Religie meten?
Over religie wordt soms nogal ongenuanceerd gesproken en zeker over ‘gelovigen’. Mensen – ook een aantal wetenschappers – lijken de mensheid op te delen in gelovigen en niet gelovigen, en deze laatste worden niet zelden meer realiteitszin en zelfs intellectueel inzicht toegedicht. Ook in heel wat psychologische studie spreekt men van ‘gelovigen’ of religieuze populaties zonder verdere nuances. De bekende godsdienstpsycholoog Gordon Allport had dit in de jaren 50 van vorige eeuw al gezien. Hij maakte een onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke religiositeit. Intrinsiek beleefde religie beïnvloedt het hele leven: hoe men zich gedraagt, beslissingen die men neemt, de levenswijze... Ze heeft een positieve invloed op mentale gezondheid. Extrinsieke religie zou dan veeleer een utilitaire religie zijn. Men gebruikt deze met andere woorden als een middel om dingen te bekomen maar ze beïnvloedt niet de gehele persoon en diens leven. Maar het onderscheid blijft vaag.
David M. Wulff ontwikkelde daarom een tweedimensioneel schema met 4 polen waarbinnen hij de vier grote houdingen t.o.v. religie definieert. De vier polen of dimensies geven vier basishoudingen aan t.o.v. religie. ‘Literal affirmation’ staat voor de letterlijke interpretatie van bijbelverhalen en geloofsfeiten en staat als dusdanig dicht bij fundamentalisme. Het tweede kwadrant, ‘literal disaffirmation’, wordt gevormd door hen die eveneens de religie letterlijk interpreteren, maar deze interpretatie verwerpen. ‘Restorative interpretation’ staat voor wat Ricoeur de 'seconde naïvité' heeft genoemd: een poging om de objecten van het religieus geloof zo te herinterpreteren, dat men toch kan blijven spreken van een transcendente realiteit. De ‘reductive interpretation’ tenslotte is het radicaal afwijzen van elke religieuze referentie.

Het schema van David M. Wulff.
Dirk Hutsebaut en zijn medewerkers van het Center for the Psychology of Religion werkten een nieuwe concept uit voor het meten van religie: de Post-Critical Belief Scale (PBC) of postkritische geloofsschaal. Aan de hand van interviews werd uitgezocht hoe mensen omgaan met geloof en ongeloof. Op basis van kwalitatieve en kwantitatieve analyse ontstaan zo vier profielen van religieuze houdingen: orthodoxie, relativisme, externe kritiek en tweede naïviteit.
De loop van hun onderzoek heeft Hutsebaut en zijn medewerkers ertoe gebracht deze religieuze dimensies te bezien als cognitieve stijlen, zodat ze uiteindelijk tot de vier genoemde zijn gekomen. Zij gebruiken deze schaal om de relatie te bekijken tussen de vier dimensies en waardenpatronen van mensen. De onderzoeksgroep ontdekte ook dat bij mensen die transcendentie aannemen en mensen met een sterk symbolisch vermogen, religie geassocieerd wordt met positieve gevoelens. Bij mensen die de bijbelse teksten of dogma’s letterlijk opvatten, overheersten negatieve gevoelens.
In een recent onderzoek van Jessie Dezutter werd dit bevestigd. Ze deed onder meer onderzoek bij chronische pijnpatiënten. Daaruit bleek de wijze waarop men met religie omgaat, van doorslaggevende aard voor de coping van depressie en pijn is. “Zo hebben we kunnen aantonen dat wie zich ‘letterlijk’ aan de religieuze teksten houdt (“het staat zo in de bijbel dus is het zo”) of omwille van het letterlijk lezen de teksten net verwerpt, meer kans heeft op depressieve gevoelens dan wie symbolisch omgaat met religie” zegt ze.
Dat geldt overigens ook voor maatschappelijke waarden, zoals tolerantie. In tegenstelling tot wat sommigen suggereren, zijn gelovigen over het algemeen veel toleranter en zetten ze zich meer in voor sociaal welzijn dan niet-gelovigen. Het criterium is de tweede naïviteit, die overeenkomt met de zgn. ‘restorative interpretation’ van Wulff, die duidt op de meest gezonde en volwassen vorm van geloof en spiritualiteit. Deze houding is het resultaat van een herinterpretatie van zingeving, transcendentie, religie en spiritualiteit na de toets van de realiteit.
Ook bij mensen die zich niet-gelovige noemen is dit het criterium: als zij dit doen omdat zij de religieuze teksten en dogma’s letterlijk interpreteren, heeft dat een negatieve invloed op hun welbevinden en maatschappelijk engagement. Zij ontwikkelen blijkbaar een niet–religieuze spiritualiteit die hen helpt zin te geven aan wat hen overkomt. Statistisch is deze groep echter vrij klein. In de meeste gevallen blijft religie een rol spelen.
Het zou dus best kunnen dat, net als bij cognitieve en emotionele ontwikkeling die gebaseerd zijn op rijping van hersenstructuren en waarbij bepaalde zones in het brein actief zijn, zijn pendant heeft in religieuze ontwikkeling. Ook hier kan je spreken van een religieuze zone in de hersenen die ontwikkeld moet worden in wisselwerking tussen de cognitieve en emotionele structuren van de hersenen enerzijds en de omgeving anderzijds, in dit geval: de bestaansvragen waarmee een mens zich geconfronteerd ziet.
Religie is dus veel complexer dan men op het eerste zich denkt. Een veel betere vraag dan of je al dan niet gelovig bent luidt dan ook: hoe geloof je? Vanuit psychologische hoek is religieuze ontwikkeling nog onderbestudeerd. Ze verdient meer aandacht, omdat ze, zoals blijkt uit onderzoek, kan helpen om niet enkel het psychische welzijn te verbeteren, maar ook meer tolerantie en compassie kan bevorderen. Het is waar dat ‘slechte’ religie gevaarlijk is, maar ‘goede’ religie helpt zeker. Zeg dus nooit meer zomaar ‘gelovige of ongelovig’…
Geschreven in Religie en Psychologie Vaste link
-
Reacties :
- (1)
- Geef uw reactie!
- Print dit artikel






PsychoSpirit



