Religie meten?

07 Mei 2010, 16:03
Over religie wordt soms nogal ongenuanceerd gesproken en zeker over gelovigen’. Mensen – ook een aantal wetenschappers – lijken de mensheid op te delen in gelovigen en niet gelovigen, en deze laatste worden niet zelden meer realiteitszin en zelfs intellectueel inzicht toegedicht. Ook in heel wat psychologische studie spreekt men van gelovigen of religieuze populaties zonder verdere nuances.

De bekende godsdienstpsycholoog Gordon Allport had dit in de jaren 50 van vorige eeuw al gezien. Hij maakte een onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke religiositeit. Intrinsiek beleefde religie beïnvloedt het hele leven: hoe men zich gedraagt, beslissingen die men neemt, de levenswijze... Ze heeft een positieve invloed op mentale gezondheid. Extrinsieke religie zou dan veeleer een utilitaire religie zijn. Men gebruikt deze met andere woorden als een middel om dingen te bekomen maar ze beïnvloedt niet de gehele persoon en diens leven. Maar het onderscheid blijft vaag.

David M. Wulff ontwikkelde daarom  een tweedimensioneel schema met 4 polen waarbinnen hij de vier grote houdingen t.o.v. religie definieert. De vier polen of dimensies geven vier basishoudingen aan t.o.v. religie. ‘Literal affirmation’ staat voor de letterlijke interpretatie van bijbelverhalen en geloofsfeiten en staat als dusdanig dicht bij fundamentalisme. Het tweede kwadrant, ‘literal disaffirmation’, wordt gevormd door hen die eveneens de religie letterlijk interpreteren, maar deze interpretatie verwerpen. ‘Restorative interpretation’  staat voor wat Ricoeur de 'seconde naïvité' heeft genoemd: een poging om de objecten van het religieus geloof zo te herinterpreteren, dat men toch kan blijven spreken van een transcendente realiteit. De ‘reductive interpretation’ tenslotte is het radicaal afwijzen van elke religieuze referentie.

David M. Wulff
Het schema van David M. Wulff.

Dirk Hutsebaut en zijn medewerkers van het Center for the Psychology of Religion werkten een nieuwe concept uit voor het meten van religie: de Post-Critical Belief Scale (PBC) of postkritische geloofsschaal. Aan de hand van interviews werd uitgezocht hoe mensen omgaan met geloof en ongeloof. Op basis van kwalitatieve en kwantitatieve analyse ontstaan zo vier profielen van religieuze houdingen: orthodoxie, relativisme, externe kritiek en tweede naïviteit.

De loop van hun onderzoek heeft Hutsebaut en zijn medewerkers ertoe gebracht deze religieuze dimensies te bezien als cognitieve stijlen, zodat ze uiteindelijk tot de vier genoemde zijn gekomen. Zij gebruiken deze schaal om de relatie te bekijken tussen de vier dimensies en waardenpatronen van mensen. De onderzoeksgroep ontdekte ook dat bij mensen die transcendentie aannemen en mensen met een sterk symbolisch vermogen, religie geassocieerd wordt met positieve gevoelens. Bij mensen die de bijbelse teksten of dogma’s letterlijk opvatten, overheersten negatieve gevoelens.

In een recent onderzoek van Jessie Dezutter werd dit bevestigd. Ze deed onder meer onderzoek bij chronische pijnpatiënten. Daaruit bleek de wijze waarop men met religie omgaat, van doorslaggevende aard voor de coping van depressie en pijn is. “Zo hebben we kunnen aantonen dat wie zich ‘letterlijk’ aan de religieuze teksten houdt (“het staat zo in de bijbel dus is het zo”) of omwille van het letterlijk lezen de teksten net verwerpt, meer kans heeft op depressieve gevoelens dan wie symbolisch omgaat met religie” zegt ze.

Dat geldt overigens ook voor maatschappelijke waarden, zoals tolerantie. In tegenstelling tot wat sommigen suggereren, zijn gelovigen over het algemeen veel toleranter en zetten ze zich meer in voor sociaal welzijn dan niet-gelovigen. Het criterium is de tweede naïviteit, die overeenkomt met de zgn. ‘restorative interpretation’ van Wulff, die duidt op de meest gezonde en volwassen vorm van geloof en spiritualiteit. Deze houding is het resultaat van een herinterpretatie van zingeving, transcendentie, religie en spiritualiteit na de toets van de realiteit.

Ook bij mensen die zich niet-gelovige noemen is dit het criterium: als zij dit doen omdat zij de religieuze teksten en dogma’s letterlijk interpreteren, heeft dat een negatieve invloed op hun welbevinden en maatschappelijk engagement. Zij ontwikkelen blijkbaar een niet–religieuze spiritualiteit die hen helpt zin te geven aan wat hen overkomt. Statistisch is deze groep echter vrij klein. In de meeste gevallen blijft religie een rol spelen.

Het zou dus best kunnen dat, net als bij cognitieve en emotionele ontwikkeling die gebaseerd zijn op rijping van hersenstructuren en waarbij bepaalde zones in het brein actief zijn, zijn pendant heeft in religieuze ontwikkeling. Ook hier kan je spreken van een religieuze zone in de hersenen die ontwikkeld moet worden in wisselwerking tussen de cognitieve en emotionele structuren van de hersenen enerzijds en de omgeving anderzijds, in dit geval: de bestaansvragen waarmee een mens zich geconfronteerd ziet.

Religie is dus veel complexer dan men op het eerste zich denkt. Een veel betere vraag dan of je al dan niet gelovig bent luidt dan ook: hoe geloof je? Vanuit psychologische hoek is religieuze ontwikkeling nog onderbestudeerd. Ze verdient meer aandacht, omdat ze, zoals blijkt uit onderzoek, kan helpen om niet enkel het psychische welzijn te verbeteren, maar ook meer tolerantie en compassie kan bevorderen. Het is waar dat ‘slechte’ religie gevaarlijk is, maar ‘goede’ religie helpt zeker. Zeg dus nooit meer zomaar ‘gelovige of ongelovig’…

Geschreven in Religie en PsychologieVaste link


Psychotherapie en spiritualiteit: een angstwerend duo?

18 Maart 2010, 16:36

Alle mensen zijn op zoek naar geluk. Maar in die zoektocht zijn we niet altijd even succesvol. Psychotherapeuten krijgen steeds meer mensen met angst voor zich. Het lijkt erop dat mensen het moeilijker dan vroeger hebben om hun condition humaine te aanvaarden, met de kwetsbaarheid, eindigheid en onzekerheid die daar onvermijdelijk mee verbonden zijn. Het gaat daarbij niet om een exclusief psychisch probleem. Angst daagt je hele bestaan uit.

In steeds meer gevallen lijkt het  te gaan om een
existentiële angst: de angst voor het bestaan als bestaan. Niet toevallig werd de existentiële angst “ontdekt” in de filosofie, met name in de existentiefilosofie van Kierkegaard, Heidegger en Sartre. Voor hen is het bestaan absurd: je wordt erin geworpen, je hebt er niet om gevraagd, je komt heel wat lijden tegen, je hebt soms geluk dan weer ongeluk, en op het einde van de rit gaan we allemaal dood. Je moet beslissingen nemen en die kunnen akelig fout lopen, je bent overgeleverd aan de natuur…

Existentiële angst is bijlange niet  abnormaal. Leven is nu eenmaal beangstigend… Maar we werden ons er blijkbaar meer van bewust in de moderne tijd. “Leven is angst” zei Heidegger zelfs. Maar hoe ga je daar mee om? Dat lijkt vandaag steeds moeilijker. En komen religie en spiritualiteit weer in het vizier: ze houden zich immers bezig met de ‘zin’ van het leven, en proberen de angst een plek te geven. De gevestigde religieuze tradities hebben het - zeker in het Westen - erg moeilijk, maar spirituele wegen zijn menigvuldig. Allerlei min of meer spirituele methodes beloven heelheid en welbevinden. Ze komen meestel uit religieuze tradities, maar worden tot een soort eigenstandige methode, zoals de welig tierende mindfullness.

Religie/spiritualiteit als therapie?
Vanuit psychologisch perspectief is het interessant de vraag te stellen of religie en spiritualiteit mensen inderdaad voor existentiële angst behoeden en waarom ze dat doen. En nog belangrijker: aan welke voorwaarden moeten ze daartoe voldoen? Er is heel wat onderzoek gedaan naar de relatie tussen religie/spiritualiteit en mentale gezondheid. De resultaten lijken te suggereren dat er een positieve correlatie is tussen beiden. Maar niet alle religiositeit maakt even ‘gezond’. Je kan bezwaarlijk zeggen dat een fundamentalist die zich opblaast een goede oplossing vond tegen zijn existentiële angst… Daarom is onderzoek naar de religieuze- of geloofsstijl heel belangrijk.

Ik deed zelf onderzoek naar de relatie tussen al dan niet christelijk geloven en angst en daaruit blijkt dat mensen met een hoofdzakelijk fundamentalistische religieuze stijl angstiger zijn dan mensen die wat men noemt een ‘tweede naïviteit’ hebben ontwikkeld. Dat is een term van de filosoof Paul Ricoeur waarmee hij
het groeiproces beschrijft van de eerste, naïeve opvatting over religie, via de kritische fase en zelfs de ontkenning, naar een meer volwassen geloof. Kenmerkend voor dit laatste is bv. dat men de teksten niet letterlijk interpreteert, een open mentaliteit heeft en de godsbeelden uitzuivert van hun kinderlijke almachts- of schuldprojecties. Het is opvallend hoe mensen met een dergelijke geloofsstijl beter met angst kunnen omgaan. Ik zeg ‘beter’ want het is interessant om te zien dat mensen die een gezonde religieuze overtuiging hebben niet noodzakelijk minder angst vertonen.

Multilineaire regressieanalyse toont aan dat het verschil vooral zichtbaar wordt in de manier waarop deze mensen met de angst omgaan. M.a.w.: geloof lijkt vooral een invloed te hebben op de copingmechanismen: gelovigen met een gezonde levensstijl gaan actiever om met de uitdagingen die het leven stelt en zoeken veel sneller sociale steun, kunnen zich beter uiten en vinden ook makkelijker steun en troost.

Iets doen met je overtuiging
Een factor die de ‘gezondmakende’ kracht van geloof aanzienlijk mee bepaalt is of je ‘gewoon’ gelovig bent of gelovig geëngageerd – m.a.w. dat je iets doet met of voor je geloof. Die laatste groep doet het aanzienlijk beter bij de angstcoping.

Het gaat zelfs zo ver dat de gelovigen en de niet-gelovigen op dat vlak even goed of slecht scoren. Proefpersonen die zeggen dat ze niet weten of ze geloven zijn er het slechtst aan toe: zij vertonen een onduidelijk profiel qua geloofsstijlen en dit correleert met hogere angstscores en een lage actieve coping. Ook leeftijd is een bepalende factor. Hogeschoolstudenten die geëngageerd zijn in hun geloof hebben scoren ongeveer even hoog als hun collega’s niet-gelovigen of gelovigen op angst  maar tegelijkertijd scoren ze erg hoog op actief copen, wat er opnieuw zou op kunnen wijzen dat hun geloof hen helpt beter om te gaan met angst.

Zijn niet-gelovigen dan meer angstig? Proefpersonen die zegden dat ze niet gelovig waren maar wel een uitgesproken levensbeschouwing hadden en daar ook wat mee deden, kwamen er iets minder goed uit dan de gelovig-geëngageerden. Wellicht is het hebben en beoefenen van een overtuiging op zich reeds een helpende factor bij de omgang met existentiële angst.

Therapie en religie
Existentiële angst is een normale angst en we staan allemaal voor de uitdaging hiermee om te gaan. Het blijkt dat een gezonde geloofsstijl gecombineerd met je actief bezighouden met je geloof je hierbij kan helpen. Voor psychotherapeuten is dit alvast een uitdaging om geloofs- of levensovertuigingen te laten uitspreken en ze indien mogelijk te gebruiken als hulpbronnen voor de therapie. Mogelijk, want eerst moet je onderzoeken of de manier waarom iemand zijn religieuze overtuiging beleeft, niet ziekmakend is. In het verleden leken psychologen iets te vlug van de veronderstelling uit te gaan dat religie sowieso pathologiserend was. Die stelling is ondertussen ontkracht. Integendeel, het zou een onderdeel van het therapeutische proces kunnen zijn om de cliënt aan te moedigen zijn spirituele wortels te exploreren en hen zo aan te wenden voor zijn genezing.

Waarom helpt gezonde religie?
Psychologen ontdekken steeds meer de mogelijk helende kracht van religie en spiritualiteit. Empirisch lijkt dat bevestigd te worden. Maar wat is de oorzaak hiervan? Specifiek voor de christelijke religie is het mogelijk dat  het “werkingsmechanisme” gelegen is in een dynamisering van de psychische krachten om om te gaan met de uitdagingen van het bestaan, eerder dan dat geloven een protectieve factor tegen angst zou zijn. Dit zien we weerspiegeld in onze vaststelling, dat gelovig geëngageerden meestal weliswaar wat minder angstig zijn dan gemiddeld, maar dat vooral de actieve copingsdimensies hoger zijn. Het in de therapie stimuleren van de (her)ontdekking van spirituele en religieuze bronnen vindt dus voornamelijk haar nut in deze dynamisering. Verder onderzoek zou deze stelling moeten toetsen.

 

Meer weten:

Johan Van der Vloet, De vruchtbare leegte. Zinvol omgaan met angst, Averbode, 2007.

Harold Koenig, Handbook of Religion and Mental Health, London, 1998.

Geschreven in AlgemeenVaste link