele tijd strooien ze informatie over zichzelf in het rond in de hoop dat er iemand naar hen om zal kijken en hen wat aandacht zal schenken'. En hoewel dat vermoedelijk enigszins overdreven is, is de waarheid niet eens zo ver af.

 

Niet minder dan 30 à 40% van wat een mens in het dagdagelijkse leven vertelt, heeft betrekking op zichzelf (Dunbar et al., 1997; Emler, 1994). Anders dan wat je misschien zou verwachten, worden onze conversaties niet gedomineerd door sport, politiek of cultuur, maar wel door onze gedachten, gevoelens, persoonlijke belevenissen en andere zaken die betrekking hebben op onze sociale relaties. (En dat geldt overigens in precies dezelfde mate voor mannen als voor vrouwen.) In de wereld van de sociale media neemt die zelfonthulling nog net een iets prominentere rol in. Zowat 80% van alle informatie die er via sociale netwerksites wordt gedeeld heeft betrekking op het eigen ik (Naaman et al., 2010).

Look at me, look at me, LOOK AT ME! @Anybody in the world

Millions of people on Facebook and Twitter

Het is dus enigszins tegen beter weten in dat ik mij op bijna dagdagelijkse basis verwonder over het feit dat mensen via Facebook of Twitter communiceren over hun favoriete pastagerecht, het feit dat dochterlief hen de ganse nacht heeft wakker gehouden, de nieuwste DVD die ze hebben aangekocht, het slechte weer, de dagelijks weerkerende ergernis over de files en dies meer.

De beslissing om (doelbewust) persoonlijke informatie te onthullen wordt traditioneel als een typische kosten-baten afweging beschouwd. Het vreemde aan onthullingen via sociale media zoals Facebook en Twitter is dat er geen duidelijk baten aan verbonden lijken te zijn. In principe is het onthullen van persoonlijke informatie immers tweerichtingsverkeer. Naarmate relaties tussen mensen zich ontwikkelen wordt er een vergelijkbare mate van onthulling bereikt: met sommige mensen wissel je enkel alledaagse of zelfs oppervlakkige informatie uit, met sommige mensen wissel je gevoelige en persoonlijke informatie uit, maar er is normaliter altijd sprake van wederkerigheid. Mensen zijn in principe niet bereid om (langdurige) relaties te onderhouden waarin zij informatie delen terwijl de andere partij dat niet doet. Op sociale netwerksites lijken er echter andere spelregels te gelden, daar lijken mensen blijkbaar wel bereid om allerhande informatie met anderen te delen (desnoods met de hele wereld) zonder die wederkerigheid. Die raadselachtige vaststelling roept dus toch wel vragen op omtrent de baten van het onthullen van persoonlijke informatie over onszelf.

Who cares?! @Anybody who feels the need to communicate about "their current location"

De auteur van deze blog vraagt het zich wel eens af.

Hoewel die vraag voorlopig nog onbeantwoord blijft, leerde ik uit een recent verschenen studie echter wel dat het in feite de verkeerde vraag is! Uit een studie die recent in de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) werd gepubliceerd blijkt nu immers dat het onthullen van persoonlijke informatie intrinsiek belonend werkt! Wanneer mensen informatie over zichzelf onthullen dan wordt het 'beloningssysteem' in onze hersenen geactiveerd, net zoals dat het geval is wanneer we een heerlijke maaltijd tot ons nemen of een wilde nacht tussen de lakens beleven.

Wist u overigens al dat FC Barcelona mijn favoriete voetbalclub is?



Geschreven in De wereld draait door | 0 Reacties | Vaste link | Afdrukken


D Y S L E X I E

20. Juni 2012, 05:39

Ontwikkelingsdyslexie treft naar schatting ten minste 5% van de bevolking. Dat zijn minstens 500.000 mensen in België alleen. Omdat dyslexie gepaard gaat met een verhoogde kans op emotionele, psychologische en economische problemen lijdt het weinig twijfel dat het bestrijden van lees- en of spellingsproblemen bij mensen met dyslexie een belangrijke zaak is. Daar zijn alle onderzoekers het dan ook wel over eens, ook al betwisten ze tezelfdertijd hevig de onderliggende oorzaken van deze stoornis (zie bijv. [1]). Zonder de nodige aanpassingen en/of hulpmiddelen kan dyslexie ernstige onderwijsbelemmeringen met zich meebrengen (met alle gevolgen van dien). Ter illustratie: een kind met dyslexie leest in 1 jaar tijd ongeveer hetzelfde aantal woorden als wat een vlotte lezer in 2 dagen leest.
 
 
 
De cruciale vraag is dus hoe we kinderen met dyslexie zo ver krijgen dat ze in staat zijn om meer woorden in minder tijd te lezen? De twee belangrijkste remedies die daarvoor in omloop zijn, zijn (1) het aanleren van specifieke deelvaardigheden en (2) aanpassingen in het leesmateriaal. Het aanleren van vaardigheden die het lezen bevorderen is nog steeds de belangrijkste remedievorm om kinderen met dyslexie vooruit te helpen. Niet onbelangrijke tekortkoming hiervan is echter dat dit zeer tijdrovend is (en bovendien een remedie die, zowel binnen als buiten de schoolmuren, niet altijd haalbaar is). Sleutelen aan de toegankelijkheid van het leesmateriaal (door aanpassingen in het lettertype, de grootte van dat lettertype, etc.) is zeker ook niet altijd eenvoudig haalbaar, maar heeft wel het voordeel dat het geen bijkomende inspanningen van het kind zelf vraagt. Frappant is dat er in feite maar weinig wetenschappelijk bewijs voor handen is dat de effectiviteit van dergelijke manipulaties aantoont.
 
 
B R E D E R E     S P A T I E S     H E L P E N 
 
Een recente studie die binnenkort gepubliceerd wordt in de Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) heeft nu aangetoond dat kinderen met dyslexie gebaat zijn bij bredere spaties [2]. De resultaten van deze studie tonen aan dat het verbreden van de spaties tussen letters het kinderen met dyslexie toelaat om 20% sneller te lezen en bovendien de helft minder fouten te maken. Het bijzondere aan een dergelijke remedie is uiteraard dat het kinderen met dyslexie enorm kan helpen zonder dat zij daar zelf enige inspanning voor hoeven te doen (ze hoeven er bijvoorbeeld geen intensieve training en oefening voor te doorlopen).
 
 
SEX DIFFERENCES 
 
Gaat dit blog normaal gezien niet over mannen, vrouwen, sekse, gender, dat soort dingen, hoor ik u denken. Dat klopt. Het is daarom waarschijnlijk goed dat ik even kort stil sta bij de obseratie dat dyslexie vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. Hoewel die scheve verhouding minder scheef is dan vaak wordt aangenomen is ze wel degelijk scheef. Niet in een verhouding van 2:1 of 3:1 (2 of 3 jongens met dyslexie voor elk meisje met dyslexie) zoals je wel eens hoort beweren, maar in elk geval toch in die mate dat er iets meer dan 1 jongen met dyslexie is voor elk meisje met dyslexie. De reden dat die verhouding vaak overschat wordt en dat je tal van studies kan terugvinden die inderdaad zulke cijfers rapporteren, is een gevolg van het feit dat de meeste van die studies populatie-gebaseerde onderzoeken zijn. Omdat jongens met dyslexie een grotere kans hebben om als dusdanig gediagnosticeerd en behandeld te worden dan meisjes met dyslexie, overschatten zulke studies de werkelijke verhouding [3]. Klinische studies vinden typisch dan ook veel minder scheefgetrokken verhoudingen terug, maar zoals gezegd nog steeds een verhouding die iets hoger ligt dan een 1 op 1 verhouding [4]. Voor de remediëring maakt dat evenmin helemaal niets uit.
 
V e r m o e d e l i j k     z o u     h e t     g e b r u i k     v a n     w a t    
b r e d e r e     s p a t i e s     z o w e l     h e t     l e v e n     v a n    
m e i s j e s     a l s     j o n g e n s     m e t      d y s l e x i e      h e e l    
e e n v o u d i g     e e n     s t u k     k u n n e n      v o o r u i t     h e l p e n.
 

Referenties 
[1] Gabrieli, John D. E. (2009) Dyslexia: A new synergy between education and cognitive neuroscience. Science, 325 (5938): 280-283.
[2] Zorzi, Marc et al. (2012) Extra-large letter spacing improves reading in dyslexia. Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA. Forthcoming.
[3] Berninger, Virginia W. et al. (2008) Gender differences in severity of writing and reading disabilities. Journal ofSchool Psychology, 46 (2): 151-172.
[4] Rutter, Michael et al. (2004) Sex Differences in Developmental Reading Disability New Findings From 4 Epidemiological Studies. The Journal of the American Medical Association, 291 (16): 2007-2012.
 


Geschreven in Algemeen | 1 Reacties | Vaste link | Afdrukken


1 2 3  Volgende»