Niet te dichtbij graag!

06 Augustus 2010, 11:59

De trein is altijd een beetje… wetenschappelijk onderzoek doen. Het is een fantastische uitvinding om je snel te verplaatsen – als je niet te streng aan een tijdschema gebonden bent – en het is wat milieuvriendelijker dan de auto. Voor een gedragsbioloog is het vooral een laboratorium. Mensen blijven op dezelfde plek zitten, dat is altijd leuk om ze te observeren, maar ze interageren ook met elkaar via gesprekken, ruzies, geflirt... Of ze gehoorzamen de wetten van de proxemica. Kijk.


De eerste klas wagons tellen minder reizigers dan de tweede klas, zeker buiten de spitsuren. Dit is ideaal om wat te lezen, maar ook om het territoriaal gedrag van onze soortgenoten te bekijken.
Elke keer ik de trein neem zit ik als eerste in de wagon en hoop steeds weer het alleenrecht te mogen houden, maar veel geluk is mij – op dat vlak – niet beschoren. Er komen altijd mensen bij. En net als de proxemica het voorspelt, kiezen ze een plaats zo ver mogelijk van mij verwijderd. Niet omdat ik stink maar niemand gaat dicht bij een reeds gezeten reiziger zitten, tenzij het een kennis is natuurlijk. Wachtzalen zijn minder leuk dan treinen, maar je ziet er hetzelfde fenomeen. Wij houden vreemden op afstand. Pas wanneer er nog maar weinig plaatsen over zijn in de wagon, in de wachtkamer, gaat men noodgedwongen dichter bij een ander zitten. Velen zullen dit een kwestie van privacy noemen, in de wetenschap gaat het om proxemica: de studie van de aangeboren neiging van mensen om een zekere ruimte rondom zich privé te behouden, een soort van lichamelijk territorium. Dit is mijn gebied en daar kom je niet binnen. Het is geen echt territorium zoals je tuin of huis waarvan je verwacht dat vreemden er buiten blijven, maar je kan het er sterk mee vergelijken. Je lichaam is het centrum van je persoonlijk domein en vreemden moeten daar buiten blijven.

Hoe groot is dat lichamelijk territorium? Dat is net de vraag waarmee de proxemica zich bezig houdt. De grootte is afhankelijk van de functie. De meest gebruikte is de sociale afstand, met een grootte van een dikke meter tot zowat vier meter. Als je wandelt op straat, de weg vraagt aan een politieman, in een lift stapt… of een plaats neemt in een trein, wachtzaal, restaurant, dan moet deze ruimte gerespecteerd worden. Indien niet geeft dat een gevoel van ongemak, onbehagen, ja soms zelfs angts- of woedeaanvallen.  Bekende mensen mogen dichterbij komen. Vrienden en familieleden worden verondersteld een persoonlijke afstand te respecteren, gaande van een halve meter tot iets meer dan een meter. We verkleinen onze ruimte tot een intieme afstand, kleiner dan een halve meter, als er meer vertrouwelijke dingen – aanrakingen, liefkozingen, fluisterend spreken – moeten of mogen gebeuren. Zonder deze sterke reductie van de lichamelijke ruimte tot een intieme afstand zouden er bijvoorbeeld geen kindjes kunnen worden gemaakt. Dit fenomeen is niet eigen aan de mens, alle diersoorten met een inwendige bevruchting kennen dat: blijf op afstand, behalve vandaag, nu mag je dichter komen, zelfs binnen. Aan de andere kant van het spectrum heb je ook een verruiming van de te respecteren afstand, namelijk de publieke afstand, die bewaard wordt door sprekers. Wie een publiek toespreekt, houdt liefst wat afstand, maar dit is een bijzonder geval en waarschijnlijk meer cultureel dan biologisch bepaald.


Je merkt dit dagelijks tijdens een wandeling over een drukke straat: mensen houden afstand van elkaar, of proberen dat toch. Een tegenligger stoten wordt snel als agressie beschouwd en roept boze blikken of verwensingen op. De persoonlijke, ja zelfs de intieme afstand is dan immers niet gerespecteerd. Even terzijde, erg dikke mensen hebben meer moeite met het slalommen tussen de mensenmassa en met het ontwijken van al die persoonlijke ruimtes, maar dat heeft meer te maken met hun verminderde controle op de eigen lichaamsbewegingen dan met hun grotere omvang.

Evolutionair bekeken zijn deze proxemische regelmatigheden goed te begrijpen. Een vreemde is nooit te betrouwen, misschien heeft hij ziektekiemen die kunnen overgedragen worden of misschien heeft hij minder goede intenties en is hij van plan je spullen te ontfutselen. Als onze voorouders een gedrag vertoonden waardoor ze de nodige, veilige afstand tegenover vreemden respecteerden, werden ze minder snel ziek, verloren ze minder gemakkelijk hun bezit zoals voedsel, werktuigen, geneesmiddeltjes, en hadden ze dus meer mogelijkheden om langer te leven en meer kindjes te krijgen. U en ik. Na honderdduizenden jaren is dit systeem ingebakken in ons gedragsrepertoire.


Op een dag zat ik weer alleen in ‘mijn’ treinwagon, nam een tijdschrift uit mijn boekentas, zette me gemakkelijk, zag in een ooghoek een dame binnenkomen en begon aan mijn een-uur-durende literatuur. Die intentie werd meteen de kop ingedrukt doordat mevrouw zich niet neerzette in de zetel diametraal aan de andere kant van de wagon, zoals de proxemica dat wil, maar knal tegenover mij. In een quasi lege wagon! Mijn bloedvaten trokken samen, mijn hart ging harder kloppen en, moest ik de elektrische geleidbaarheid van mijn huid kunnen meten dan zou ik enige transpiratie waarnemen. Als het nu een jong, knap ding was, alla, dan  zou dat te verteren zijn, maar deze dame had mijn leeftijd! Gevaar!

De proxemica zegt welke persoonlijke ruimte wij rond ons willen hebben, de gedragsbiologie beschrijft ook ons gedrag wanneer die ruimte niet gerespecteerd wordt door anderen, door vreemden. We voelen ons ongemakkelijk, een lichte vorm van bedreiging. Dat geeft een reactie, een afgezwakte vorm van de fysiologische respons die we kennen als we van een gevaar willen vluchten, of een opponent willen aanvallen. Hormonen maken ons dan klaar voor actie. Bloed trekt weg van de huid en de ingewanden naar de spieren. Het hart gaat sneller slaan. In onze ogen verwijden de pupillen zich. Als iemand op straat te dicht bij je komt lopen, zal je niet meteen zo een vlucht- of vechtreactie vertonen, maar een sterk afgezwakte vorm ervan. Dat kan onder andere tot uiting komen door overspronghandelingen, kleine zinloze bewegingen die een spanningsveld verraden. In het haar krabben, draaiend schuifelen, over de wangen wrijven, ieder heeft zijn eigen manier om met deze kleine spanning om te gaan. Een geoefend gedragsobservator kan zien wanneer mensen zich ongemakkelijk voelen als anderen hun individueel territorium niet respecteren.


Maar ook omgekeerd, wij voelen ons ook ongemakkelijk wanneer we de proxemische privacy van een ander moeten overtreden. Ook dat gaat gepaard met een lichte vorm van spanning en kan onthuld worden door overspronggedrag. Iemand die in een bioscoop te laat binnenkomt en een rij neergezeten cinefielen moet passeren, noodgedwongen van de ene knie naar de andere sukkelt, verontschuldigt zich niet alleen met woorden, maar neemt bovenal een onderdanige houding aan, met gebogen schouders, ‘sla me niet, ik ben niet verantwoordelijk voor deze agressieve inval’. Op een terrasje gaan we niet graag aan een tafeltje zitten dat reeds bezet is, zelfs niet door één persoon, ook al zijn er nog vijf stoelen vrij. Die stoelen zijn openbaar en dus kunnen we ze zonder probleem gebruiken, maar de tafel is bezet! Die tafel is meteen het territorium geworden van de enige resident en we willen dat eerbiedigen. Als we dan toch echt moeten, gaat dat gepaard met veel ‘sorry’ en oversprong. Even terzijde, Nederlanders hebben hier veel minder moeite mee dan Vlamingen, maar dat mag ik eigenlijk niet schrijven.


De dame tegenover me kijkt me meteen recht in de ogen. Gaat ze aanvallen? Mijn hart bonkt. “Dag meneer, ik heb in uw blog gelezen…” en haar aanval is ingezet, gelukkig alleen met een niet te stuiten woordenvloed. Ze had me herkend van de foto op deze site van Eos. Dus het was niet haar bedoeling de regelmatigheden van de proxemica te verkrachten. Vermits zij mij herkende, en dus in haar ogen ook kende, was ze geen indringer en kon ze dichterbij komen. Voor mij was ze wel een vreemde, vandaar mijn lichte vlucht- of vechtreactie. Dat is nog een leuk gedragsfenomeen binnen onze soort: als we iemand op een foto hebben gezien, of op televisie, hebben we het gevoel die persoon te kennen. Maar dat is weer een ander verhaal.

De volgende keer dat ik de trein neem, ga ik tegenover een bloedmooie jongedame zitten, kijk haar onbevreesd aan en zeg: “Dag juffrouw, ik heb in uw ogen gelezen…” Dat mag.

www.ch-darwin.eu

 

 

Geschreven in EvolutieVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Help! Ik besta niet!

07 Juli 2010, 13:46

Soms heb ik zin om iets over de mens te schrijven buiten mijn domein, de gedragsbiologie. Schoenmaker blijf bij je leest, denk ik dan… maar gun jezelf al eens een pleziertje buiten die leest. De drang naar dat pleziertje begon in mijn hoofd en vingers te kriebelen en te zwellen toen ik gisteren in een luie zonnestoel aan een hotelzwembad zat rond te kijken naar al die vakantiemensen. Sommigen jong, anderen oud. Vrouwen en mannen, stille kinderen en joelende, bleke en rode. Dikke buiken en nog dikkere buiken… Een filosofische gedachte zwol onder mijn schedel, wellicht te veel zon gehad. Een gedachte over het ‘ik’, wie ben ik eigenlijk? Een filosofisch gegeven, maar bij nader toezien toch ook biologisch een verdomd interessante vraag over lichaam en brein.

Mijn lichaam is niet erg stabiel. Neem nu het bloed. Het wordt voortdurend vernieuwd, bloedcellen worden constant afgebroken en nieuwe worden aangemaakt. Hetzelfde verhaal geldt voor de huid. De cellen van de buitenste laag zijn dood en schilferen continu af – met tienduizenden per minuut, ze maken het grootste deel uit van het stof in huis – en worden vervangen door nieuwe cellen. Na enkele weken zit mijn huid in de stofzuiger. Ik bladder af! Mijn bloed en huid zijn niet dezelfde als een week geleden, laat staan een maand geleden. Ons skelet gaat enkele jaren mee maar is evenmin stabiel. Men neemt aan dat jaarlijks ongeveer een tiende van het beenderweefsel wordt afgebroken en vervangen door vers materiaal. Na een enkele jaren heb ik dus een nieuw skelet. En zo wordt het grootste deel van mijn lichaam voortdurend vervangen. Er zijn wel weefsels die dwarsliggen in dit verhaal, zoals kraakbeen. Dat is vervelend bij het ouder worden. Meniscus kapot? Blijft kapot. Maar ook zenuwweefsel valt buiten dit spel van afbraak en heropbouw. Dat maakt een kwetsuur aan ons zenuwstelsel zo gevaarlijk. Herstel is maar in zeer beperkte mate mogelijk. De laatste jaren heeft men vastgesteld dat hersencellen – in tegenstelling tot wat ik decennialang doceerde – toch nog kunnen delen en dus hier en daar een stukje brein kunnen herstellen, maar dat is toch maar op zeer beperkte schaal. Wij doen het ons hele leven met grotendeels dezelfde hersenen. Besluit, op de vooravond van mijn levensherfst heb ik een ander lichaam dan in mijn jeugd. Mijn materiële ‘ik’ is vervreemd van het ‘ik’ dat ooit geboren werd, opgroeide, puberde, fuifde, zwoegde… Wie is mijn lichaams-ik? Dat van vandaag, van kort na mijn geboorte, van mijn 32ste verjaardag?

Het ‘ik’ is niet aan de materie gebonden, zal u zeggen, het wordt gevormd door de persoonlijkheid, het karakter, de kennis, het bewustzijn, dus het brein. Ziedaar de klassieke stelling. Het resultaat is dat wij altijd dezelfde persoon blijven, met dezelfde ‘ik’. Dit zou perfect kunnen overeenstemmen met het feit dat onze hersenen nog amper veranderen. Ware het niet dat die persoonlijkheid en dat bewustzijn niet verklaard kunnen worden door het hersenweefsel an sich. Een brokje lever kan werken als een lever, een koffiekop bloed heeft de eigenschappen van bloed, maar een klompje hersenen doet niets. De werking van de hersenen, zoals bewegingen bevelen, gevoelens maken, interesses kweken, bewustzijn creëren, komt tot stand door het extreem ingewikkeld ensemble van miljoenen neuronen verspreid over vele gebieden van de hersenen. Die neuronen geven signalen door aan elkaar in complexe circuits, verspreiden die signalen over meerdere cellen, brengen de output van vele neuronen weer samen in één cel, versterken hier een beetje, remmen daar wat af enzovoort. Zo ontstaat een samenspel dat we vandaag nog lang niet vatten, maar waarvan we wel weten dat het niet onveranderd blijft in de tijd.



Nee, de hersencircuits en de miljarden verbindingen tussen de neuronen veranderen voortdurend onder invloed van de omgeving. Telkens we iets leren, groot of klein, worden er nieuwe verbindingen gemaakt. En in de loop van ons leven leren we ontelbaar veel dingen, niet alleen de stelling van Pythagoras, maar ook dat de prijs van het volkorenbrood bij de bakker om de hoek vijf cent gestegen is. Ons brein is een onverzadigbare antenne van informatie en is voortdurend bezig met de integratie van al die gegevens in bestaande of nieuwe circuits. Als ons een brein een bibliotheek met duizenden soorten boeken zou zijn, is een leerproces een notering in de marge van een bladzijde van één boek. In de loop van ons leven worden er zoveel noteringen neergeschreven dat ze tot nieuwe boeken leiden, de bibliotheek breidt uit. Dus, ook al blijft het hersenweefsel goeddeels onveranderd in de loop van ons leven, de microscopische structuur op het niveau van de verbindingen tussen de cellen verandert even frequent als de afschilferende huid.

Al de neuronencircuits samen maken een onvatbaar geheel dat we onder de noemers bewustzijn, persoonlijkheid, karakter enzovoort onderbrengen. Sommigen spreken van een ziel. Als die duizenden circuits voortdurend wijzigen, houdt dat ook de verandering in van het geheel, van bewustzijn en dergelijke. Neem dit alles nu samen… ja dan kunnen we enkel besluiten dat ook het ‘ik’ dat steunt op persoonlijkheid en bewustzijn steeds verandert. Dagelijkse ervaringen, die in nieuwe neuronenverbindingen worden vastgelegd, sleutelen op microscopisch niveau aan mijn ‘ik’. En massa’s microscopische veranderingen samen geven uiteindelijk een verschuiving van het geheel. Als alle druppels van de zee veranderen, blijft de zee niet dezelfde. Idem met mijn brein, het verandert.

Is de verandering van ons brein moeilijk te aanvaarden? Voor velen onder ons misschien wel, maar toch zien we die veranderingen wel degelijk plaatsgrijpen, ook al beseffen we dat niet. We kunnen onze persoonlijkheid en bewustzijn zien verschuiven, maar iemand moet ons er attent op maken. Bij deze. Hoe ouder men wordt, hoe beter men de evolutie in het eigen brein vanuit een vogelperspectief kan waarnemen. Mijn interesses vandaag staan ver van deze van vijfendertig jaar geleden. Sommige interesses – in darwinisme bijvoorbeeld – zijn onveranderd gebleven, maar zijn toch bijgestuurd. Andere zijn grondig veranderd of gloednieuw. In mijn jeugdjaren moest niemand me over economische wetenschappen spreken, totaal oersaai en oninteressant. Vandaag probeer ik de literatuur hierover te ontwijken uit vrees opgeslorpt te worden in een boeiend domein dat al mijn energie zal verslinden. Nu heb ik andere voorkeuren voor kleuren, voedsel, kunst, humor, hobby’s, omgang met mensen, vakantie en ga maar door. Hoeveel mensen hebben op latere leeftijd nog dezelfde politieke of religieuze overtuiging als in hun roaring twenties or thirties? Aha, maar herinneringen, die blijven toch bestaan? Juist, maar ze worden elk jaar anders ingekleurd, met andere waarden en gevoelens. Het zijn souvenirs die worden geërfd van de voorgaande persoonlijkheden, maar telkens ietwat herschreven.

Conclusie van het geheel: ik ben vandaag een ander ‘ik’ dan enkele decennia geleden. Ik ben nu gewoon een ander mens, een ander persoon, een ander iemand dan in mijn jeugd, wel met dezelfde naam.

Stel nu dat stripverhalen gelijk hebben en er een machine zou bestaan om terug te gaan in de tijd. Stel dat ik met die machine naar mijn jonge jaren zou vliegen en mezelf zou ontmoeten. Ik zou de jongeman niet zeggen dat ik zijn latere en afbladderende maar toch ook wel wat wijzere ‘ik’ ben. Hij zou me wat rebels aankijken en misschien opmerken dat ik wat op zijn vader gelijk. De brave man zaliger mag het horen. Zou ik kunnen opschieten met die jonge kerel? Wat zou hij van die oudere man vinden? De kans is groot dat het wel zou klikken tussen ons. Maar ik zou oog in oog staan met een andere mens, een naamgenoot. Ik besta niet! Verschillende ikken bestaan of hebben bestaan.



Ik moet opletten met dit soort redeneringen. Ze houden immers in dat ik geen beroep meer kan doen op de diploma’s die ik heb behaald, want ze waren de verdienste van een ander. Alle examens zouden opnieuw moeten worden afgelegd. Ik ben ook al lang niet meer getrouwd met mijn vrouw, een ander huwde een andere vrouw dan degene die nu mijn ring draagt. We moeten opnieuw huwen. Ik ben ook geen vader meer, of grootvader, of broer… Ik profiteer gewoon van de merites van andere mannen die mij zijn voorgegaan, die in het verleden gewerkt hebben, examens afgelegd, een lief gezocht en ermee getrouwd, een kind gemaakt. Is mijn huis nog van mij? Waarom erf ik steeds dezelfde naam van mijn vorige ikken? Zou ik niet eens een andere naam mogen aannemen? Straks gaat iemand me nog vertellen dat dit reïncarnatie is. Dat elke ‘ik’ een wedergeboorte is van de vorige.

Eigenlijk wel een spannend verhaal, niet? Beseffen dat je geboren persoon gewoon niet meer bestaat. Maar er is een ontnuchtering, zoals bij een flauwe film waarin de lijn van het verhaal plots doorbroken wordt door een spelbederver, iets dat de spanning meteen naar de knoppen helpt. De spelbederver in mijn verhaal is toch gelijk gebleven, is vanaf de geboorte quasi onveranderd bleef: onze genetische grondslag, de genen. Buiten enkele mutaties die niets afdoen aan de essentie van ons genetisch patrimonium, dragen we nog dezelfde genen die we van moeder en vader hebben gekregen. Genen zijn in wezen niet meer noch minder dan informatiedragers. Ze zeggen hoe een kenmerk uit ons lichaam of gedrag zich kan ontwikkelen in een bepaalde omgeving. Ze schrijven dus ook voor dat weefsels moeten worden vervangen, dat het brein zich voortdurend moet herprogrammeren in functie van een veranderende omgeving. En als het versleten is, moet het lichaam worden weggegooid, weliswaar nadat het nieuwe lichamen – kindjes zeg maar – op de wereld heeft gezet die dan weer de informatie van de genen in stand houden en doorgeven.

Zetten we nog eens alles op een rijtje. Het lichaam met zijn uiterlijk en gedrag wordt voortdurend weggegooid. Het heeft enkel op korte termijn enig belang. De genen daarentegen zijn vooral geïnteresseerd in de lange termijn, hun ultieme doel (geen bewust doel natuurlijk!) is de informatie te blijven doorgeven in de tijd, generatie na generatie. En daarvoor wordt het lichaam als middel gebruikt, ons lijf is een mechanisme van de genen om hun boodschap te blijven verkondigen en verspreiden. Zoals papier kan gekopieerd worden als de drager van een idee, om dat idee te verspreiden. Het papier kan verbranden, de idee niet. Richard Dawkins had dit reeds gesteld in zijn meesterwerk The Selfish Gene. Lichamen zijn de voertuigen van onze genen, zegde hij en scoorde daar geen succes mee bij de goegemeente. Begrijpelijk, te moeten beseffen dat je alleen maar bestaat, werkt, liefhebt, en uiteindelijk sterft met als enig doel de informatie van een set genen in stand te houden… dat is pas een koude douche. Applaus kreeg hij niet, maar hij had wel gelijk. Wegwerplichaam en -brein in dienst van genetische informatie. Mijn spannende verhaal is verwaterd tot een ontnuchtering.

Verdomd vervelende gedachte. Dit soort gefilosofeer trekt op niets. Nooit zal ik nog in de zon zitten niksen. Het leidt niet tot goeie dingen. Aan de rand van een zwembad mag je niet beginnen mijmeren, gewoon zitten en kijken naar de vr… de mensen. En zwijgen.

www.ch-darwin.eu

 

Geschreven in EvolutieVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Tot over de oren stomdronken

22 Juni 2010, 13:54

De juffrouw stopt haar auto voor de opgestoken politiehand, draait het raampje open en glimlacht breed. Guitige oogjes. Ze lacht de arm der wet ondeugend en schaamteloos toe: “Kan ik iets voor u betekenen, mooie kerel?” De politieman kijkt nog norser dan voorheen en zwaait met het blaas-test-zakje. “Is mevrouw misschien onder invloed?” “Ja” giechelt ze luid, “heel erg, en u?”. Boze ogen vlammen vanonder de kepie. “Let op uw woorden, mevrouw, dronkenschap is al erg genoeg, doe er geen beledigingen van een ordehandhaver bij!” “Oh lieve handhaver, wil jij…” kreunt ze, maar wordt onderbroken door een hevig gebrul: “Hoeveel alcohol denkt u in uw bloed te hebben, mevrouw?” “Ik? Nul komma niks, enkel wat cola light en heel veel fenylethylamine! Wil u ook een beetje?” “Wat hebt u gedronken? Fenila…” De arme man is het noorden kwijt met deze dame, stomdronken, maar – helaas voor hem – niet van alcohol, maar van verliefdheid.

De verliefde deerne heeft niet helemaal ongelijk, want als we de term niet te letterlijk gebruiken is ze inderdaad dronken van verliefdheid. Net als bij alcoholconsumptie kan verliefdheid iemand onder invloed brengen, zijn of haar geestesvermogen en rationaliteit aantasten. Maar, in tegenstelling tot echte dronkenschap – die geen biologisch nut heeft maar enkel een abnormaal gedrag is dat wij uitgevonden hebben omdat het ons pleziert – is verliefdheid een evolutionair gevormd systeem dat wel degelijk nuttig is, zonder dewelke voortplanting moeilijk zou zijn. Bij alcoholdronkenschap is de molecule ethanol de boosdoener, bij verliefdheid is er een cocktail in het spel, waarbij vooral fenylethylamine de zaligmakende molecule is. Ze wordt in de wandeling ook wel PEA genoemd. Maar laten we niet te snel gaan, met al die dronkenschap zouden we uit de bocht kunnen vliegen.

Voortplanting is een hele bedoening. Mannen moeten er voor zorgen dat een van hun miljoenen zaadcellen bij een eicel terechtkomt, vrouwen moeten moeite doen om een van hun eicellen een zaadcel te laten verwelkomen. Als je weet dat mensen een ingebakken schroom, zoniet vrees of agressie, hebben voor de nabijheid van andere mensen – bestudeerd in de zogenaamde proxemica – moet er wel een en ander gebeuren om het contact tussen zaad- en eicel te verwezenlijken. Zonder in detail te treden, er zijn acrobatische ingrepen nodig om die cellen bij elkaar te brengen én man en vrouw moeten daarbij optimaal samenwerken, zonder schroom of irritatie. Met de normale regeling van ons gedrag is dat niet mogelijk. Niemand zou onder normale omstandigheden aan zulk stuntwerk willen deelnemen, er zelfs niet aan beginnen. Dat zou nefast zijn voor de voortplanting, er zouden geen mensen meer bestaan. Om aan dat euvel te verhelpen heeft de evolutie een oplossing uitgewerkt: breng man en vrouw in een abnormale toestand, een roes waarin ze vergeten verlegen of geïrriteerd te zijn, verander hun waarnemings- en denkvermogen, hun perceptie, hun alertheid, hun beloningssysteem… en noem deze roes ‘verliefdheid’. Dat systeem werkt, mensen doen dingen waarvan ze anders zouden walgen. Zelfs de vele lichaamssappen die vrijkomen om het contact van de cellen te vergemakkelijken, roepen door deze hallucinogene trip geen afkeer op. Verliefdheid is dus eigenlijk een stout en gemeen trucje van de natuur, enkel en alleen om de genenstroom van de ene generatie naar de andere verder te zetten.

Voor gewone dronkenschap heb je alcohol nodig, voor verliefdheid worden andere moleculen gebruikt. PEA is wellicht de meest tot de verbeelding sprekende. De Amerikanen spreken graag van de love drug. Deze stof jaagt de geliefden letterlijk op, met een verhoogde bloeddruk en een toename van glucose in het bloed als energiebron. De ongekende en aanhoudende inspanning bij het vrijen vraagt wel om een zweepslag onder de vorm van energie. Deze piekt bij het orgasme, het hoogtepunt van de man-vrouw-samenwerking. Spijtig dat men op dit hoogtepunt meteen ook de top van de bedwelming bereikt, want dan mist men veel van het plezier… zal u denken, maar het is net andersom. De roes is juist noodzakelijk voor het plezier, zonder verliefdheidsdronkenschap geen seksueel genot. Net zoals men bij een te hoog alcoholgebruik wel kan lachen met die ene mop die in een nuchtere toestand de flauwe en naïeve belachelijkheid zelve is.



Voor de volledigheid: er zijn nog moleculen actief in onze hersenen om van verliefdheid te maken wat verliefdheid is. Denken we aan dopamine en endorfines. Dit zijn stoffen die een goed gevoel geven. Dopamine werkt in op de zogenaamde genotskern (nucleus accumbens voor de fijnproevers), en is ook actief bij lekker eten en drinken of andere dingen die een beloning inhouden. Wie in seks een beloning ziet – en dat is wellicht de meerderheid onder u – mag weten dat dopamine een hoofdrol speelt. Endorfines zijn natuurlijke, door de hersenen zelfgemaakte pijnbestrijders die net als morfine de pijn kunnen onderdrukken. Bij grote inspanningen maken we ook endorfines aan, ze geven ons een goed gevoel. Zowel na een uur joggen als bij het vrijen. En dan is er nog oxytocine, een bijzonder sympathiek maar complex hormoon met vele functies, dat ook massaal wordt geproduceerd bij lichamelijk contact. En aanraking is niet bepaald afwezig bij de inspanningen die geleverd worden om de geslachtscellen aan elkaar te kunnen voorstellen.

Kortom, het systeem dat de evolutie heeft uitgewerkt om man en vrouw aan te zetten tot voortplanting is erg chemisch gedreven. Veel mensen worden boos wanneer men over de chemie van onze verliefdheid spreekt. Het is zo materialistisch, zo reductionistisch, zo biologisch, zo ontnuchterend. Is de mens dan niets meer dan wat chemische reacties? Nee, eigenlijk niet. Erg stout om dit te zeggen, ik weet het, maar de gevoelens die bij liefde en verliefdheid opborrelen worden – tot spijt van wie het benijdt – met moleculen geregeld. Of we dat nu willen of niet. Ja maar, hoor ik dan zeggen, we hebben toch ook nog ‘hogere’ gevoelens, thuis in de wereld van schoonheid, onderwerp van artistieke creaties. Juist, dat moet niet ontkend worden, maar ook die hogere vormen van gevoel zijn het resultaat van elektrische en chemische processen in ons brein. Neuronen sturen signalen over grote afstand en geven ze aan elkaar door via moleculen. Chemie alom.

En de kunstenaar? Moet hij maar zwijgen over de schoonheid van verliefdheid? Zou hij niet beter moleculen gaan bestuderen? Helemaal niet. Als wij verliefdheid mooi en leuk vinden, ondanks de bijzonder aardse dingen die de natuur met ons voorheeft, dan kunnen we dat zonder meer nog wat versterken door een hemelse, artistieke slagroom erover te spuiten. Erover praten, zingen, dichten, schilderen, acteren maakt het alleen maar leuker, mooier. Dus doen. De evolutie heeft nooit gezegd dat we het genot niet zelf mogen verhogen, met trucjes die we zelf kiezen. Zolang we ons maar blijven voortplanten. Kunstenaars, aan het werk! Moleculen of niet.

De politieagent heeft ondertussen zijn handboekje erbij gehaald en info gezocht onder de D van dronken en de F van fenilo… hoe heet het ook weer? Maar niets gevonden. “Juffrouw, ik weet niet wat aan te vangen. U bekent dronken te zijn maar u heeft niets gedronken. Hoe kan dat nu?” en zij wijst met haar opgestoken duim naar onderstaande website, geeft de man een zoen op de neus en schuurt met gierende banden weg. Levensgevaarlijk.

www.ch-darwin.eu  

Geschreven in EvolutieVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is vriend, wie is vijand?

01 Juni 2010, 10:43

De vergadering draait op volle toeren, de discussie vlamt hoog op, de gemoederen zijn gloeiend. Hier hou ik van, niet van vergaderingen, maar van dit vuur. Zalig om het gedrag van mijn soortgenoten te observeren. De kleur van de gezichten, het zwaaien van de armen, de stemintonaties, de vuisten op tafel, heerlijke communicatiemiddelen die meer vertellen dan de woordenvloed. Ik zwijg en kijk. En geniet. Naast me zit een jonge collega. Hij heeft een mooi voorstel geformuleerd, maar dat verhoogt duidelijk niet ieders geluk. Sommigen vinden het briljant, voor anderen getuigt het van oerbelachelijke (!) onervarenheid en moet het zo snel mogelijk geklasseerd worden, “volgend punt graag!”. Maar de voorzitter wacht nog om het voorstel ter stemming voor te leggen. Hij wil eerst voldoende meningen horen.

Ik zie dat mijn buurman collega een lijstje met aanwezigen onder zijn papieren heeft verstopt. Stiekem zet hij enkele plusjes en minnetjes achter de namen, al naar gelang ze zijn voorstel steunen of niet. Het is duidelijk dat hij de voorzitter zal vragen om te stemmen zodra hij meer plusjes heeft. Over ons zitten twee ouwe rotten (sorry collega’s) die het voorstel al hebben fijngemalen, maar naast hen zit een stille zwijger. Hij heeft nog geen millimeter van zijn mening naar voren gebracht en mijn arme buurman twijfelt met een plus of een min achter zijn naam. Hij wacht tot de zwijger één woord zegt, maar die hult zich in stilte.
Zet maar een minnetje” fluister ik in het naburige oor. Buurman collega schrikt zich te pletter, betrapt op zijn stiekem turven. “Hoe weet jij dat?”, fezelt hij terug. “Kijk maar eens naar zijn armen, en zijn hoofd, en wanneer hij van zijn koffie drinkt, en hoe hij zijn wenkbrauwen optrekt”. Collegaatje kijkt me nu heel boos aan. Moest er geen leeftijdsverschil tussen ons zitten, hij had me met een vloek de mond gesnoerd en me voor de rest van de vergadering tot lucht herleid. “Hij zegt toch niks!?” sist hij me toe. “Spiegelgedrag jongen, zet een minnetje, hij is tegen jouw voorstel.” De voorzitter kijkt boos in onze richting en merkt op “dat sommige collega’s te veel minivergaderingen houden!” Dus wacht ik tot de koffiebreak om een en ander te verduidelijken.

Spiegelgedrag is weer een van die oude gedragsfossielen die we uit ons verre verleden meedragen. Bijna niemand is er zich van bewust, maar voor de gedragsbiologie is het een leerrijk en leuk fenomeen. Mensen tonen graag hun onderlinge verschillen. Wie dominanter is dan een ander, of dat denkt te zijn, maakt dit duidelijk via dominantiesignalen. Wie bang is voor iets, seint dat ook door. Wie de anderen minderwaardig vindt, verklapt dat met een neerkijkende blik. Maar, ook wanneer mensen geen onderlinge verschillen hebben, of die niet willen hebben, wordt dat met uiterlijk gedrag getoond, meer bepaald door elkaars houdingen en gebaren te imiteren. Men begint elkaar na te doen, het gedrag van de andere te spiegelen, zeg maar. Daarom noemen we dat in de biologie spiegelgedrag. Echogedrag wordt ook gezegd, of zelfs congruentiegedrag maar dat ruikt te veel naar een ziekenhuissfeer.

Dus, als mensen elkaar graag hebben, verliefd zijn op elkaar, of gewoon met elkaar overeen komen, zie je dat aan hun spiegelgedrag. Zonder woorden te gebruiken zeggen ze met deze imitatie niet meer noch minder dan: kijk, om duidelijk te maken dat we op dezelfde golflengte zitten wil ik in jouw huid kruipen, maar vermits dat nogal moeilijk is, doe ik je volledig na, ik spiegel jou zo veel ik kan, zo worden we toch een beetje één. OK, ik weet dat dit onnozel klinkt, maar eigenlijk is dit het fundament van dit gedrag. In een restaurant zie je welk koppel erg verliefd is – maximaal spiegelgedrag – en welk stel op voet van oorlog verkeert – maximale verschillen in houdingen en handelingen.



“En waardoor wist je dan dat die zwijger ook tegen mijn voorstel was?”, vraagt collegaatje fluisterend als een spion, en roert in zijn zwarte koffie om te verbergen dat hij naar mijn subversieve theorie luistert. “Omdat hij zijn armen op dezelfde manier voor zich uitstrekte met de handen in elkaar gevouwen, zoals die twee ouwe opponenten van jouw voorstel. Die twee hadden met voldoende woorden duidelijk gemaakt dat ze je idee minder dan afval vonden en de zwijger signaleerde met zijn houding dat hij op dezelfde golflengte zat.” Mijn woorden overtuigen niet, dus sist hij tussen twee koffieslurpjes door: “Dus je baseert je enkel op zijn armen? Bedankt voor de…”. “Neen”, zeg ik, “ook de houding en beweging van zijn hoofd. Hij spiegelde die overduidelijk aan jouw vijanden. Ook zijn wenkbrauwen gingen telkens een millimeter omhoog wanneer zijn geestesgenoten dat deden. Zeer kleine bewegingen, nauwelijks te zien, maar dat gebeurt nu eenmaal ook bij spiegelgedrag, je ziet het soms amper. Microbewegingen dus. En zijn koffie, heb je niet gezien hoe hij bijna synchroon met de anderen zijn kop optilde? Dat noemen wij nu spiegelkoffieslurpen. Grapje hoor.” Hij kan er niet mee lachen, wat wel logisch is, de grote weerstand tegen zijn voorstel zit hem bijzonder ongemakkelijk. “Allemaal erg interessant, maar wat ben ik ermee? Kan ik hier nu iets mee doen? Is die theorie van jou toe te passen? Of is dat alleen iets om spannend mee uit te pakken bij de koffie?”

Ik heb wel medelijden met hem en in plaats van iets te zeggen als je-bent-nog-jong en er komen nog veel gelegenheden om iets voor te stellen, probeer ik hem een beetje hoop te geven, maar geloof er zelf niet erg in. “Spiegelgedrag kan ook omgekeerd worden. Je kan een beetje invloed uitoefenen door kunstmatig te spiegelen, door gecontroleerd de houdingen en handelingen van – bijvoorbeeld – de zwijger na te bootsen. Als je dat een aantal minuten volhoudt, is er een klein kansje dat hij onbewust sympathie voor je ontwikkelt en je dus misschien gelijk geeft. Sommige mensen doen dat om anderen op hun gemak te stellen, verkopers bijvoorbeeld. Maar ook therapeuten kunnen het spiegelgedrag gebruiken om het vertrouwen van hun cliënt te winnen. Als de zwijger je voldoende in zijn vizier houdt, kan je hem met je geforceerd spiegelgedrag misschien van gedachte doen veranderen. Maar de kans is klein. Een dikke cheque kan meer effect hebben.” Dat vindt hij helemaal niet leuk en vermits hij niet verder wil praten met een oude collega die alleen maar kan lachen met zijn verloren veldslag, zet hij zijn kop neer en loopt terug naar de vergaderzaal. Zo ook de voorzitter, hij zwaait met de armen richting slachtbank en de vergaderde beulen volgen hem.

“Gezien de gevoeligheid van dit onderwerp en de gespannen sfeer, stel ik voor dat we een geheime stemming houden”, zegt hij. “Iedereen akkoord? OK, briefjes alstublieft”. En de secretaris deelt de stembriefjes uit, haalt ze weer op en telt zorgvuldig. “De voorzitter heeft tegengestemd”, fluister ik in het oor van mijn arme buurman. “Waaraan kon je dat nu weer zien, aan zijn ogen misschien?”, sist buurman. “Nee, ik heb gespiekt”.

www.ch-darwin.eu 

 

Geschreven in EvolutieVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Het blanke ras, out of the blue

10 Mei 2010, 11:37

 “Dag meneer. Ik heb uw blog gelezen over de standaardinstelling van de mens. U vergelijkt ons zomaar met een computerinstelling die je kan terugzetten in default. Neem me niet kwalijk, maar ik vind dat nogal grof. Wij zijn als mensen toch wel wat meer dan dat, vindt u dat nu zelf ook niet? Ik verwacht wel geen excuses van u, maar ik wilde dit toch even kwijt.” De dame tegenover mij in de trein had me herkend. De neiging bekroop me om haar nors toe te snauwen en dingen als ‘beeldspraak’ en ‘grapje’ voor de voeten te gooien. Maar vermits ze een toegewijde EOS-lezer is, smeerde ik een laagje charme over me heen, ontplooide een glimlach en probeerde toch vriendelijk wat te zeggen over ‘niet letterlijk te nemen’ of zoiets. Ze had duidelijk al evenveel lentes geteld als ik, of – aan de groeven in haar gezicht te zien – eerder herfsten. En mensen op onze leeftijd moet je vriendelijk behandelen.

“Wel euh…” begon ik, maar ze onderbrak me meteen. Een vrouw, remember? “U eindigde uw blog met een vraag, namelijk waarom wij blank zijn, terwijl u een heel pleidooi hield voor het feit dat de mens in essentie zwart is. Gaat u daarover een blog schrijven? Ik zou wel eens willen weten… wat gaat u schrijven? En wanneer verschijnt dat? En…” haar woorden raasden samen met de trein door het landschap. De trein stopte nu en dan aan een station, zij niet. De wetten van de vrouwelijke monoloog getrouw, stroomde haar verbale waterval verder en merkte ik dat ze in feite mijn blog aan het herhalen was. Nu eens peinzend van ‘hoe zat het ook weer’, dan weer kijvend voor mijn reductionistische visies die altijd kwamen boven drijven en altijd maar die seks (dus ze las de andere blogs ook!) en soms belerend om mij uit te leggen wat ik had neergepend. Gelukkig zaten we alleen in de wagon, wat meteen het probleempje opriep waarom ze tegenover mij was komen zitten, er waren nog banken genoeg – eens een blogje over plegen, later.

Ik maakte gebruik van een fractie van een seconde waarin ze naar adem hapte om iets te zeggen. “Kijk, die blanke huid, daar zijn nog veel onzekerheden over…” begon ik, “Ja ja, gaat u verder” onderbrak ze me. “… maar we beginnen steeds meer te denken dat Darwin reeds op het goede spoor zat…” waarna ze zich ontpopte als een interviewer eerste klas, zoals onze wagon.

Zij: Laten we beginnen bij het begin. U schreef dat we al één tot twee miljoen jaar geleden onze vacht afgooiden, dat we toen zwart waren als bescherming tegen de zon – melanine was de stof, juist? – maar wanneer schakelden we dan over op blank?
Ik: We kunnen dat niet zeker stellen vermits de kleur geen fossiele resten achterlaat, maar hoogstwaarschijnlijk gebeurde dat na de uittocht van de mens uit Afrika, onze wieg, enkele tienduizenden jaren geleden dus. Die migratie gebeurde in noordelijke richting, weg van de verzengende zon. Homo erectus had dat eerder al gedaan, maar over zijn kleur weten we niets. Ik spreek dus alleen over onze soort. De mens is gedurende de laatste tienduizenden jaren verspreid over de hele wereld. De juiste datering is nog onderhevig aan discussie omdat men beroep doet op verschillende wetenschappelijk technieken, maar voor ons verhaal hier is dat niet belangrijk. Onthouden we dat de mens naar minder zonnige gebieden trok.
Zij: Dus had hij geen melanine meer nodig om zich te beschermen?
Ik: Toch niet continu. Het mechanisme om zich met een kleurstof in de huid te beschermen tegen zonnestralen bleef bestaan, kijk maar naar de bruinbakkers op het strand. Maar ‘niet meer nodig hebben’ is niet voldoende om het verlies van de zwarte kleur evolutionair te verklaren. Een veel gebruikte theorie – die ikzelf jarenlang aan mijn studenten heb voorgelegd – stelt dat de donkere huid een probleem werd in de noordelijker, dus zonarmer gebieden omdat ze ons te veel afschermde van de zon. Daardoor kon moeilijker vitamine D worden gemaakt, en die is, zoals de definitie van ‘vitamine’ stelt, noodzakelijk voor een goed functioneren van ons lichaam. Dus zorgde de evolutie voor een blanke huid, zonder barrière tegen de zon, om ons voldoende vitamine D te bezorgen. Die visie werd onlangs nog gestaafd met de bevinding dat zwarten die in ons land wonen, een probleem hebben met de aanmaak van vitamine D.
Zij: Ach zo, bedankt voor deze uitleg. Gaat u daar een blog over maken?



Ik
: Oh, wacht even, ik begin nog maar hoor. Want die visie is recent onderuit gehaald. Dat is zo met wetenschap. Zekerheden kunnen plots beginnen wankelen. Die uitleg van de vitamine bleek overdreven. Het probleem van een zwarte huid is niet zo groot als men dacht. Daar kan de verklaring niet liggen. We moeten hoogstwaarschijnlijk terugkeren naar de idee van onze goeie ouwe Darwin die in zijn latere werken stelde dat mensenrassen ontstaan zijn door seksuele selectie.
Zij: Begint u nu weer over seks? Nu was u eens ernstig!
Ik: ’t Is niet wat u denkt! Sorry! Seksuele selectie is een mechanisme van de evolutie, zoiets als natuurlijke selectie maar met andere stuwende krachten.
Zij: Natuurlijke selectie ken ik al: levende wezens verschillen van elkaar in vele opzichten en sommige zijn wat beter aangepast aan hun omgeving, waardoor ze meer kansen hebben op overleving en voortplanting en dus hun betere genen kunnen doorgeven; daardoor zullen die genen zich meer verspreiden in de volgende generaties en verandert de soort stilaan. Juist?
Ik: (applaus) Proficiat! Alleen zou ik niet enkel over ‘soort’ spreken, maar populatie: ook een groep organismen kan stilaan veranderen door natuurlijke selectie. Wel, in het systeem van natuurlijke selectie is de omgeving de stuwende kracht, het milieu. Dus de temperatuur, zonnestralen, hoeveelheid voedsel, water, parasieten, noem maar op, alle mogelijke dingen in de omgeving van een levend wezen die in de loop van honderdduizenden jaren bepaalden in welke richting de populatie, of de soort, veranderde. Nu, bij seksuele selectie wordt de richting aangegeven door het andere geslacht. Zeer fundamenteel beschouwd is dit eigenlijk hetzelfde, maar toch verschillend genoeg om een aparte benadering te krijgen.
Zij: Kan u dat niet illustreren, want ik vind dit nogal vaag.
Ik: Euh… denk bijvoorbeeld aan onze huismus. Het mannetje van dit sympathieke vogeltje verschilt duidelijk van het wijfje: hij heeft zwarte veertjes op zijn kop, keel en borst, zij is onopvallend en vrij egaal van kleur. De zwarte oppervlakte bij meneer, dus het aantal zwarte veren, verschilt van man tot man, de ene is wat zwarter dan de andere. Mevrouw mus geeft duidelijk de voorkeur aan een man met meer zwart om de vader van haar kindjes te worden. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ooit, heel heel lang geleden, waren er mussen – zijzelf spreken liever van musachtigen – waarbij de mannetjes nog geen zwarte tooi hadden. Vrouwtjes maakten hun keuze op basis van andere dingen die we niet kennen. Er waren natuurlijk wel mussenheren met een iets donkerder kleur, met wat meer zwart dan de andere. Geen mus die daarnaar kraaide, dat is variatie zoals we die altijd bij levende wezens zien. Maar dan, out of the blue, deed zich een merkwaardig voorval voor.
Zij: Spannend!
Ik: Er verscheen een mussenvrouw die, zuiver door toeval, een erfelijk bepaalde voorkeur had voor mannen die wat meer zwart gekleurd waren. Ze viel gewoon op donkere kerels en liet de bleekscheten links liggen. Telkens als zij een nest eieren uitbroedde, was de vader van het donkere type, met wat meer zwarte veertjes dan de andere mannen. Dat zou de geschiedenisboeken niet halen, ware het niet dat de jongen die uit deze eieren kwamen aan genetische correlatie deden…
Zij: Hé? Spreek dan toch maar liever over seks hoor...
Ik: … dat wil zeggen, dat ze twee eigenschappen van hun ouders overerfden: zwarte veertjes enerzijds en de voorkeur voor deze veertjes anderzijds. Dat is belangrijk, want op die manier koppelden ze de genen voor deze eigenschappen voor de verdere toekomst aan elkaar: het gen voor de veren bij mannen plus het gen voor de voorkeur bij vrouwen. Die toevallige verandering bij hun moeder out of the blue werd dus verspreid, al haar dochters lonkten naar donkerder mannen, en al haar zonen waren donkerder mannen. Die zonen en dochters plantten zich ook voort, en gaven beide de twee gekoppelde genen door aan de kleinkinderen, die aan de achterkleinkinderen enzovoort.
Zij: Het gevolg is dus dat die eigenaardigheid van die eerste moeder wordt verspreid, tot… ja tot wat?
Ik: Tot de voorkeur voor mannetjes met zwarte veertjes gemeengoed is geworden, en het ontbreken van die voorkeur stilaan is weg geselecteerd.
Zij: Leuk, maar ik volg niet meer helemaal. De vogeltjes die geen voorkeur hadden voor donkere kerels plantten zich toch ook voort?
Ik: Zeker, maar ze worden generatie na generatie steeds meer verdreven door de vogels die de zwarte voorkeur wél hebben. De verklaring hiervoor is dat hun koppeling van genen (zwart + voorkeur voor zwart) meer kans op succes biedt doordat de selectie gericht is! Gericht in de zin van zwarte veren bij de mannen. Bekijk het een beetje als favoritisme, ze zoeken elkaar op. De vogels zonder zwarte veren of voorkeur hiervoor, plantten zich willekeurig voort, zonder gericht te worden en dat wordt op de lange duur afgestraft, ze worden overdonderd door de andere.
Zij: Dat volg ik nog niet helemaal, maar ik begrijp de grote lijnen wel. Ik zie nu ook waarom hier sprake is van seksuele selectie: het is in de partnerkeuze dat de selectie wordt doorgevoerd, het zijn de wijfjes die de mannetjes in de zwarte richting duwen, en niet het klimaat, het voedsel of wat dan ook. OK, sorry dat ik u een viespeuk vond met al die seks. En toch, dit is een mooi verhaal, met een mooi einde, maar het begin ervan zit me dwars. Waarom zou een wijfje out of the blue nu een voorkeur gaan ontwikkelen voor een mannetje met zwarte veren? Toeval zegt u, maar zo zouden er honderden verschillende voorkeuren kunnen ontstaan. Stel dat een ander wijfje geïnteresseerd is in groene veren, en ander in rode poten, nog een ander in weet ik veel…
Ik: Daar hebt u een punt, een erg belangrijk punt waarmee de biologie lang geworsteld heeft. Het grote verschil tussen die zwarte veren en de groene veren, of de rode poten… is dat de zwarting een aanwijzing is voor de hoeveelheid testosteron in het bloed van meneer. Hoe meer de mussenman dit mannelijk hormoon aanmaakt, hoe dominanter hij is, hoe gemakkelijker hij in een competitie met andere mannen kan winnen en dus meer voedsel bemachtigen, dus hoe beter zijn genen zijn die doorgegeven zullen worden aan de kindjes. Zwarter is hier een teken van sterker, gezonder en dus beter als vader. Uw groene veren zouden deze link met goede genen niet hebben, toch niet bij mussen, en dus minder kans hebben om de race te winnen.



Zij
: I’ve got the picture. Maar neem me niet kwalijk, we waren wel begonnen over mensen die hun zwarte kleur verloren in de loop van de evolutie. Ze werden bleek, de andere richting uit dan uw mussen.
Ik: Het principe blijft hetzelfde. Op bepaalde plaatsen waar onze voorouders leefden ontstond een toevallige voorkeur out of the blue voor een partner met minder pigment, én die voorkeur was genetisch bepaald – als dat niet zo zou zijn, hebben we te maken met een cultureel verschijnsel, mode zeg maar en dat kan elk jaar veranderen. Nee, de voorkeur moet in de genen zijn neergeschreven, en vermits evolutie erg veel tijd neemt is de kans reëel dat zoiets gebeurt. In onze contreien groeide generatie na generatie een voorkeur voor partners met minder melanine in de huid. In Afrika kon zo een voorkeur geen succes betekenen wegens de brandende zon, maar bij ons wel. Even toevallig zou dit ook niet kunnen gebeurd zijn, en waren u en ik zwart.
Zij: En heeft dat ook iets te maken met hormonen?
Ik: (neem denkbeeldige hoed van het hoofd en druk hem tegen de borst) Weerom gebiedt de wetenschappelijke eerlijkheid me om te stellen dat dit nog een vraagteken is. Hadden mensen een voordeel om te kiezen voor bleekscheten? Welk voordeel? We kunnen gissen, bijvoorbeeld dat iemand met minder melanine meer vitamine D aanmaakt en dus gezonder is. Zoals ik eerder zei is dit maar een klein effect, maar in de zeer lange tijd die de evolutie neemt om dingen te veranderen, kan dit toch voldoende zijn om te scoren. Dan zou dus een blanke huid op een betere gezondheid wijzen. En zou de voorkeur voor blank in ons gebied kunnen verspreiden. Onze voorouders werden dus bleek in een tijdspanne van duizenden jaren. Maar we hebben bewijzen nodig om die gezondheidsfactor met zekerheid te kunnen aannemen, hopelijk komen die nog.
Zij: Geldt dat ook voor andere verschillen tussen rassen?
Ik: Zeker, de vorm van het gezicht, de kleur en structuur van het haar, lichaamsgrootte, noem maar op. Al die dingen kunnen veranderen binnen een populatie indien er een seksuele selectie plaatsgrijpt. De kans dat dit gebeurt neemt toe wanneer die variërende dingen een link met genen hebben, of gezondheid. Zo kunnen we verklaren dat wij meestal geen krulhaar meer hebben, de Aziaten zwart en sluik haar en spleetogen hebben, en ga zo maar door.
Zij: Bestaan er dan nog wel rassen? Mensen zijn dus niet in essentie verschillend van elkaar?
Ik: Toch wel, er bestaan natuurlijk rassen, ook al zegt men tegenwoordig dat dit niet zo is. Er zijn geen grote genetische verschillen tussen de ‘rassen’ maar om van een ras te kunnen spreken is dat ook niet echt nodig. Veel hangt af van wat je onder een ras verstaat. In feite moet er sprake zijn van uiterlijke en genetische verschillen. Die bestaan natuurlijk wel: een zwarte verschilt van een blanke qua kleur, neusvorm, krulhaar en dat zit in zijn genen. Maar die genetische verschillen zijn kleiner dan de variatie binnen een groep blanken of binnen een groep zwarten. Dus heeft het niet veel zin om rassen van elkaar te onderscheiden alsof het verschillende soorten zijn, dat leidt tot discriminatie. Zo komen we terug bij de visie van Darwin: hij wilde seksuele selectie gebruiken om aan te tonen dat alle mensen één soort vormen, allen gelijk aan elkaar. Voor hem was dit essentieel om argumenten tegen de slavernij te kunnen aanbrengen. Hij had natuurlijk gelijk.
Zij: Gaat u dat allemaal in uw blog schrijven?
En de brave dame begon terug aan haar eigen woordentrein. Ze had te lang moeten luisteren. Mijn verhaal werd herhaald, eigen bedenkingen toegevoegd, haar familie kwam aan bod, alle leden! En maar ratelen en tateren. Ik ben een halte vroeger uitgestapt.


www.ch-darwin.eu 

 

 

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Mevrouw, wat is uw standaardinstelling?

25 April 2010, 18:50

De Apple computer staart me aan met een uitdrukking van ‘komt er nog wat van?’ In mijn droom had ik telefoon gekregen van Eos-magazine met de strenge aanmaning: “Wel, wordt het niet stilaan tijd voor een nieuwe blog? Hé? Hoe zit dat daar?” en ook al was het maar een droom, de angst had me overmeesterd, ik wilde iets op het scherm toveren. Maar wat? De Apple wacht geduldig, ik staar naar het scherm en speel wat met de dingen die van een apple een Apple maken. De time machine vind ik leuk. Voor de niet-Applefanaten: dit is een programa waarmee je op je computer kan teruggaan in de tijd, alle mogelijke bestanden, programma’s, foto’s die je ooit op je scherm had staan, kunnen terug worden opgeroepen. Je kan uren teruggaan, dagen, weken, maanden, kies maar. Apple geeft je daarbij een futuristische omgeving, je zweeft tussen de galaxieën. Leuk speelgoed, en het houdt je echt wel van je werk af. Een blog? Laat me liever mijmeren.

Stel nu eens dat de mens ook een time machine had, waarbij je al zijn voorgaande toestanden terug kon oproepen. Geen maanden maar duizenden, honderdduizenden jaren terug. Stel dat Apple zoiets in ons had ingebouwd en ons de mogelijkheid gaf om vliegend tussen galaxieën de evolutie terug te draaien, hoe zouden wij er dan – pakweg vijfhonderdduizend jaar gelden – uit hebben gezien? OK, we weten gedetailleerd hoe de schedel in elkaar stak en we hebben een vrij goed beeld van de rest van het skelet, er zijn immers genoeg fossielen gevonden. Maar hoe zou onze foto zijn geweest indien die toen genomen was door een fotograaf avant la lettre? Een sciencefictionvraag natuurlijk, maar in mijmereningen mag dat. Hoewel… eigenlijk hebben wij zo een tijdmachine, niet van Apple, maar van fossiel materiaal en van DNA, onze genen dus. Die databestanden kunnen veel vertellen over ons verleden, zoveel dat het haast een foto wordt, van vijfhonderdduizend jaar geleden. Laten we die even terughalen en inzoomen. Kijk, we zien een naakte, zwarte mens met lange armen en benen, en krulhaar. Hoe kom ik daarbij?

Tussen haakjes, in de blog ‘Vrouwen met borsthaar?’ sprak ik al over ons naakt zijn en bracht de mooie visie van neotenie naar voren, weliswaar met de bedenking dat geen enkele verklaring de volle waarheid in zich draagt. Een andere verklaring van onze naaktheid situeert zich in de afkoeling. Laten we daar eens over mijmeren.



De moderne antropologie, flink geholpen door het genenonderzoek, verfijnt steeds meer de reconstructie van onze evolutie. Zo weten we dat lang, lang geleden, toen de dieren konden spreken maar de mensen nog niet, er zich grote veranderingen voordeden in het klimaat van Afrika. Het werd droger en de regenwouden werden teruggedrongen. De savanne breidde uit. Voedsel en water waren niet meer in overvloed aanwezig in het woud, waar het overal voor het grijpen lag, maar verspreid over grote afstanden. Wie voldoende wilde eten en drinken moest ver lopen. En dat in tropisch Afrika, brandende zon alom. Er rees dus een nieuw probleem: afkoelen, niet oververhitten.

Vooral voor de hersenen was dit van groot belang, want ze zijn bijzonder gevoelig voor oververhitting – overigens één van de redenen waarom hoge koorts gevaarlijk kan zijn. Dat is nu precies de reden waarom onze verre voorouders hun vacht hebben afgegooid. Uiteraard niet op één dag, ’s morgens om negen uur na het ontbijt de jas aan de kapstok, maar in de loop van duizenden jaren, via een traag proces. Zoals de haargroei vandaag was de vacht in die tijd niet bij iedereen even dik, sommigen waren dichter behaard dan gemiddeld, anderen minder dicht. Natuurlijke selectie bevoordeelde die mensen – of laten we liever van mensachtigen, hominiden spreken – die een minder dichte vacht hadden; die konden zich beter afkoelen en dus langere afstanden lopen zonder over te koken. Die selectie dunde de vacht uit, stelselmatig, beetje bij beetje, vele jaren lang, tot het plukje haar dat ons nu nog rest, en een chimpansee doet schokken van het lachen. Noem je dat nog een vacht?

Het schitterende mechanisme: zweet

Waarom was die vacht eigenlijk een probleem? Zoveel dieren in warme streken hebben een dichte vacht, waarom zouden onze voorouders dan voordeel hebben gedaan met een blote huid? Het grote geheim zit in de zweetklieren. Er zijn drie soorten: de talgklieren, de apocriene en de eccriene zweetklieren. De eerste twee hebben een vette uitscheiding en zitten vast aan de haartjes, ze zijn dus talrijk in een vacht. De eccriene zweetklieren zijn vrij van de haren verspreid over de huid en geven de waterige uitscheiding die we als zweet kennen. Ze hebben het onvoorstelbare voordeel – veel meer dan die twee andere klieren – dat ze onze temperatuur sterk kunnen doen dalen: het zweet dat ze uitscheiden verdampt veel sneller dan het vettige zweet, en ontneemt warmte aan het lichaam. Dat schitterende mechanisme ontbreekt bij de vachtdragers. Zag u al eens een hond die last heeft van de warmte? Met de tong uit de bek hijgt hij zijn temperatuur omlaag omdat zijn klieren de efficiëntie van de onze ontberen. Dus, vacht aan de kapstok en vervangen door goed werkende zweetklieren. We weten zelfs ongeveer wanneer dit zich heeft voorgedaan en dan spreken we over 1,6 miljoen jaar geleden ten tijde van Homo erectus (die in Afrika door sommigen Homo ergaster wordt genoemd).

Als wij zonder vacht voor de spiegel gaan staan, zien we een wezen met een roosachtige huid. Maar toonde die foto uit onze tijdmachine geen zwarte mens? Juist, en dat is ook logisch. Het verdwijnen van onze vacht was goed voor de temperatuurregeling, maar solferde ons op met een nieuw probleem: de desastreuze invloed van de UV-stralen die de zon ononderbroken op ons afvuurt. Die stralen zijn bijzonder gevaarlijk voor het DNA in de huid en kunnen een wilde cellengroei in gang zetten, kanker zeg maar. Dat is dan weer de reden waarom u best niet gaat zonnebaden (ik weet het, ik ben geen leuke kerel). Dus, die UV-stralen moesten na onze ontharing door een andere barrière worden tegengehouden. Melanine was de naam, een donkere kleurstof die in de huid wordt aangemaakt. Ook bij het zonnebaden, zegt u? Juist ja, en dat is precies een signaal dat u gevaarlijk doet; de huid probeert zich te beschermen, als u daar zelf niet voor zorgt.

Homo erectus
moest voor de melaninebescherming niet in de zon gaan liggen, natuurlijke selectie voorzag hem van de nodige genen die een permanente zwarte kleuring van de huid realiseren. Terwijl de vacht beetje bij beetje werd weggewerkt door natuurlijke selectie, werd de huid stelselmatig donkerder. De genen zorgen al vanaf de geboorte voor een zwarte huid ter bescherming tegen de UV-stralen. Het zijn die genen die de rol van time machine spelen, die na de nodige analyses vertellen wanneer dit alles zich heeft voorgedaan. Maar we laten deze techniek buiten deze mijmering. Zonnebad of niet, de zwarte huid bleef permanent aanwezig. Vandaar een zwarte op de foto.

Eskimo's hebben kortere armen
Armen en benen werden langer. Dat heeft natuurlijk te maken met gemakkelijker en sneller kunnen lopen, maar ook met afkoelen. Hoe langer de ledematen zijn, hoe meer lichaamsoppervlak er is ten opzichte van lichaamsinhoud. Vergelijk dit met de formules die de oppervlakte of het volume van een bol berekenen. Ze nemen respectievelijk met het kwadraat en de derde macht toe; als een bol groter wordt, stijgt de inhoud meer dan de oppervlakte. Als armen en benen langwerpiger worden gemaakt, in plaats van kort en dik, ontstaat verhoudingsgewijs meer oppervlakte, dus meer zweetklieren. En dat zorgt voor een efficiëntere afkoeling. Mensen die vandaag in koude gebieden wonen, eskimo’s bijvoorbeeld, kennen een tegengestelde tendens: om minder warmte te verliezen hebben ze kortere armen en benen. Deze keer moeten we geen beroep doen op het genenarchief om zeker te zijn dat deze evolutie zich heeft voorgedaan: we zien dat aan het skelet van onze voorouders, er is genoeg fossiel materiaal uit die tijd gevonden om de lichaamsvormen nauwkeurig te reconstrueren.

Rest ons nog het krulhaar. Toegegeven, hier is de foto wat minder scherp (het gaat niet om een Apple, remember?). De kans is erg groot dat onze voorouders krulhaar hadden, maar harde bewijzen zoals fossielen zijn er niet. De redenering gaat als volgt. Onze ontharing was niet compleet. We behielden wat haar ter hoogte van de schaamstreek en de oksels – dat zou te maken hebben met de betere verspreiding van chemische signalen, maar dat nu terzijde – en vooral boven op het hoofd. We mochten van de natuurlijke selectie het stukje vacht op de schedel behouden. Niet als cadeautje omdat kaalheid de esthetische normen geweld aandoet, maar omdat het bijzonder nuttig was om de zonnestralen te weren. Vergeet niet dat onze nog-verdere-voorouders, de australopithecinen, al minstens vier miljoen jaar rechtop liepen, op twee benen, en dat het hoofd dus de volle laag van de zonnestralen kreeg. Juist daar waar die kwetsbare hersenen zitten. De ontharing was een goed idee om de temperatuur van het lichaam omlaag te krijgen, maar boven op het hoofd zou dat meer kwaad dan goed doen. Scalp behouden dus. De haardos is rijk aan de vettige klieren waarover we het in ’t begin hadden, maar vormt ook een isolatielaag tegen de hittestraling van de zon, een soort airbag, maar dan voor zonnestralen. Kroezelhaar is in dit opzicht efficiënter doordat de krulletjes meer lucht vasthouden. De evolutie geeft steeds de voorkeur aan het meest efficiënte systeem, dus mogen we verwachten dat die naakte, zwarte voorouders ook kroezelhaar hadden. Maar honderd procent zeker weten we het niet, eerlijk is eerlijk.



Mijn computer heeft niet alleen een time machine, hij maakt zich ook sympathiek met massa’s instellingen die je naar hartelust kan veranderen en aan je persoonlijke voorkeur kan aanpassen. Maar steeds – zo vriendelijk zijn de ontwerpers van de software – blijft de mogelijkheid om terug te keren naar de standaardinstellingen, de default in het computerjargon, de fabrieksinstellingen zeg maar. Mijn gemijmer brengt me op het idee om de mens ook eens terug te zetten in zijn standaardinstellingen en alle spielereien waarmee de evolutie zich geamuseerd heeft terug te zetten. Ik duw op de knop fabrieksinstellingen… en ziedaar, de foto van hierboven verschijnt. Default is black. Ja maar, is dat niet gewoon de zwarte medemens uit Afrika? Betekent deze foto dat de zwarte uit Soedan, Ethiopië of Ghana de standaardinstelling van de mens is? Juist. Dat is wel een probleem voor de racist die in de zwarte een degeneratie ziet en de blanke als superieur beschouwt. Het zal hem zwaar wegen te moeten vernemen dat hij in essentie, in de standaardinstelling een zwarte is. Latere evolutie heeft hem bijgekleurd, maar dat is een ander verhaal. Wat kan darwinisme vervelend zijn voor sommigen mensen.

Maar genoeg gemijmerd. Laten we nu maar eens aan een blog beginnen. Bijvoorbeeld, waarom zijn wij blank en hebben wij geen kroezelhaar? Eens over nadenken.

 

www.ch-darwin.eu 

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Fooien en paardenstaarten

01 April 2010, 12:02

Terrasjes dienen om naar mensen te kijken, te begluren en te wikken en te wegen. Vooral vrouwen komen in het vizier. Ik doe daar niet aan mee, nooit… tenzij enkel met zuiver wetenschappelijke doelstellingen. Zuiver!

Een Spaans terrasje. Mijn dikke buurman ledigde zijn pint, wreef over zijn pens en vroeg de kelner wat zijn schuld was. "Dos euros" glimlachte de jonge kerel - waarschijnlijk een bijklussende student - en de pens legde wiskundig correct een stuk van twee op tafel. Toen hij opstond en aanstalten maakte om het pand te verlaten, zag hij hoe de kelner zijn schort uitdeed en overhandigde aan zijn opvolger. Opvolgster, want de dienst werd nu verzekerd door een blonde spring-in-‘t-veld die wellicht nog geen zeventien kaarsjes had uitgeblazen. Paardenstaart, decolleté en kort rokje, het was warm. De ogen van de pens hadden haar in een bliksemschicht van onder tot boven gescand. De man zeeg terug neer, wenkte de paardenstaart en bestelde nog een cerveza. Nadat het biertje even later voor zijn neus verscheen, stond hij erop om meteen af te rekenen en hoewel hij zeker nog wist wat zijn schuld was, vroeg hij het lieve kind naar de gekende informatie, kwestie van in haar ogen te kunnen kijken. Na de obligate "dos euros" schoof hij met een gul gebaar drie euro in haar richting, knipoogje bovenop. Het rokje nam de buit in ontvangst met een glimlach getekend door de goden tijdens hun meest creatieve ingeving. Toen ze naar de volgende klant huppelde, scanden zijn ogen nog de onderkant van haar rug.

Mijn vrouw had het hele tafereel mee gevolgd en mompelde dat dit niet eerlijk was. De jongen krijgt niets, het meisje een fooi van vijftig procent. “Nee” zei ik, “eerlijk niet, maar wel volgens de darwinistische regels”. “Nu gaat ge me toch niet uitleggen dat Darwin ook al over fooien heeft geschreven, hé?” wierp ze me toe en ik zag in haar ogen dat haar liefde voor mij een tiende van een graad daalde. “OK, dan niet” zei ik. “Toch wel, laat maar horen, vooruit!” Zo zijn vrouwen nu eenmaal.

Baby’s in onze samenleving krijgen alle zorgen die nodig zijn om in leven te blijven, op te groeien en later voor nieuwe baby’s te zorgen. Als ze ziek zijn, staan er meer dan voldoende medische instellingen klaar om hen te helpen. Zelfs als ze die niet kunnen betalen. Ik zei wel in onze samenleving. Moeders kunnen er dus vrij zeker van zijn dat hun baby'tje in leven zal blijven, ook als zij daar zelf niet helemaal alleen voor kunnen zorgen. Het kind zal zeker ook onderwijs krijgen, daar zorgen scholen voor, en beschermd worden tegen schurken, daar zorgen politie en justitie voor. Grote uitzonderingen daargelaten. Maar, als we de klok honderdduizend jaar terugdraaien, bestond die vanzelfsprekendheid helemaal niet. Moeders moesten hun uiterste best doen om hun pasgeboren en opgroeiend kind te voeden, te onderwijzen, te beschermen. Er was verre van enige zekerheid dat het kind bleef leven. Bacteriën en ander ziektekiemen waren een groot gevaar. Er waren geen winkels om de hoek waar je te allen tijde terecht kon voor voedsel, zeker geen nachtwinkels. Het kind kon niet zomaar alleen achtergelaten worden om even een uitstapje te maken, want roofdieren of kinderrovers konden op de loer liggen.

“Dus moest die moeder een fooi krijgen?” schamperde mijn vrouw. “Wacht” suste ik.

De overlevingskansen van een kind namen aanzienlijk toe wanneer de moeder hulp kreeg. Vergeet niet dat mensen door hun grote hersenen vroeg geboren worden en dus langer hulpeloos blijven in vergelijking met andere diersoorten. Elke hulp is dan welkom. Die kon van de grootmoeder komen, of een tante, of de vader van het kind. Dat laatste was een goede oplossing omdat een man er – zuiver biologisch gesproken – ook baat bij had om zijn kind in leven te houden, het draagt immers zijn genen. Daardoor kon een moeder enige zekerheid hebben dat de vader van het kind ook zijn best zou doen en een steentje zou bijdragen bij de opvoeding van het kind. Een goede vader vergrootte de voortplantingskansen van de moeder. En dan komt het. Hoe meer die vader te bieden had, hoe meer kansen voor het kind om voldoende te eten te krijgen, voldoende zorgen, onderwijs en noem maar op. De vader moest dus rijk genoeg zijn. Biologen noemen dat ‘beschikken over voldoende hulpbronnen’. Maar papa moest liefst ook enig aanzien hebben in de groep zodat anderen sneller te hulp zouden schieten indien dat nodig zou zijn. Men luistert eerder naar iemand met prestige dan naar jan-met-de-pet. En tenslotte, hoe meer kennis de vader had, hoe meer hij zijn kind kon onderwijzen en dus zijn kansen verzekeren voor de toekomst.

“Wanneer komt die fooi nu?”. “Drink je koffie op”.

Ook al hadden vrouwen honderdduizend jaar geleden – of zelfs nog veel langer – nog geen kennis van deze theoretische achtergrond, ze hielden ermee rekening, zonder het te weten. Op de dag dat ze tussen alle potentiële papa’s in de gemeenschap de juiste eruit wilden pikken, hielden ze die kenmerken van een goede vader in het achterhoofd. Ze gaven de voorkeur aan een man die over voldoende hulpbronnen beschikte, aanzien had in de groep enzovoort. Er was wel een probleempje: een dame kon niet altijd zomaar zien welke heer rijk genoeg was om in te kunnen staan voor de baby die stilaan vorm kreeg in haar dromen, nog niet in haar buik. Er stond geen banksaldo op het voorhoofd van de man gedrukt. Dus maakten onze overovergrootmoeders gebruik van een trucje.

“De fooi!”. “Juist”

Ze deed beroep op de reputatie van de mannen. De kerels die gul waren in de gemeenschap, hadden een reputatie over voldoende hulpbronnen te beschikken. Wie zo nu en dan een stukje van zijn jachtbuit uitdeelde, was een goed jager en had voldoende middelen. Het uitdelen van eten of andere dingen, wees erop dat hij meer dan genoeg had, dus rijk was. Potentiële papa’s die dat deden werden eerder gekozen door de dromende mama’s en konden dus effectief papa’s worden. Natuurlijk kon hij zijn vrijgevigheid zowel tonen aan mannen als aan vrouwen om een rijke reputatie uit te  bouwen, maar het had meer succes indien de vrouwen zelf het doelwit waren. Gulheid van een man verhoogde de kans op het doorgeven van zijn genen.

Een zeer meewarige blik staarde me aan. “Dus die dikke bierdrinker wil met één euro een kindje maken bij dat meisje?” Helemaal niet, maar het mechanisme dat over zulke lange tijden een steentje bijdroeg in het voortplantingssucces van onze overovergrootvaders, zit nu nog steeds in ons gedragsrepertoire. Het is een soort programmaatje in het mannenbrein dat actief blijft. Het begint voortdurend te lopen, ook wanneer het helemaal geen nut heeft. Dat programma zegt aan de man: als je een vrouw ziet waarvan jouw partnerkeuzeprogramma je vertelt dat het een potentiële mama is, bouw dan aan je reputatie door gul te zijn, meteen. Et voilà, de fooi gaat naar de dienster.

Mijn vrouw was me te snel af en vroeg om de rekening. “Dos cafés? Tres euros” en ze legde drie euro op tafel. Toen het meisje deze zonder glimlach wegstak, fluisterde mijn vrouw haar nog toe: “Geen hulpbronnen, sorry”. “Qué?”

www.ch-darwin.eu

 

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Paradise by the dashboard light

08 Maart 2010, 12:17
Soms zit Darwin in je dashboard.

De nacht was al begonnen toen ik na een lezing over het menselijk gedrag huiswaarts keerde. De regen streelde de voorruit van mijn auto. Uit de radio – de enige metgezel op dit late uur – kondigde een stem het paradijs aan, by the dashboard light. Nostalgie overviel me. Was dat niet die topper uit de jaren zeventig? Die lelijke vent met dat mooie meisje? Barely seventeen and barely dressed. Voor zover dat in een auto kan, zette ik me in een relax-houding en liet de klanken van de vroege jaren over me heen stromen. Weg met de regen.

 

De snijdende stem van Meat Loaf hijgde rond mijn oren. Though it's cold and lonley in the deep dark night, I can see paradise by the dashboard light. Buiten dat paradijs kon het best over mijn auto gaan, maar dat idee vervloog al snel wanneer zijn hitsige geilheid prompt werd onderbroken door de indringende woorden van Ellen Foley: I gotta know right now! Before we go any further--! Do you love me? Will you love me forever? Do you need me? Daar had de arme stakker niet op gerekend! Love me forever? Hij was nog maar barely seventeen en wilde to make her motor run. Ik kon me hun ineengestrengelde lichamen op de voorbank voorstellen, rooie koppen, kleding her en der, bronstig gehijg… en dan plots de roep om een eeuwige gelofte, forever. De kerel moet zijn erectie op hold zetten en ik zie zijn verdwaasde blik vuren in haar vragende ogen. Moet dat nu?


Let me sleep on it. Baby, baby let me sleep on it. Let me sleep on it. And I'll give you my answer in the morning.
Een luid toeterende truck stuurde me terug naar mijn baanvak. Het is niet goed het ritme van de radio naar je stuurwiel te vertalen. Maar wat deed die truck zo laat nog op de baan? Anyhow, Ellen Foley was niet akkoord en wilde zijn eeuwigdurende commitment right now horen, vooraleer zijn zaad bij haar misschien onomkeerbare dingen zou doen. Hun beider smeekbeden van will you love me forever tot I’ll give you an answer in the morning gingen gedurende enkele kilometers heen en weer. Tot zijn onblusbare drift het pleit won, zijn erectie couldn't take it any longer, en hij toegaf: I swore that I would love you to the end of time! Arme kerel, want nu is hij praying for the end of time, so I can end my time with you!



Geen wonder dat ik me gedurende deze minutenlange hit uit de gouden jaren moeilijk op mijn rijkunst kon concentreren, want dit was niet enkel een nostalgisch geschenk van de radio, het was een perfecte illustratie van wat ik vanavond probeerde duidelijk te maken in mijn lezing – ziedaar de reden waarom ik dit relaas doe. Het duet van Meat Loaf en Folley is de samenvatting van de verschillende voortplantingsstrategieën die de evolutie bij man en vrouw heeft uitgetekend. Onze overovergrootvaders en -moeders hebben er niet op dezelfde manier voor gezorgd dat wij hun afstammelingen zijn geworden. Voor velen onder u misschien een koude douche, maar daar maalt de evolutie niet om. Het zit hem allemaal in de grootte en de aantallen van de geslachtscellen. Kijk.

 

Mannen maken continu massa’s zaadcellen aan. Bij een ejaculatie worden er honderden miljoenen spermatozoa aangevoerd. Onmiddellijk wordt een nieuwe lading aangemaakt. En dat jaren lang, zelfs tot nadat de man te oud is geworden om zijn zaad nog op de juiste plaats te deponeren.  Bij vrouwen zit dat heel anders. Zij maken ongeveer één eicel per maand. Punt. En dat tot aan hun menopauze. In een heel vrouwenleven gaat het dus maar om enkele honderden cellen. Dit verschil is te vergelijken met de lotto. Mannen hebben spotgoedkope lotjes, vrouwen ultradure. Stel dat een man een vrouw bevrucht waarvan de kinderen niet levensvatbaar zullen zijn, of zwak of ziek. Wat is hij kwijt? Wat zaadcellen, waarvan de voorraad meteen terug wordt aangevuld, en de moeite. Om geen van beide maalt hij, in theorie kan hij zonder enig verlies opnieuw zijn kans wagen. De vrouw daarentegen is gedurende jaren uitgesloten van voortplanting wanneer ze bevrucht wordt door zaad met genen die kansloze kinderen opleveren: ze is negen maanden zwanger en moet het kind gedurende enkele jaren zogen – denk eraan dat dit proces geëvolueerd is bij onze verre voorouders die nog geen flessenmelk kenden. Al die tijd is ze onvruchtbaar en daalt haar kans om onze voorouder te worden. Met andere woorden, haar eicel is bijzonder duur. Gedurende het hele evolutieproces van de mens hebben vrouwen getracht hun eicel duur te verkopen. Vrij vertaald: ze waren zeer kieskeurig, ze wilden eerst de kwaliteit van het zaad inschatten, heeft het goede of slechte genen? Dat kon voor een deel worden afgelezen van de kwaliteiten van de man. Is hij gezond? Mooi? Sterk? Slim? Dan is de kans groot dat de kinderen dat ook zullen zijn. Ziedaar de reden waarom vrouwen – en dit geldt onverminderd ook voor andere diersoorten – niet geneigd zijn om snel tot seks over te gaan. De baltsperiode bij veel diersoorten duurt zeer lang om het wijfje de kans te geven de kwaliteiten van het mannetje in te schatten.

 

Maar er is meer. Wij zijn een diersoort waarvan de jongen – kinderen noemen we ze – zeer vroeg geboren worden. Dat heeft dan weer iets te maken met onze grote hersenen en dus groot hoofd. Om de bevalling niet al te moeilijk te maken, worden wij vroeger geboren dan bij menig ander zoogdier. En daardoor hebben wij als baby meer zorg nodig, we zijn kwetsbaarder. Elke hulp die de moeder daarvoor kan krijgen, zoals van een partner, is welkom en vergroot de overlevingskansen van het kind. Bovendien is deze hulp ook gewenst bij de verdere groei van het kind: het moet niet alleen beschermd worden, maar ook gevoed, onderwezen en noem maar op. Honderdduizend jaar geleden waren er geen politiediensten of ziekenhuizen of scholen. Om al die redenen wilden onze overovergrootmoeders hun dure eicel pas ter beschikking stellen nadat ze enige zekerheid hadden dat ze hulp zouden krijgen van hun partner, forever! Die forever duurde wellicht maar enkele jaren tot het kind voldoende levensvatbaar was, maar het ging dus zeker niet om een kortstondig avontuurtje. Tussen haakjes, die avontuurtjes hebben onze overgrootmoeders heus ook wel gekend, en daar voordeel uit gehaald, maar dat is een ander verhaal, niet voor nu.

 

Onze overovergrootvaders hadden natuurlijk ook baat bij een langdurende relatie met de moeder, waardoor de overleving en opvoeding van hun kinderen kon gegarandeerd worden, maar als een man zo nu en dan zijn zaad kwijt kon buiten zijn forever-relatie, dan was dat goed meegenomen. De dame die hij zwanger had gemaakt, verhoogde zijn kans om onze overovergrootvader te worden zonder dat hij energie en tijd aan het kind moest spenderen. Zijn let me sleep on it houding is niet meer noch minder dan het resultaat van een overvloed aan zaadcellen. Haar will you love me forever is ingegeven door haar dure eicel en het feit dat ze het kind gedurende lange tijd moet dragen en zogen.



Velen onder ons vinden deze koude darwinstische analyse niet leuk. Maar het evolutionaire proces heeft op de mens geen uitzondering gemaakt. Het verhaal van de dashboard light geldt voor de meeste diersoorten, waarom zou dit tijdens de evolutie van de mens plots anders kunnen zijn gelopen? Onze zaad- en eicellen verschillen in geen enkel opzicht van deze van andere zoogdieren. Ook de basis van ons voortplantingsgedrag niet, ook al zijn er natuurlijk flink wat elementen bijgekomen via onze cultuur: huwelijkscontracten, hartjes, liefdesbrieven… Maar ook dat is een ander verhaal.

 

Het was gestopt met regenen. Meat Loaf en Folley waren al lang naar huis, en ik was thuis. Zouden al die andere chauffeurs of late luisteraars de darwinstische ondergrond van dit paradise hebben gesmaakt? Zouden ze weten dat dit liedje al van voor de ijstijden dateert? Misschien eens een blog over schrijven. Ik draaide mijn dashboard light uit.

 

www.ch-darwin.eu

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Te veel meisjes op straat

15 Februari 2010, 19:38

Vindt u deze titel een overdreven statement? Zijn er te veel meisjes op straat? Of u nu ja of nee antwoordt, u hebt gelijk. Alle meisjes hebben het recht – net als jongens – rond te lopen op straat, maar ik heb het over iets anders. We zien meer vrouwen in onze omgeving dan er werkelijk zijn, en dat zou ook geen probleem zijn, ware het niet dat ze doorgaans te mooi zijn om waar te zijn. En nu beweer ik natuurlijk niet dat we met zijn allen spoken zien of een gezichtsverbijstering ervaren. Onze straten, net als kranten, tijdschriften en andere media, worden opgefleurd met reclames die gebruik maken van het vrouwelijk schoon. We moeten nooit ver zoeken om wat fraaie esthetica te kunnen aanschouwen. En is dat dan een probleem? Doet iemand daar moeilijk over? Weerom ja en nee. Als we mogen kiezen zullen we ons doorgaans niet verzetten tegen een toename van de gratie van onze omgeving, maar zonder dat we het bewust beseffen is er onderhuids wel degelijk een probleem. Soms kan dat probleem nogal groot zijn. Kijk.



Misschien kunnen we het niet meteen geloven, maar het zien van al dat vrouwelijk schoon rondom ons geeft geen al te best gevoel. Vrouwen voelen er zich een beetje minder gelukkig door, maar – en dat verwachtte u niet – ook mannen worden er negatief door beïnvloed. Eerst de vrouwen. Hun seksegenoten op de reclameborden zijn mooi, anders kwamen ze er niet op. Ze zijn zelfs mooier dan de werkelijkheid toelaat. De fotograaf heeft ze met de nodige hulpmiddeltjes van computer en andere technieken meer raffinement verleend dan ze al hadden. De modellen waren geselecteerd op hun jeugd, schoonheid, elegantie, sexy look… maar de software (deze van de computer, niet van de dame) zorgde voor een supernormale overdrijving van al die leuke vrouwelijk eigenschappen. Claudia Schiffer herkent zichzelf niet meer. Dat maakt dat de echte vrouwen, van vlees en bloed, in concurrentie moeten treden met ongrijpbare rivalen. Ze kunnen nooit die exuberante kwaliteiten evenaren. Make up en kleding kunnen niet op tegen de software die de virtuele concurrenten bovennatuurlijk maakt. Geen enkele vrouw zal dit toegeven, maar de concurrentie heeft onderhuids een effect en duwt elke vrouw wat omlaag. Geen ideale basis voor een goed gevoel.

De verklaring hiervoor moeten we zoeken in het feit dat wij gedurende honderdduizenden jaren in veel kleinere gemeenschappen dan vandaag leefden. Onze voorouders hadden samenlevingen van enkele tientallen groepsgenoten, de helft van het andere geslacht. Vrouwen hadden dus relatief weinig concurrenten om de gunst van de mannen te winnen. Stel dat de groep uit 150 mensen bestond en er dus 75 vrouwen rondliepen; trek daar de kinderen en oudere vrouwen af en je houdt wellicht 40 potentiële concurrenten over. Daarvan is misschien de helft lelijker dan de vrouw die haar kansen afweegt en ze ziet dus hooguit 20 tegenstanders in de strijd om een man. Daar kan je aan werken, soms win je, soms verlies je. Vandaag lopen er duizenden concurrenten rond, waarvan enkele dus onbereikbaar mooi zijn en nooit ofte nooit kunnen overtroefd worden. Vrouwen voelen zich daardoor lelijk, overbodig, een loser… zij het gelukkig in een zwakke vorm, maar sterk genoeg om een minder positief gevoel te geven. Bij sommige meisje is het niet zo een onschuldig zwakke vorm, maar neemt het grote proporties aan die kunnen leiden tot een minderwaardigheidsgevoel of tot anorexia.

Dan komen we bij de mannen. Zij hebben toch geen probleem met al dat vrouwelijk schoon? Dat dacht je. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat mannen negatief reageren op al die onrealistische beelden van het andere geslacht. Mannen die supermooie of supersexy vrouwen te zien kregen in tijdschriften, bleken een verlaagd zelfbeeld te hebben. Je zou verwachten dat zich hier hetzelfde voordeed als bij de vrouwen: de reclame toont niet alleen overdreven mooie vrouwen, maar ook knappe mannen en dat zou het concurrentiegevoel bij de man kunnen ontwrichten. Maar niets daarvan, mannen blijken niet beïnvloed te worden door de mannelijke reclamemodellen. Wel door de onbereikbaarheid van de dames. In de partnerkeuze is vooral de vrouw actief. Zij maakt duidelijk welke man aanstalten mag maken om haar het hof te maken en later de indruk te hebben dat hij haar veroverd heeft. Mooie vrouwen kiezen mannen die veel te bieden hebben qua voorkomen, status, welstand, noem maar op. Supermooie vrouwen zullen dus superstraffe mannen kiezen. En we zijn er: geen man rekent zich tot deze groep en durft geen competitie aan met superstraffe kerels, ook al ziet hij ze niet. Resultaat: daling van het zelfbeeld en van de eigenwaarde.

Deze visie kon experimenteel worden aangetoond. Indien de supernormale vrouw in de reclame vergezeld was door een gewone kerel, dan steeg het zelfvertrouwen van de toeschouwende, mannelijke proefpersoon. “Als hij een kans maakt, dan ik ook”.

De evolutie van ons gedrag is een goede en interessante basis om ons huidige doen en laten beter te begrijpen. We doen dingen die vandaag niet relevant zijn maar het ooit wel waren, in ons verre verleden. Het is goed dat voor ogen te houden. En misschien kan het wel eens toegepast worden: als de reclamejongens een foto van Claudia Schiffer na de nodige retouches gebruiken om hun product aan de man te brengen, laat ze er dan een foto – zeg maar de  mijne – aan toevoegen, zonder retouches.

www.ch-darwin.eu

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Vrijspraak voor idolen

29 December 2009, 14:59

Roman Polanski wordt beschuldigd van verkrachting van een 13-jarig meisje in 1977. De Amerikaanse justitie blijft hem hiervoor vervolgen. De pers trekt een andere kaart en maakt melding van het feit dat hij toch zulke goede films heeft gemaakt en dat het al zo lang geleden is. Laat die man toch gaan! Maar… als het nu eens om Nomanski ging, een klein meneerke, zonder bekendheid? Zou men de zaak dan ook de door de vingers zien? Verkrachting is verkrachting, zou men schrijven, dus moet de man voor de rechter komen.

Twee bekende tennisspelers, Yanina Wickmayer en Xavier Malisse, hebben hun tennislaars gelapt aan de afspraak om hun verblijfsgegevens door te geven, de fameuze “whereabouts”. Malisse heeft zelfs nog een dopingcontrole aan zich laten voorbij gaan. Ze werden hiervoor veroordeeld tot een jaar schorsing. Groot kabaal in de kranten! Hoe durft men die sportmensen veroordelen! En als het nu een Jeanneke en Janneke van om de hoek waren die uit de bocht gingen? Zou men dan ook zeggen dat ze maar hun gang mogen gaan, dat regels niet zo nauw moeten genomen worden?

Witsel en Wasilewski

De Standardspeler Axel Witsel breekt tijdens een wedstrijd het been van Marcin Wasilewski, die daardoor voor zeer lange tijd buiten spel is, als hij al ooit nog fatsoenlijk zal kunnen lopen. Als straf kreeg hij een schorsing van tien dagen en een boete. “Het is tenslotte een grote kracht voor koning voetbal, die kan je niet zomaar buiten zetten” lees je tussen de regels in de krant. En als die overtreding nu eens begaan was door Jan met de Voetbalpet van de ploeg Klein Dorpje? Zou hij ook zowat ongestraft blijven?

Een ander verhaal lezen we over Luc Vansteenkiste, CEO van Recticel en gewezen voorzitter van het VBO, dus een van de grootste entrepreneurs van dit land. Hij werd aangehouden in de zaak rond handel met voorkennis in aandelen van Fortis en belandde in de gevangenis tussen de boeven. Nergens las ik dat dit schandalig was, dat het enkel gaat om het mogelijk doorgeven van wat informatie en dat men een captain of industry toch niet zomaar in een cel kan gooien. Integendeel, in menig commentaar kon je zelfs een toontje proeven van “ze hebben eens een grote jongen gepakt, héhéhé!” Een schril contrast met de drie vorige gevallen van vergevensgezindheid.

Wat heeft dit met de bril van Darwin te maken? Veel. Het is niet echt toevallig dat de film- en sportmensen uit bovenstaande voorbeelden snel worden vrijgesproken door de goegemeente, en dat de rijke zakenman moet hangen. Dit alles heeft te maken met onze honderdduizenden jaren oude relatie met dominante groepsgenoten. Dat zit zo.

Het dominantiegedrag van de mens is voor een aanzienlijk deel evolutionair bepaald, het komt over de hele wereld bij alle culturen voor. Wij rangschikken elkaar in functie van dominantie. Die en die staan boven mij, die en die onder mij. De basis van deze dominantie kan zowat alles zijn: lichaamsgrootte, geld, schoonheid, intelligentie, kennis, politieke functie of culturele prestaties, allemaal zaken waarin anderen beter of slechter zijn dan ik. In de gemeenschappen van onze voorouders moet dit een sterke ordenende kracht zijn geweest (zoals bij andere diersoorten overigens). Zij of hij die meer wijsheid en kennis en ervaring kon voorleggen, kon ook veel bijdragen aan de groep. Iedereen kon van haar of zijn vaardigheden profiteren. Ruzies werden wellicht het gemakkelijkst bijgelegd door toedoen van de meest dominante figuur. Deze was dus een geboren leider en kreeg macht. De leider was door iedereen gekend, tot in het dagdagelijkse doen en laten.

StamhoofdVandaag is onze samenleving veel te complex en kan zo een eenvoudig systeem niet meer werken. Wij leven niet meer in groepen van enkele tientallen mensen, bovendien zijn er veel meer vormen van dominantie naast elkaar: een hoge status in kennis en intelligentie loopt niet samen met een dominante status in politiek, of sport, of kunst… Maar het principe ‘wie dominant is, is gekend’ bleef in ons brein zitten. En – nu komt het – datzelfde brein draait het principe zonder meer om: wie gekend is, is dominant. Mensen die niet veel betekenen voor de samenleving maar bekendheid krijgen via de media (omwille van een mooi gezichtje, van voldoende ploeteren in de modderen tijdens het veldrijden, van een misdaad…) krijgen een status. Dat klinkt erg gek, maar bij onze voorouders was dit logisch. Wie van gemeenschap veranderde – en de evolutiebiologie is er zeker van dat dit geregeld gebeurde – wist in de nieuwe groep meteen wie de meest dominante status had, namelijk diegene die het best gekend was, waarover het meest gesproken werd enzovoort. In onze samenleving heeft dit geen zin. Een veldrijder mag dan veel op tv verschijnen, een leider is hij niet.

Nu, een ander fenomeen uit onze oeroude psychologie is dat dominante mensen als voorbeeld worden genomen, voor wat dan ook. Welke aftershave gebruikt Nicolas Cage? Ik ook dan. Bono van U2 vraagt geld te storten voor Afrika? Doe ik. Weerom, bij onze voorouders was dit een goede zaak. Dominante mensen hadden het gemaakt, zij hadden hun status te danken aan het feit dat ze de juiste dingen deden. Dus, om ook meer kansen te hebben in de groep, was het aangewezen om die dominante groepsgenoten na te doen. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Polanski, Wickmayer, Malisse en andere Witsels kregen een dominante status, zowel door hun verdiensten – ze brengen ons brood en spelen – als door hun verschijning in de media. We aanbidden ze en nemen hen dus als voorbeeld. Wat eten zij? Waar gaan ze op vakantie? Wat de leider doet is goed, of kan toch niet echt verkeerd zijn en dus verdient hij onze vergevensgezindheid. En de captain of industry dan? Waarom zijn we voor hem hardvochtiger, ook al heeft hij niemand verkracht en geen benen gebroken? Omdat we ons niet met hem hebben geamuseerd. Hij heeft alleen maar de economie doen draaien, mensen werk gegeven, maar gaf geen entertainment. Hij is rijk en verwierf zijn dominantie op een onzichtbare manier. Van hem zagen we geen film of match. We kunnen dus niet zien hoe hij is rijk geworden, en dat leidt tot afgunst. Met het geld van Witsel hebben we geen probleem: we zien hoe hij tegen een bal kan stampen (jaja, ook tegen een bal) en dat kunnen wij niet, dus verdient hij zijn geld. Vansteenkiste is rijk, zonder meer, en dat veroorzaakt jaloersheid. Waarom hij  wel en ik niet? Dus vinden we het stiekem wel leuk dat een zakenman van zijn voetstuk valt. Leedvermaak in plaats van bewondering. Volledig ten onrechte, inderdaad, maar ons oeroude brein kan de moderne samenleving nog niet goed volgen.

www.ch-darwin.eu

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Vrouwen met borsthaar?

26 November 2009, 12:18
Een man scheert zijn borst. Een vrouw epileert haar bovenlip. Alle haartjes moeten weg. Okselhaar? Weg ermee! Buikhaar? Weg ermee! Wat hebben wij toch met ons haar? Waarom moet het weg, behalve op ons hoofd?

Gisteren zetelde ik in een panel dat de film Human nature in een darwinistisch perspectief moest plaatsen. Een van de filmrollen was een vrouw met een vacht. In het debat was er één vraag die tegen mijn verwachting in niet aan bod kwam: waarom zijn wij naakt en waarom willen we al die haren weg? Blijkbaar is dit zo vanzelfsprekend dat niemand zich de vraag stelt. Een bioloog stelt zich zulke vragen wel, hoe logisch ook, en dus besloot ik er maar iets over te schrijven. Tijdens de receptie achteraf tikte iemand op mijn schouder: “Pardon, euh, maar waarom zijn wij naakt en waarom willen we al die haren weg? Sorry, ik durfde het niet te vragen in de zaal…” Dus toch iemand! “Lees morgen mijn blog voor Eos maar", antwoordde ik beleefd want ik wilde mijn praatclubje niet in de steek laten.

Wij zijn de enige zoogdieren die geen vacht hebben zonder dat we onder de grond leven of een andere voor de hand liggende oorzaak kunnen aanwijzen. Het is een evolutionair probleem waarover veel wetenschappers het hoofd hebben gebogen en verklaringen naar voor geschoven, waarvan de ene interessanter is dan de andere. Het is een kwestie van afkoeling, van een waterleven ergens in ons verleden, van een hogere snelheid tijdens het lopen, van een bescherming tegen parasieten die in de vacht kunnen huizen… noem maar op. Allemaal dingen waar wat in zit, maar die evenzeer bezwaren kunnen oproepen, zeker wanneer ze als enige verklaring gelden. Wellicht is er niet één enkele oorzaak van onze naaktheid, maar een combinatie van factoren. Zo gaat dat meestal in de biologie. En toch is er een hypothese die – althans volgens mij – met kop en schouders boven de andere uitsteekt, en die wel eens de belangrijkste verklaring zou kunnen zijn. Ik geef ze u mee.



Om meteen met de deur in huis te vallen: het draait om neotenie. Dit is een fenomeen in de levende wereld waarbij jeugdige kenmerken behouden blijven in het volwassen stadium. Een hond is speels, doordat hij altijd het spel uit zijn puppyjaren behoudt. Sommige dieren worden geslachtsrijp terwijl ze eigenlijk nog in een larvaal stadium zitten. Ook wij hebben onze neotenie en die is van grote invloed geweest op onze evolutie. Zo delen wij heel ons leven lang een belangrijk kenmerk met jonge mensapen zoals de chimpansee: leergierigheid. Een jonge chimp is veel meer geneigd om nieuwe dingen te leren dan de oudere soortgenoten. Ergens in onze evolutie hebben wij dat jeugdige kenmerk zonder meer vastgehouden. Het is wellicht een van de belangrijkste krachten geweest die de ontwikkeling van onze cultuur heeft mogelijk gemaakt. Die leergierigheid zette een honderdduizenden jaren lange stroomversnelling van techniek en wetenschap in gang.

Welnu, die neotenie uit zich in nog andere dingen. Naaktheid bijvoorbeeld. Jonge chimps zijn kaler dan de volwassen dieren. De toenemende intelligentie van daarnet kunnen we in zekere zin terugvinden in de fossielen onder de vorm van een toenemende complexiteit van de gemaakte werktuigen. Maar de vacht fossiliseert helemaal niet – tenzij in de allerlaatste periode van onze voorgeschiedenis. Dus weten we niet vanaf wanneer onze voorouders in hun blootje begonnen te lopen. Dat is ook niet belangrijk, we moeten alleen weten dat het ooit is gebeurd.

De verworven naaktheid kan nog meer versterkt zijn door het proces van seksuele selectie, althans bij vrouwen. Dat betekent dat mannen een voorkeur gaven aan vrouwen met minder lichaamsbeharing en dat dit een evolutionaire duw heeft gegeven aan het haarverlies. Immers, minder haar is een signaal voor jeugd. Hoe jeugdiger een vrouw, hoe meer jaren er nog resten voor de menopauze om zich voort te planten – zie de blogpost ‘Waarom jonge hoertjes?’. Dus vrouwen met minder haar kregen meer voortplantingskansen en hebben de genetische basis van hun naaktheid meer kunnen doorgeven naar de volgende generaties. Bij mannen kon dit mechanisme niet werken vermits vrouwen geen voorkeur gaven aan jongere mannen, eerder aan partners met enige ervaring en een hogere stand binnen de gemeenschap. Bij mannen werd de ontharing dus niet evolutionair beloond, en hebben ze vandaag nog altijd wat meer vacht dan vrouwen.

De toenemende naaktheid deed zich niet voor op het hoofd. Dat is te begrijpen als we even naar de zon kijken. Doordat onze voorouders rechtop zijn gaan lopen, moest de schedel de meeste zonnestralen opvangen. Een goede haardos biedt hier bescherming. En de baard? Een uitstekend middel om van ver duidelijk te maken dat je een man bent en testosteron hebt. Minder testosteron betekent minder kans om op te klimmen in de rangorde van de groep en dus minder geschikt zijn als partner, en ook minder baard. Overdreven veel testosteron is ook niet goed. Het kan bijvoorbeeld uitmonden in een slechte vaderzorg. Mannen met te veel haar vallen niet snel in de smaak van vrouwen.

Dat vrouwen hun weinige haar weg willen hebben, is dus goed te begrijpen: ze accentueren hun aantrekkelijkheid. Maar dat nu ook steeds meer mannen het scheermesje vinden om over borst en buik te slingeren, is minder voor de hand liggend. De verklaring hiervoor kunnen we enkel in de culturele invloed zoeken. Immers, zuiver biologisch is er geen reden voor mannen om zich te ontharen, maar het is vooral duidelijk een modeverschijnsel. Als mannen vandaag hun borst willen ontharen, staan ze in sterk contrast met hun seksegenoten van een of twee generaties geleden: voor hen was het mannelijk en stoer en dus gewenst om voldoende borstbegroeiing te hebben.



Kan de cultuur zo een drastische gedragsverandering aanpraten? Dat kan, en de reclame is de hoofdschuldige. De reclamejongens (en -meisjes?) hebben ons lange tijd ingepompt dat schoonheid en jeugd synoniemen zijn. Biologisch beschouwd klopt dit voor vrouwen, voor mannen niet, dat zagen we hierboven. Maar als je dit voldoende blijft herhalen en je toont ononderbroken supranormaal mooie vrouwen die tegen gladgeschoren kerels kleven, dan krijgen deze gladde jongens eerder het etiket ‘succesvol’ dan ‘melkmuil’ opgekleefd. Scheergerief en -schuim vliegen de deur uit. Zo maakt de cultuur een modeverschijnsel dat met absolute zekerheid ook weer zal verdwijnen. De kleinzonen van de gladde borsten zullen hartelijk moeten lachen met hun gekke opa’s, maar de kleindochters zullen het epileerwerk graag van oma willen leren.

Gladgeschoren dames zijn biologie, dito heren zijn cultuur.

www.ch-darwin.eu

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

En ze leefden nog ‘lang’ en gelukkig…

23 September 2009, 13:51

Enkele dagen geleden werd ik uit mijn bed gebeld door de radio. Ze wilden een kort interview over een recent Amerikaans onderzoek om uit te leggen of de resultaten hiervan wel steek houden. Grotere mensen zouden een gelukkiger leven leiden. Klopt dat? In drie minuten moet je daarover iets zinvol zeggen, wat nogal moeilijk is. In de media wil men te vaak een ja-of-nee betoog, en zo kan je geen wetenschap ‘verkopen’. Gelukkig is er EOS om in een blog een wat genuanceerder antwoord te geven (en gelukkig belt EOS je niet uit bed).

De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat grotere mensen hun leven als beter, gelukkiger… inschatten dan kleinere mensen. Hiervoor werden 454 000 mensen ouder dan 18 jaar telefonisch ondervraagd. Mensen met een lichaamslengte boven de gemiddelde waarde rapporteerden meer vreugde en plezier te kennen dan diegenen die kleiner waren. De verklaring zou liggen in het feit dat groter zijn impliceert dat men een hoger inkomen heeft en beter onderwijs heeft genoten. Als je moet antwoorden of dit klopt of niet, zijn er enkele bedenkingen. Vooreerst kan je de resultaten van een degelijk uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek niet zomaar ontkennen en met een nee van tafel vegen. Bovendien is dit in feite niet nieuw. Men kent al langer de correlatie tussen inkomen en lichaamsgrootte, en is het niet zo moeilijk te begrijpen dat men gemakkelijker gelukkig kan worden met een hoger inkomen dan wanneer men werkloos is (ook al zou geld niet gelukkig maken…?) Maar er is nood aan nuancering, en natuurlijk ook een evolutionaire reflex, anders was deze blog hier niet op zijn plaats.

We zetten eerst even de bril van Darwin op. Evolutionair onderzoek heeft uitgewezen dat er een relatie bestaat tussen lichaamslengte en dominantie, status dus. Grotere mensen krijgen sneller een dominante status toegemeten dan anderen. Leidinggevenden zijn doorgaans grote mensen, uitzonderingen daargelaten. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen wanneer we naar onze voorgeschiedenis kijken, de periode van honderdduizenden jaren waarin ons gedrag is gevormd. Grotere mannen hadden gemiddeld meer lichaamskracht en hadden dus – weerom gemiddeld – meer kans om groepsgenoten of rivalen te overmeesteren. Ze konden dus gemakkelijker dan anderen een hogere status in de groep bemachtigen. Dat is onze overovergrootmoeders niet ontgaan. Op zoek naar een partner en een vader voor hun kinderen verkozen zij mannen met meer macht; die kunnen immers gemakkelijker bescherming, steun, voedsel… geven dan pantoffelmannen. Grotere mannen konden zich dus gemakkelijker voortplanten. Bovendien konden ze gemakkelijker hun vriendenlijstje uitbreiden: men heeft immers liever een dominant iemand als vriend dan als vijand – zonder Facebook! Grotere mannen werden dus eerder gesolliciteerd voor samenwerking en spel dan kleinere mannen. Vermits geluk voor een groot deel een sociale aangelegenheid is, zullen die grotere mannen dus ook meer kans op geluk hebben gekend (zie mijn blog “Geluk en griep, kwestie van netwerken” van 11 januari 2009).

De ingebakken relatie tussen lengte en dominantie is uiteraard niet uit ons gedragsrepertoire verdwenen, ook al zijn er flink wat andere factoren, niet in het minst culturele, die in de loop van onze evolutie mee de status zijn gaan bepalen. Lichaamslengte blijft vandaag een zeer belangrijke biologische determinant, maar daarnaast laten vele andere factoren zich gelden. Denk maar aan sociale vaardigheden, intelligentie, creativiteit… zonder dewelke N. Sarkozy niet zo een hoge status (en knappe vrouw! maar dat terzijde) kon bemachtigen. Dus laten we niet in de val trappen dat lichaamsgrootte alleen zaligmakend is. Maar het blijft invloed uitoefenen. Men mag dan ook weer niet te groot zijn: een te sterke afwijking van het gemiddelde ervaren wij als een abnormaliteit – bijvoorbeeld een genetische afwijking – die niet meteen beloond wordt met status, vrienden, geluk…

Klopt het ook dat grotere mensen meer of beter onderwijs genieten? Wie een hoge status heeft gaat gemakkelijker nieuwe uitdagingen aan, zoekt sneller naar stimulansen die de status nog verder kunnen opdrijven, eerder dan de loser die zijn toestand onveranderd laat. Vandaag behoort onderwijs tot een van de eerste mogelijkheden om de status verder op te krikken, dus weerom is het verband logisch. Grotere, dominantere mensen zullen sneller studies aanvangen en gemotiveerd blijven om ze tot een goed einde te brengen.

Ik ben nogal onvoorzichtig geweest, want ik sprak over mensen en mannen, maar hoe zit het met vrouwen? Gaat dit alles ook op voor vrouwen? Veel minder. Onze overovergrootmoeders zochten wel dominante mannen, maar hadden zelf niet zozeer een hoge status nodig. Vrouwen zijn van nature veel meer sociale wezens dan mannen. In tegenstelling tot mannen streven ze naar een statusverhoging voor de groep waarin ze leven of werken of spelen, maar veel minder voor zichzelf. Bovendien hebben ze sneller vrienden dan mannen. Lichaamslengte is voor hen dus minder belangrijk. En dat klopt met het onderzoek waarmee we zijn begonnen: het verschil in ‘geluk’ tussen grote en kleine vrouwen is veel kleiner dan bij mannen. De ondervraagden werd verzocht de kwaliteit van hun leven uit te drukken op een schaal van 0 tot 10, waarbij 10 het best denkbare leven zou zijn. Mannen met een lichaamslengte boven 1,78 m – dat is de gemiddelde lengte van de man – rapporteerden gemiddeld een score van 6,55; mannen onder het lichaamsgemiddelde gaven 6,41 op. De gemiddelde lichaamslengte bij vrouwen is 1,63 m; zij die groter waren vulden gemiddeld 6,64 in, de kleinere vrouwen gaven 6,55 op. Dus het vrouwelijke verschil is kleiner dan het mannelijke. Maar – en dat is nog interessanter – de scores van de vrouwen liggen hoger dan bij de mannen. Het laagste gemiddelde bij de vrouwen is gelijk aan het hoogste gemiddelde bij de mannen. Ofwel zijn vrouwen gelukkiger, ofwel schatten ze hun geluk hoger in. Wat is het verschil?

Naast de evolutionaire kijk moeten we de zaak ook nuanceren, zegde ik, dus doen we dat. De getallen uit de vorige alinea geven aan dat de verschillen tussen meer en minder gelukkig wel erg klein zijn. Wetenschappelijk gezien is het verschil tussen 6,55 en 6,41 of tussen 6,64 en 6,55 wel erg interessant, maar u en ik voelen dat niet! Kent u het verschil tussen water van 24 of 25°C? In de fysica is dat verschil reëel, maar in uw bad is het onbestaande. Dus, als grotere mensen gelukkiger zijn, moeten we dat niet te expliciet bekijken. Tweede nuancering: het gaat om gemiddelden. En iedereen weet dat men kan verdrinken in een meer dat gemiddeld 50 cm diep is. Net als bij dominantie is lichaamsgrootte maar één factor die het geluk bepaalt. Ik wil de gelukkige kleine mensen en ongelukkige grote mensen de kost niet geven.

Tot slot – en nu zet ik mijn evolutionaire pet even af en spreek als ervaringsdeskundige – geluk is een ding dat je grotendeels zelf bepaalt en meet. Wie kan het geluk meten? Dat doe je zelf, bij jezelf. Is het te laag? Neem een andere schaal om te meten of vergelijk met andere mensen die lager op de geluksladder staan. Zoals bij status staan er altijd mensen boven jou op de ladder en staan er velen onder jou. Kijk eens naar beneden en let op voor hoogtevrees. Het helpt.

www.ch-darwin.eu

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Een beetje homo meer of minder

12 Augustus 2009, 14:17

“Bent u homo of hetero? Bent u groot of klein?” Twee verschillende soorten vragen, denkt u, want de eerste vraag is zwart-wit, het is het een of het ander, en de tweede vraag laat veel tussenantwoorden toe, van heel klein tot heel groot. Dit illustreert dat we sommige dingen nogal simpel benaderen. Vaak denken we te snel in zwart-wit termen. Bijvoorbeeld bij homoseksualiteit. De overgrote meerderheid onder u zal op de eerste vraag hierboven overduidelijk met “Hetero,natuurlijk” antwoorden, een kleine minderheid kent zichzelf resoluut de stempel van homo toe. De kans is erg groot dat we dit onderscheid in de toekomst heel wat genuanceerder zullen omschrijven: “Ik ben 70 % hetero, 30 % homo” bijvoorbeeld. Natuurlijk zullen velen nog steeds “Erg hetero!” kunnen zeggen, zoals je ook heel groot kan zijn, maar meestal zal de uitspraak veel genuanceerder zijn.

Is dit zomaar een bedenking van mij? Nee, ik heb deze mosterd gehaald opeen congres dat ik onlangs bezocht en waar de Amerikaanse psycholoog Robert Epstein zijn onderzoek voorlegde. Zijn werk stelt dat de seksuele geaardheid zich niet zwart-wit voordoet maar zich manifesteert op een continuüm, gaande van uitgesproken hetero tot uitgesproken homo, met veel tussentoestanden, zoals het continuüm van klein naar groot, dom naar slim, rijk naar arm.

Epstein kwam tot deze bevinding door een onderzoek te voeren via internet. Hij legde een set vragen voor waarin specifiek gepolst wordt naar iemands seksuele geaardheid. Bijvoorbeeld, hoe vaak droomde u van een seksueel contact met iemand van hetzelfde geslacht? Zou u wel eens seksueel contact willen hebben met iemand van het andere geslacht? Enzovoort. Wie de test zelf wil doen (en dus wil weten hoever hij/zij in de richting van hetero of homo opschuift) kan deze vinden op http://mysexualorientation.com/. Deze test oogt natuurlijk erg spannend en dus was een grote reactie teverwachten. 18000 mensen hebben deelgenomen – net zoals u zodadelijk. Prof. Epstein kon dus flink wat gegevens verwerken. Hij maakte een schaal met 13 gradaties van seksuele geaardheid met uitgesproken hetero aan de linkerkant, uitgesproken homo aan de rechterkant.

U en ik zouden een duidelijk resultaat verwachten, namelijk dat het grootste deel van de mensen helemaal links bij de waarde nul op een hoopje ligt, dat een klein  deel helemaal aan de rechterkant van de schaal plakt bij 13, en tussenin een grote leegte. Noppes. De grootste score zat op de waarde 1 en dan daalt het aantal heteroseksuelen continu richting homo. Het aantal homo’s begint rond waarde 7 in aantal te stijgen en groeit naar een kleine piek tussen 11 en 12. Tussen de twee vinden we de biseksuelen. Dus de 0 en de 13 zijn geen maxima. Wat we hieruit onthouden is dat de meeste mensen een gemengde seksuele oriëntatie hebben. “Bent u homo of hetero?” “Wel eh, ik zit op 4 van de schaal van Richter… pardon, van Epstein”. “OK, vermits ik een 10 heb moet ik u niet uitnodigen voor een kopje koffie”. Dat is dus de verklaring voor het feit dat iemand zich hetero kan noemen en zich toch wel eens homoseksueel kan gedragen, en omgekeerd.

Een andere interessante conclusie uit deze gegevens is dat vrouwen meer neigen naar de rechterkant, dus sneller homoseksueel gedrag kunnen vertonen dan mannen. De resultaten waren niet gebonden aan een bepaald land. In ongeveer 12 landen bleek zich dezelfde verspreiding voor te doen.

Is dit gewoon weer eens een grafiekje voor de handboeken over menselijk gedrag? Ja, natuurlijk, maar het betekent wel meer dan dat. Er zijn enkele interessante consequenties. Ten eerste, diegenen die nog de middeleeuwse gedachte koesteren dat homoseksualiteit een ziekte is, moeten nu inzien dat de overgrote meerderheid van de mensen wat van die ziekte meedraagt, dat sommigen een beetje ziek zij, andere doodziek. Nonsense natuurlijk.

Ten tweede maakt het onderzoek van Epstein duidelijk dat wij veel minder in zwart-wit moeten denken als het over ons mens-zijn gaat. Men is niet groot of klein, dik of dun, homo of hetero… Ook psychische aandoeningen zitten in een continuüm. Bijvoorbeeld, autisme zou een sterk uitgesproken eigenschap zijn die eigen is aan mannen. Sommigen stellen zelfs dat de vrouw-man dichotomie minder puur is, dat we ook hier niet zwart-wit mogen denken.

Ten derde – en dat is leuk voor mijn evolutionaire benadering – is de evolutie van homoseksualiteit weer iets beter te begrijpen. In mijn boek ‘De bril van Darwin’ had ik al gesteld dat homoseksualiteit een soort verrijking is van ons seksueel leven. En dat dit verklaard kan worden doordat bij de gezamelijke voorouder van de bonobo en de mens seksualiteit losgekoppeld werd van voortplanting. Maar het blijft moeilijk te verklaren hoe ‘een gen’ voor homoseksualiteit door natuurlijke selectie kan bevoordeeld worden: wie zich niet voortplant, geeft zijn genen niet door. Nu weten we dat een gen dat mee aan de basis ligt van homoseksueel gedrag, niet zonder meer een ‘onvruchtbaar’ lichaam maakt. Het verschuift de drager van het gen naar rechts op de schaal van Epstein. Die drager kan zich dus nog wel voortplanten, en het gen doorgeven. Dat verklaart nog niet het nut van dit gen, waardoor natuurlijke selectie het al dan niet een kans geeft, maar het verklaart wel dat het kan bestaan en overgeërfd kan worden.

De test maakte duidelijk dat ondergetekende zeer hetero is. Verbaasde me niks. Maar het resultaat van deze test wordt natuurlijk sterk bepaald door de gestelde vragen. Andere vragen zouden een waarde meer of minder kunnen geven. Bijvoorbeeld, als u ‘ja’ antwoordt op de vraag of u wel eens een droom had waarin seks met iemand van het eigen geslacht voorkomt (wat evengoed een negatieve ervaring zou kunnen zijn), verschuift de score al met 1 punt naar rechts. Men moet zich dus nog niet vastpinnen op de exacte score die deze test geeft, maar dit onderzoek stelt ons wel in staat om homoseksualiteit weer wat beter te begrijpen.

Doe gerust de test, maar schiet niet op de pianist als u niet links of rechts van de schaal belandt.

www.ch-darwin.eu

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

De evolutie als dikmaker

29 Juni 2009, 15:16

Bent je te dik? Eigen schuld, dikke bult! Of nee, sorry, dat is het oude credo. Trek het je niet aan, het is niet jouw schuld! Zo klinkt het nu. Vanaf zowat de jaren zeventig van de vorige eeuw groeide de afslankeconomie gestaag, met massa’s diëten en hun bijbels, die ons een spiegel voorhielden: “Zoveel mag je wegen, anders wordt je gestraft met een dik lijf en alle sociale afkeuringen die daar het gevolg van zijn; die schuld kan afgelost worden door de recepten in onze bijbel te volgen, streng en meedogenloos, tot je onze norm hebt bereikt.” En, zoals dat nu eenmaal gaat met bijbels, had elk strekking zijn volgelingen.

Miljoenen mannen en vooral vrouwen hebben zich in het martelbord van de eettafel gelegd en hun lichaam zoveel mogelijk calorieën ontzegd. De zweep erop! Sla al die kilo’s eraf. Elke bijbel kende een kortetermijneffect, men verloor inderdaad even wat gewicht. Maar over lange termijn is in de westerse wereld tijdens het zwaaien met bijbels het gemiddelde lichaamsgewicht, of correcter de BMI, toegenomen! Niks gewichtsverlies. Dus horen we nu, zeer recent, een ander geluid. Nieuwe goeroes zeggen vandaag dat het niet jouw schuld is. Anders was het percentage obese mensen niet zo fel gestegen. Een nieuwe afslankfilosofie die de verkoop van nieuwe bijbels moet opkrikken. De  schuld ligt bij de voedingsindustrie, het verzadigingscentrum in ons brein, ja zelfs de evolutie moet in de beklaagdenbank… Aha, evolutie, dat trekt onze aandacht en dus moeten we daar toch iets over zeggen.

Is de evolutie inderdaad verantwoordelijk voor ons dikzijn? We gaan best wat grasduinen in de kennis van onze evolutie om na te gaan of er inderdaad factoren uit ons verleden à charge kunnen worden ingeroepen. En ja, dan vinden we zeker verklaringen die minstens wetenschappelijk interessant zijn, maar misschien toch ook wel een beetje meer inzicht kunnen geven, wat belangrijk kan zijn in het gevecht met ons lichaamsvet.

Gebakje

Onze voorouders – en we mogen teruggaan vanaf iets meer dan tienduizend jaar geleden tot de eerste mensen, over Homo erectus en habilis tot Australopithecus – kenden een evenwicht tussen de hoeveelheid energie die ze verbruikten in het dagelijks leven en de hoeveelheid energie die ze opnamen via voeding. We hebben uit antropologische vondsten genoeg aanwijzingen dat die voorouders in hun voedsel moesten voorzien door jacht en vooral verzamelen van allerhande eetbare dingen, noten, fruit, knollen, beestjes… Geen slagerij, geen bakkerij, geen ijstent, maar hard werken om voldoende eten te vinden. Geen zitbank of bureaustoel, geen auto of trein, geen internet die de bewegingen beperken. Wat gegeten werd, werd verbrand. Meer nog, soms was er onvoldoende eten en dreigde hongersnood. Wie die hongersnood niet kon overleven, is wellicht niet onze voorouder geworden. Wel diegene die een oplossing had gevonden om die moeilijke periode te overleven, met name een voorraadkast. Dat is geen kast op poten, maar een voorraad die werd meegedragen onder de vorm van lichaamsvet. Wanneer meer voedsel werd gevonden dan echt nodig was voor het dagdagelijks leven, werd dat niet weggegooid maar gestockeerd op een chemisch bijzonder goed doordachte manier: als vet tussen de lichaamsweefsels.

Om te garanderen dat onze overgrootoma en -opa wel degelijk die stockage van overbodige energie zouden bewerkstelligen, voorzag de evolutie hen met een verfijnd mechanisme: sterk aangetrokken worden door zoet en vet, de twee meest krachtige energiebronnen. Het brein werd geprogrammeerd om als bezeten te reageren op alles wat zoet of vet is, zodat elke kans op het aanleggen van een voorraad zeker zou benut worden. Veel zoet en vet kwamen ze toen niet tegen, maar die uitzonderlijke keren dat het wel gebeurde, zorgde het brein ervoor dat de energie werd opgenomen en omgezet in vet. Datzelfde brein laat ons vandaag nog steeds een ijstent binnenstappen: “Zoet! Vet! Onvoorwaardelijk ten aanval!”. Natuurlijk verbruiken we daarbij ook energie. We moeten die ijstent immers binnenstappen, de portemonnee bovenhalen én openen, het ijshoorntje dragen en nog likken ook… Spijtig dat we het ijsje niet kunnen downloaden op iSweets.



Wat in onze maag wordt opgenomen, wordt boekhoudkundig bijgehouden door het lichaam. Er worden signalen naar de hersenen gestuurd, meer bepaald de hypothalamus, om het verzadigingscentrum op de hoogte te brengen dat er voldoende is gegeten. Dat centrum reageert met een verzadigingsgevoel en zet de eetactiviteiten stop. Goed idee van de evolutie om zo een regelsysteem in het leven te roepen, maar slecht idee om dat niet aan te passen aan onze huidige eetgewoonten. Want, het verzadigingscentrum treedt pas 30-45 minuten na de start van de maaltijd in werking. We kunnen ons best voorstellen dat dit bij onze voorouders een goed systeem was. Eten duurde wellicht lang omdat men geen gekookte maaltijd op het bord had liggen, men moest het rauwe vlees en de harde noten en knollen verzamelen en er moest lang op gekauwd worden om het binnen te krijgen. Als men dan op tijd het signaal kreeg dat het genoeg was, was het ook genoeg. Vandaag duren onze maaltijden vaak minder dan vijftien minuten en schrokken we te veel naar binnen omdat het verzadigingscentrum van onze voorouders niet kan volgen. Na een half uur of drie kwartier stellen we vast dat we ons overeten hebben. Kassa kassa voor het lichaamsvet.

Niet alleen zijn de energiebalans en het verzadigingscentrum verstoord, we hebben ook nooit een sterke en automatische logica ontwikkeld om toekomstgericht te denken. Wat bedoel ik daarmee? Er is dat oude grapje van de man die aan de pomphouder vraagt wat één drubbel benzine kost. “Euh, niets natuurlijk!” is het antwoord waarop de man enthousiast reageert: “Druppel mijn tank dan maar vol!” Zo grappig is dit eigenlijk niet, want dat principe passen wij zelf dagelijks toe, zonder ermee te lachen. Stel, er ligt een gebakje op mijn bord. Vermits mijn BMI te hoog is, moet ik “afblijven” zeggen. Maar ik volg een andere logica, punt per punt volledig juist. Dat ene gebakje maakt me niet dikker. Er zal met mijn lichaam niets gebeuren als ik die ene gastronomische schoonheid opeet. Sterker nog, als ik het niet opeet, zal ik niets vermageren. Het komt niet op één gebakje aan, noch positief, noch negatief. Eén drubbel benzine is gratis, één gebakje ook – althans qua lichaamsgewicht. Dus gaat het erin. Diezelfde redenering telt natuurlijk morgen ook voor die hamburger op mijn bord en overmorgen voor die portie friet. Stuk voor stuk onschuldige eeteenheden die niet verantwoordelijk zijn voor mijn lijn. Een gebakje kan er altijd nog bij. Natuurlijk weten we wel dat een benzinetank niet gratis kan volgedruppeld worden, maar diezelfde redenering volgen als het over calorieën gaat is flink wat moeilijker. We druppelen maar voort, tot de tank vol is, en schrikken dan dat we moeten betalen, met overgewicht.

Terzijde, hetzelfde verhaal kunnen we vertellen over stoppen met roken. Eén sigaret maakt geen verschil, daar krijg je geen longkanker van. Maar o wee als de tank volgedruppeld is met sigarettenrook.
Als we wat meer ingebakken logica zouden hebben die ons toekomstgericht laat handelen, zou een dieet veel gemakkelijker zijn. Dan zou dat ene gebak, die ene hamburger of die ene portie friet niet als onschuldig worden ervaren. Maar onze voorouders hadden gedurende miljoenen jaren geen baat bij dit systeem, dus waarom zou de evolutie het dan hebben ontworpen? Vandaag moeten we zo een ingebakken drijfveer vervangen door andere stimulansen, onder de vorm van een bijbel of een dieetgoeroe. En dus doen de weight watchers wat de evolutie niet deed.

Van deze bedenkingen zal je geen gewicht verliezen, integendeel om dit te lezen zat je weer enkele minuten stil, en werd je energiebalans nog maar eens ontwricht. Sorry!

www.ch-darwin.eu

 

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Waarom jonge hoertjes?

22 April 2009, 21:20

Jong hoertjeOnlangs las ik in een Engelse krant dat een schoolmeisje van 15 in Newcastle op één jaar tijd £ 100.000 had verdiend als prostituee. Ze leidde een dubbelleven: overdag zat ze op school, ’s nachts deed ze de straat. De organisatie Save the Children meldde in 2007 in een rapport dat er 5000 minderjarige prostituees zijn in Engeland, waarvan drie kwart meisjes. In de Verenigde Staten zou het over honderdduizenden gaan, lees ik in een Amerikaanse krant. Dit zijn mensonterende toestanden waarvoor dringend oplossingen moeten gevonden worden. Kinderprostitutie is kindermisbruik, punt. Maar dat is niet het punt dat ik hier en nu wil voorleggen. Waar steeds weer de vraag opduikt hoe het toch komt dat er zo veel meisjes in de prostitutie stappen, zie ik – naast mijn verontwaardiging over deze mistoestanden – steeds weer een andere vraag opduiken wanneer ik mijn bril van Darwin opzet: waarom willen mannen toch steeds zulke jonge vrouwen of meisjes om seks mee te hebben?

Velen zullen dit een domme vraag vinden. Het is algemeen aanvaard dat mannen nu eenmaal de voorkeur geven aan jonge vrouwen, zowel voor een huwelijk als voor een seksuele escapade. Mannen en vrouwen vinden dit een normale, triviale zaak, niet meer noch minder dan dat appels van bomen vallen. Een wetenschapper daarentegen vindt het wel een goede vraag waarom appels vallen van bomen en mannen voor jonge vrouwen. Je moet eigenlijk nog niet zo veel wetenschapper zijn om deze triviale vraag te stellen, in feite ligt ze voor de hand als we het eens op een andere manier bekijken.

Minder te bieden
Wat zoeken mannen bij een prostituee? Seks, OK. Goede of slechte seks? Goede liefst, OK. Wie kan de beste seks geven, ervaren of onervaren vrouwen? Ervaren natuurlijk, wie anders. OK. Wie heeft de meeste ervaring opgebouwd, jonge of oudere vrouwen? Oudere vrouwen, dat is de logica zelve. OK. Verkiezen mannen jonge of oudere dames van plezier? Jonge, natuurlijk. Natuurlijk…? Hoezo? Waar zit de logica? Jonge hoertjes hebben minder te bieden maar worden wel verkozen boven meer ervaren en dus betere collega’s. Meer nog, ze verdienen veel meer geld. Vandaar
het opgebouwde fortuin van die tiener in Newcastle. We weten dat mannen niet altijd logisch in elkaar zitten, maar hier moeten we de bril van Darwin toch wat verder op de neus duwen en een diepgravende verklaring zoeken. Onze evolutie maakt veel duidelijk.

Onze voorouders hebben zich voortgeplant, anders waren wij er niet. Hoe meer kinderen ze verwekt hebben, hoe meer kans ze hadden om onze voorouders te worden. Dus de tactiek die ze gebruikten om hun genen beter te verspreiden dan anderen werd in de natuurlijke selectie beloond. Een van die tactieken valt onder de noemer van de partnerkeuze. Hoe beter je partner op gebied van voortplanting, hoe beter je genen in de volgende generaties kunnen belanden. Voor mannen was het belangrijk om een partner te vinden die nog vele jaren voor de boeg had, want hoe langer ze leefde, hoe meer kinderen ze kon verwekken. Met een ijskoude, technische term noemen we dat de voortplantingswaarde.

Bij de mens kent de vrouw de menopauze, dus een stilstand van de eicelproductie, waardoor de rijpere dames zich niet meer kunnen voortplanten. Hoe verder een vrouw verwijderd is van de menopauze, hoe meer voortplantingswaarde ze heeft. En onze bronstige (sorry voor het woord) overovergrootvaders hebben daar – zonder dat te weten natuurlijk – rekening mee gehouden. Ze kozen voor jongere vrouwen in hun zoektocht naar een partner. Of om het juister te zeggen: die mannen die een genetische aanleg hadden om een jonge partner te verkiezen, hadden meer voortplantingssucces dan mannen die de oudere dames mee uit wilden nemen. Die genetische aanleg is generatie na generatie doorgegeven. De voorkeur voor jongere vrouwen is daardoor vandaag nog steeds een universeel menselijk verschijnsel.

Chimp lust oudere dames

We hebben een betrouwbare, aan ons verwante getuige die dit kan bevestigen, de chimpansee. Het wijfje van onze neef, dus onze nicht, kent geen menopauze. Het resultaat is dat onze neven eerder vallen voor oudere dames, omdat die meer ervaring hebben met de voortplanting, ze vinden de jonge grieten maar niks en laten die links liggen. Chimpansees betalen veel geld voor ouwe hoeren.

Ik hoor nu al de kritische opmerking: ja maar, ik ga niet naar de rosse buurt om me voort te planten, wel om plezier te maken! Juist, dat wil ik geloven, maar de natuurlijke selectie heeft niet wakker gelegen van dat plezier maken. Enkel voortplantingstrategieën zijn door de evolutie onder de loep gelegd en werden in onze genen gegrift. Plezier beleven aan seks is niets meer noch minder dan een lokmiddel waarmee de evolutie ons heeft opgezadeld om bevruchtingen te willen realiseren. Als seksuele gemeenschap, paring of hoe je het ook wil noemen niet leuk zou zijn, hadden onze voorouders zich niet voortgeplant, waren wij er niet gekomen en waren zij geen voorouders geworden. Dus, wanneer meneer een hoertje uitzoekt voor plezier, werkt bij hem een set van genen die zijn voortplanting sturen. Die genen willen een jonge partner. Kassa voor het schoolmeisje in Newcastle.

Ziedaar een logisch antwoord op een vraag die aanvankelijk misschien te triviaal leek om over te praten. Maar zijn we iets met deze analyse? Of is dit enkel interessant eten en drinken voor evolutiepsychologen en -biologen? Nee, we kunnen er misschien wel iets mee doen. In de zoektocht naar een methode om het kindermisbruik een halt toe te roepen, zou een goede voorlichting in verband met onze seksuele biologische wortels enig licht kunnen werpen op ons doen en laten. Het zou duidelijk kunnen maken dat jonge meisjes uitzoeken voor seks wél om voortplanting draait en dat wanneer men echt enkel plezier wil, men beter de ervaring, de oudere dames zou verkiezen. Laat de jonge meisjes met rust. Een denkwijze die overigens ook voor huwelijken geldt: een vijftiger zou bij zijn tweede of derde huwelijk moeten beseffen dat voortplanting van geen tel meer is en dat een partner van dezelfde leeftijd wellicht een meer harmonische relatie kan bieden.

Voorlichting en onderwijs in evolutionair denken zou hier misschien veel kunnen bijdragen tot een meer verstandelijk gedrag, waarbij we minder slaaf zouden zijn van onze genen. Maar ik weet ook wel dat dit bijzonder moeilijk te realiseren zal zijn. Laat me maar dromen!

 

www.ch-darwin.eu

Geschreven in EvolutieVaste linkDarwinVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon