Niet te dichtbij graag!
De trein is altijd een beetje… wetenschappelijk onderzoek doen. Het is een fantastische uitvinding om je snel te verplaatsen – als je niet te streng aan een tijdschema gebonden bent – en het is wat milieuvriendelijker dan de auto. Voor een gedragsbioloog is het vooral een laboratorium. Mensen blijven op dezelfde plek zitten, dat is altijd leuk om ze te observeren, maar ze interageren ook met elkaar via gesprekken, ruzies, geflirt... Of ze gehoorzamen de wetten van de proxemica. Kijk.
De eerste klas wagons tellen minder reizigers dan de tweede klas, zeker buiten de spitsuren. Dit is ideaal om wat te lezen, maar ook om het territoriaal gedrag van onze soortgenoten te bekijken.
Elke keer ik de trein neem zit ik
als eerste in de wagon en hoop steeds weer het alleenrecht te mogen houden,
maar veel geluk is mij – op dat vlak – niet beschoren. Er komen altijd mensen
bij.
En net als de proxemica het voorspelt, kiezen ze een plaats zo ver mogelijk van mij verwijderd. Niet omdat ik stink maar niemand gaat dicht bij een reeds gezeten reiziger zitten, tenzij het een kennis is natuurlijk. Wachtzalen zijn minder leuk dan treinen, maar je ziet er hetzelfde fenomeen. Wij houden vreemden op afstand. Pas wanneer er nog maar weinig plaatsen over zijn in de wagon, in de wachtkamer, gaat men noodgedwongen dichter bij een ander zitten. Velen zullen dit een kwestie van privacy noemen, in de wetenschap gaat het om proxemica: de studie van de aangeboren neiging van mensen om een zekere ruimte rondom zich privé te behouden, een soort van lichamelijk territorium. Dit is mijn gebied en daar kom je niet binnen. Het is geen echt territorium zoals je tuin of huis waarvan je verwacht dat vreemden er buiten blijven, maar je kan het er sterk mee vergelijken. Je lichaam is het centrum van je persoonlijk domein en vreemden moeten daar buiten blijven.
Hoe groot is dat lichamelijk territorium? Dat is net de vraag waarmee de proxemica zich bezig houdt. De grootte is afhankelijk van de functie. De meest gebruikte is de sociale afstand, met een grootte van een dikke meter tot zowat vier meter. Als je wandelt op straat, de weg vraagt aan een politieman, in een lift stapt… of een plaats neemt in een trein, wachtzaal, restaurant, dan moet deze ruimte gerespecteerd worden. Indien niet geeft dat een gevoel van ongemak, onbehagen, ja soms zelfs angts- of woedeaanvallen. Bekende mensen mogen dichterbij komen. Vrienden en familieleden worden verondersteld een persoonlijke afstand te respecteren, gaande van een halve meter tot iets meer dan een meter. We verkleinen onze ruimte tot een intieme afstand, kleiner dan een halve meter, als er meer vertrouwelijke dingen – aanrakingen, liefkozingen, fluisterend spreken – moeten of mogen gebeuren. Zonder deze sterke reductie van de lichamelijke ruimte tot een intieme afstand zouden er bijvoorbeeld geen kindjes kunnen worden gemaakt. Dit fenomeen is niet eigen aan de mens, alle diersoorten met een inwendige bevruchting kennen dat: blijf op afstand, behalve vandaag, nu mag je dichter komen, zelfs binnen. Aan de andere kant van het spectrum heb je ook een verruiming van de te respecteren afstand, namelijk de publieke afstand, die bewaard wordt door sprekers. Wie een publiek toespreekt, houdt liefst wat afstand, maar dit is een bijzonder geval en waarschijnlijk meer cultureel dan biologisch bepaald.
Je merkt dit dagelijks tijdens een wandeling over een drukke straat: mensen houden afstand van elkaar, of proberen dat toch. Een tegenligger stoten wordt snel als agressie beschouwd en roept boze blikken of verwensingen op. De persoonlijke, ja zelfs de intieme afstand is dan immers niet gerespecteerd. Even terzijde, erg dikke mensen hebben meer moeite met het slalommen tussen de mensenmassa en met het ontwijken van al die persoonlijke ruimtes, maar dat heeft meer te maken met hun verminderde controle op de eigen lichaamsbewegingen dan met hun grotere omvang.
Evolutionair bekeken zijn deze proxemische regelmatigheden goed te begrijpen. Een vreemde is nooit te betrouwen, misschien heeft hij ziektekiemen die kunnen overgedragen worden of misschien heeft hij minder goede intenties en is hij van plan je spullen te ontfutselen. Als onze voorouders een gedrag vertoonden waardoor ze de nodige, veilige afstand tegenover vreemden respecteerden, werden ze minder snel ziek, verloren ze minder gemakkelijk hun bezit zoals voedsel, werktuigen, geneesmiddeltjes, en hadden ze dus meer mogelijkheden om langer te leven en meer kindjes te krijgen. U en ik. Na honderdduizenden jaren is dit systeem ingebakken in ons gedragsrepertoire.
Op een dag zat ik weer alleen in ‘mijn’ treinwagon, nam een tijdschrift uit mijn boekentas, zette me gemakkelijk, zag in een ooghoek een dame binnenkomen en begon aan mijn een-uur-durende literatuur. Die intentie werd meteen de kop ingedrukt doordat mevrouw zich niet neerzette in de zetel diametraal aan de andere kant van de wagon, zoals de proxemica dat wil, maar knal tegenover mij. In een quasi lege wagon! Mijn bloedvaten trokken samen, mijn hart ging harder kloppen en, moest ik de elektrische geleidbaarheid van mijn huid kunnen meten dan zou ik enige transpiratie waarnemen. Als het nu een jong, knap ding was, alla, dan zou dat te verteren zijn, maar deze dame had mijn leeftijd! Gevaar!
De proxemica zegt welke persoonlijke ruimte wij rond ons willen hebben, de gedragsbiologie beschrijft ook ons gedrag wanneer die ruimte niet gerespecteerd wordt door anderen, door vreemden. We voelen ons ongemakkelijk, een lichte vorm van bedreiging. Dat geeft een reactie, een afgezwakte vorm van de fysiologische respons die we kennen als we van een gevaar willen vluchten, of een opponent willen aanvallen. Hormonen maken ons dan klaar voor actie. Bloed trekt weg van de huid en de ingewanden naar de spieren. Het hart gaat sneller slaan. In onze ogen verwijden de pupillen zich. Als iemand op straat te dicht bij je komt lopen, zal je niet meteen zo een vlucht- of vechtreactie vertonen, maar een sterk afgezwakte vorm ervan. Dat kan onder andere tot uiting komen door overspronghandelingen, kleine zinloze bewegingen die een spanningsveld verraden. In het haar krabben, draaiend schuifelen, over de wangen wrijven, ieder heeft zijn eigen manier om met deze kleine spanning om te gaan. Een geoefend gedragsobservator kan zien wanneer mensen zich ongemakkelijk voelen als anderen hun individueel territorium niet respecteren.
Maar ook omgekeerd, wij voelen ons ook ongemakkelijk wanneer we de proxemische privacy van een ander moeten overtreden. Ook dat gaat gepaard met een lichte vorm van spanning en kan onthuld worden door overspronggedrag. Iemand die in een bioscoop te laat binnenkomt en een rij neergezeten cinefielen moet passeren, noodgedwongen van de ene knie naar de andere sukkelt, verontschuldigt zich niet alleen met woorden, maar neemt bovenal een onderdanige houding aan, met gebogen schouders, ‘sla me niet, ik ben niet verantwoordelijk voor deze agressieve inval’. Op een terrasje gaan we niet graag aan een tafeltje zitten dat reeds bezet is, zelfs niet door één persoon, ook al zijn er nog vijf stoelen vrij. Die stoelen zijn openbaar en dus kunnen we ze zonder probleem gebruiken, maar de tafel is bezet! Die tafel is meteen het territorium geworden van de enige resident en we willen dat eerbiedigen. Als we dan toch echt moeten, gaat dat gepaard met veel ‘sorry’ en oversprong. Even terzijde, Nederlanders hebben hier veel minder moeite mee dan Vlamingen, maar dat mag ik eigenlijk niet schrijven.
De dame tegenover me kijkt me meteen recht in de ogen. Gaat ze aanvallen? Mijn hart bonkt. “Dag meneer, ik heb in uw blog gelezen…” en haar aanval is ingezet, gelukkig alleen met een niet te stuiten woordenvloed. Ze had me herkend van de foto op deze site van Eos. Dus het was niet haar bedoeling de regelmatigheden van de proxemica te verkrachten. Vermits zij mij herkende, en dus in haar ogen ook kende, was ze geen indringer en kon ze dichterbij komen. Voor mij was ze wel een vreemde, vandaar mijn lichte vlucht- of vechtreactie. Dat is nog een leuk gedragsfenomeen binnen onze soort: als we iemand op een foto hebben gezien, of op televisie, hebben we het gevoel die persoon te kennen. Maar dat is weer een ander verhaal.
De volgende keer dat ik de trein neem, ga ik tegenover een bloedmooie jongedame zitten, kijk haar onbevreesd aan en zeg: “Dag juffrouw, ik heb in uw ogen gelezen…” Dat mag.
Geschreven in Evolutie Vaste link
-
Reacties :
- (0)
- Geef uw reactie!
- Print dit artikel






De bril van Darwin
























We zetten eerst even de bril van Darwin op. Evolutionair
onderzoek heeft uitgewezen dat er een relatie bestaat tussen lichaamslengte en
dominantie, status dus. Grotere mensen krijgen sneller een dominante status
toegemeten dan anderen. Leidinggevenden zijn doorgaans grote mensen,
uitzonderingen daargelaten. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen wanneer we
naar onze voorgeschiedenis kijken, de periode van honderdduizenden jaren waarin
ons gedrag is gevormd. Grotere mannen hadden gemiddeld meer lichaamskracht en
hadden dus – weerom gemiddeld – meer kans om groepsgenoten of rivalen te
overmeesteren. Ze konden dus gemakkelijker dan anderen een hogere status in de
groep bemachtigen. Dat is onze overovergrootmoeders niet ontgaan. Op zoek naar
een partner en een vader voor hun kinderen verkozen zij mannen met meer macht;
die kunnen immers gemakkelijker bescherming, steun, voedsel… geven dan
pantoffelmannen. Grotere mannen konden zich dus gemakkelijker voortplanten.
Bovendien konden ze gemakkelijker hun vriendenlijstje uitbreiden: men heeft
immers liever een dominant iemand als vriend dan als vijand – zonder Facebook!
Grotere mannen werden dus eerder gesolliciteerd voor samenwerking en spel dan
kleinere mannen. Vermits geluk voor een groot deel een sociale aangelegenheid
is, zullen die grotere mannen dus ook meer kans op geluk hebben gekend (zie
mijn blog “Geluk en griep, kwestie van netwerken” van 11 januari 2009).
Klopt het ook dat grotere mensen meer of beter onderwijs
genieten? Wie een hoge status heeft gaat gemakkelijker nieuwe uitdagingen aan,
zoekt sneller naar stimulansen die de status nog verder kunnen opdrijven,
eerder dan de loser die zijn toestand onveranderd laat. Vandaag behoort onderwijs
tot een van de eerste mogelijkheden om de status verder op te krikken, dus
weerom is het verband logisch. Grotere, dominantere mensen zullen sneller
studies aanvangen en gemotiveerd blijven om ze tot een goed einde te brengen.






