28 Mei 2009, 09:00
Het is nu net iets meer dan een jaar geleden sinds dit blogportaal gelanceerd werd en ik mijn eerste blogpost schreef. Slechts enkele maanden daarvoor had ik mijzelf een bureau verworven aan de Vrije Universiteit Brussel en had ik een doctoraatsonderzoek aangevat. Ik heb het voorbije jaar geblogd over tal van onderwerpen die weinig met elkaar gemeen hebben (van de Olympische spelen over kiessystemen tot partnergeweld en wiskundemeisjes), behalve dat ze allen weinig tot geen verband houden met het wetenschappelijke werk waarmee ik me bezighoud in het kader van mijn doctoraatsonderzoek. Daar komt vandaag verandering in. Zoals ik u vorige maand beloofd heb, ga ik in dit blogbericht dieper ingaan op een vraag die is weggeplukt uit mijn doctoraatsonderzoek (en waarover ik zeer recentelijk niet enkel gepresenteerd heb op de hier aangekondigde 'Tweespraak Vrouwenstudies', maar tevens op congressen van de 'American Accounting Association' en de 'European Accounting Association'):
Hoe vrouwelijk zijn vrouwelijke
auditors?
AUDITING EN DE AUDITOR
U kan zich hier waarschijnlijk net zo weinig bij voorstellen als bij het zoeken van nulpunten op de zeta-functie, maar laat dat hopelijk over enkele minuten anders zijn. Nochtans kent waarschijnlijk (minstens van naam) iedereen de zogenaamde 'Big 4' (Deloitte, Ernst & Young, KPMG, PWC) die verantwoordelijk zijn voor de ruime meerderheid van de wettelijke audits die er worden uitgevoerd. Wat is een 'auditor' (in België overigens bedrijfsrevisor genoemd)? Wat is 'auditkwaliteit'? En waarom zou 'auditor-gender' een invloed (kunnen) hebben op 'auditkwaliteit'? Een
auditor is in essentie een 'waakhond'. Zijn
taak bestaat er in om de financiële verslaggeving (voornamelijk de jaarrekeningen) van
ondernemingen te controleren op hun getrouwheid (i.e. geven ze een
waarheidsgetrouw beeld van de economische realiteit weer). De Belgische bedrijfsrevisor die de wettelijke
controle uitvoert, draagt voor dat mandaat de titel van commissaris en wordt gekozen uit de leden van het IBR (Instituut van de
Bedrijfsrevisoren). Het kan gaan om een natuurlijke persoon of om een
rechtspersoon (auditkantoor). In het laatste geval moet de
rechtspersoon-commissaris onder haar vennoten, zaakvoerders of bestuurders een
vaste vertegenwoordiger aanduiden die dan wordt belast met de uitvoering van
de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon-commissaris. De
commissaris wordt in België benoemd door de algemene vergadering van de
onderneming voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. Enkel 'grote'
vennootschappen zijn verplicht een commissaris aan te stellen (e.g ondernemingen met meer dan 50 werknemers).
Het belang van deze controle door de wettelijke auditor is dat ze de financiële verslaggeving van een onderneming een verhoogde geloofwaardigheid geeft, wat (in geval van gunstige cijfers) bijvoorbeeld belangrijk is om krediet te verkrijgen bij de bank tegen gunstige kredietvoorwaarden of om uitstel van belang te verkrijgen bij leveranciers.
AUDITKWALITEIT
De kwaliteit van het
wettelijk toezicht ('auditkwaliteit') is afhankelijk van de mate waarin een auditor materiële
afwijkingen in de financiële overzichten van de gecontroleerde onderneming ontdekt
en rapporteert (DeAngelo, 1981) (materiële afwijkingen zijn fouten/onvolmaaktheden die de beslissingen van derden, zoals investeerder, kunnen beïnvloeden of wijzigen). Naast tal van andere kenmerken zoals de juridische omgeving, de bedrijfscultuur en grootte van het auditkantoor, is de kans dat een auditor een materiële afwijking
ontdekt en rapporteert afhankelijk van de persoonlijke kenmerken van de
auditor (e.g ervaring). De auditor dient
dus over de nodige deskundigheid te beschikken om controle-informatie
te verzamelen en te analyseren.
Het is die expertise - en zijn
onafhankelijkheid - die de (wettelijke) auditor onderscheiden
van de accountant/boekhouder (en de interne auditor). (Breesch &
Branson, 2007) Het belang van dit alles werd zeer duidelijk (en pijnlijk) aan het grote publiek ten tijde van de schandalen rond Enron en WorldCom.
DE IMPACT VAN AUDITOR-GENDER OP AUDITKWALITEIT
Omdat auditing uiteindelijk een kwestie van oordelen en het nemen van besluiten is (Knechel, 2000), is auditkwaliteit finaal afhankelijk van de mate waarin de auditor oordelen en besluiten van hoge kwaliteit neemt, bijvoorbeeld omtrent de hoeveelheid en het type 'bewijsmateriaal' dat verzamelt dient te worden of omtrent de betrouwbaarheid die er moet worden gehecht aan de informatie die door de managers van de onderneming wordt verstrekt. Naast de evidente kwaliteiten waar een auditor uiteraard moet over beschikken hiervoor (deskundigheid en onafhankelijkheid, zie supra) zijn er aantal persoonlijke karakteristieken die hier een invloed kunnen op hebben: probleemoplossen, risico-voorkeur en de mate van cognitieve verstoring. En hier wordt het interessant, want er is tal van onderzoek dat aangeeft dat er in deze domeinen wel eens verschillen zouden kunnen bestaan tussen mannen en vrouwen en zeer recent hebben er een aantal 'audit-onderzoekers' dan ook deze bevindingen uit de literatuur als startpunt genomen om hypothesen te formuleren en te testen omtrent de relaties tussen auditor-gender en auditkwaliteit (bijv. Ittonen & Peni, 2009).
Vooral wiskundig probleemoplossen is voor auditors belangrijk en de meeste studies (e.g. Penner & Paret, 2008) vinden terug dat mannen hier ietsje beter op scoren dan vrouwen (zie eerder op dit blog). Er zijn ook tal van studies (e.g. Graham, 2002) waaruit blijkt dat vrouwen afkeriger staan tegenover het nemen van risico's (al wordt soms ook geclaimed dat genderverschillen in risicioattitude meer vooroordeel dan feit zijn; e.g. Schubert e.a. 1999), zelfs wanneer die vrouwen financiële professionals zijn (Olsen & Cox, 2001). Aangaande cognitieve verstoringen (zie ook hierover eerder op dit blog) zijn er aanwijzingen voor handen waaruit blijkt dat vrouwen hun denken minder cognitief verstoord wordt dan dat van mannen, vooral verschillen in 'overconfidence' zijn goed onderzocht (e.g. Bengtsson e.a. 2005). Aannemende dat zulke verschillen tussen mannen en vrouwen inderdaad bestaan dan lijkt dit een goede basis om hypothesen op te bouwen omtrent auditor gender en auditkwaliteit. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen verwachten dat vrouwelijke auditors, omdat ze risico-afkeriger zijn, vaker bezorgdheid uiten omtrent het voortbestaan van ondernemingen. Of men zou, als men aanneemt dat vrouwelijke auditors minder overmoedig zijn, kunnen vermoeden dat vrouwelijke auditors
meer tijd en middelen besteden aan een auditopdracht en aldus een hoger audithonorarium moeten aanrekenen (een gedachtegang die Ittonen & Peni, 2009 volgen).
RANDOM SAMPLING
Dit soort van studies lijkt een goed vertrekpunt, maar het is niet zo vanzelfsprekend als het op het eerste gezicht lijkt dat auditor-gender inderdaad relevante kennis verschaft aan wie geïnteresseerd is in auditkwaliteit. Wat betekent het in feite dat '(auditor-)gender relevante kennis oplevert'? Ik zou het niet zo goed kunnen verwoorden als Dawkins (1981:12) het ooit deed dus laat ik dat ook maar niet proberen:
If, then, it were true that the posession of a Y chromosome had a causal effect on, say, musical ability or fondness for knitting, what would this mean? It would mean that, in some specified population and in some specified environment, an observer in possession of information about an individual's sex would be able to make a statistically more accurate prediction as to the person's musical ability than an observer ignorant of the person's sex. The emphasis is on the word 'statistically', and let us throw in an 'other things being equal' for good measure. The observer might be provided with some additional information, say on the person's education or upbringing, which would lead him to revise, or even reverse, his prediction based on sex. If females are statistically more likely than males to enjoy knitting, this does not mean that all females enjoy knitting, nor even that a majority does.
Het is duidelijk dat we in een context van auditor-gender over meer informatie beschikken dan enkel geslacht. Genderverschillen zijn zeer sterk context-afhahnkelijk (zie in verband met risico-attitude bijvoorbeeld Boyer & Barnes, 2009). Bovendien verstrekt die bijkomende informatie (d.w.z. 'het gaat om auditors') mogelijk goede redenen om voorspellingen bij te sturen (bijvoorbeeld omtrent risico-attitude). Het is immers niet vanzelfsprekend dat
genderverschillen die eventueel aanwezig zijn op het niveau van de gehele
bevolking ook aanwezig zijn in de specifieke subpopulatie van auditors. De
vraag rijst bijgevolg in hoeverre het 'auditor zijn' effecten uitwist (door
zelfselectie of door leereffecten ten gevolge van onderwijskundige en
professionele vorming) van het 'gender doen'. Anders gezegd: "Hoe vrouwelijk
zijn vrouwelijke auditors?"
Vrouwelijke en mannelijke auditors zijn immers overduidelijk geen willekeurige steekproeven en er kan dus niet a priori worden aangenomen dat vrouwelijke (en mannelijke) auditors representatief zijn ten aanzien van deze kenmerken. Zo is het bijvoorbeeld redelijk om te veronderstellen dat auditors minder risico-afkerig zijn dan het gemiddelde individu net zoals ook studenten financiële economie dat zijn (cf. Sjöberg & Engelberg, 2009). Het lijkt ook logisch om aan te nemen dat wie werkzaam is in een 'cijferberoep' over meer dan gemiddelde wiskundige probleemoplossende vaardigheden beschikt. Gezien de vertrouwdheid die auditors hebben met statistische aangelegenheden zoals het nemen van steekproeven mag ook worden verwacht dat auditors hier bekwamer in zijn dan een gemiddeld persoon en dat (eventueel) hierin geen verschil tussen mannelijke en vrouwelijke auditors bestaat. In elk geval zijn vrouwelijke en mannelijke auditors geen willekeurige steekproeven uit de bevolking en het is welgeweten hoe belangrijk context is voor elk van deze karakteristieken. Het is ook welbekend dat voorkeuren en gedrag kunnen resulteren in een vicieuze cirkel van stimuli en respons, met zelfs veranderingen in de breinstructuur tot gevolg (via synapsvorming, dendrietengroei- en vertakkingen, celgrootte, vorming van nieuwe neuronen) (cf. Halpern, 2004; Draganski, 2004; Li, 2003, 2008). Zo zijn er bijvoorbeeld geen of slechts verwaarloosbare verschillen terug te vinden in ruimtelijk inzicht tussen mannen en vrouwen die werk verrichten (Govier & Feldman, 1999) of actief zijn in een studiegebied (Quaiser-Pohl & Lehmann, 2002) waarvoor ruimtelijk inzicht belangrijk is.
Zonder empirisch onderzoek kan dus niet worden uitgemaakt of er (betreffende wiskundig probleemoplossen, cognitieve verstoringen, risico-attitude en eventuele andere persoonlijke karakteristieken die relevant zouden kunnen zijn in het licht van auditkwaliteit) verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke auditors bestaan (en of, als ze zouden bestaan, die verschillen kleiner, groter of hetzelfde zouden zijn als tussen de 'gemiddelde man' en de 'gemiddelde vrouw'). Laat staan dat zonder empirisch onderzoek zou kunnen worden uitgemaakt of zulke verschillen van een grootteorde zijn die ook praktische relevantie heeft.
Dat is in zekere zin logisch. In feite is het ook niet meer dan een toepassing van het wetenschappelijke principe dat aan de basis van veralgemening ligt: representativiteit bekomen door middel van willekeurige steekproeven. Een steekproef heet willekeurig (at random) te zijn wanneer iedereen in de populatie evenveel kans heeft om geselecteerd te worden. Elkeen die ooit een minimum aan statistisch en/of wetenschappelijk onderricht heeft gekregen zal u kunnen vertellen dat willekeurige steekproeven noodzakelijk zijn om (met redelijke zekerheid) te kunnen aannemen dat wat geldt voor de steekproef ook geldt voor de populatie (waaruit de steekproef afkomstig is) in haar geheel. Anders gezegd, dat de resultaten generaliseerbaar (of veralgemeenbaar) zijn. Dus niet enkel omwille van statistische redenen zijn willekeurige steekproeven wenselijk, maar ook vanuit praktisch oogpunt: als onderzoeker wil je niet enkel iets kunnen vertellen over het beperkte aantal casussen dat je hebt onderzocht (bijvoorbeeld de seksuele voorkeur van de 121 of 10.000 mensen die je hebt bevraagd), maar over de populatie in zijn geheel (bijvoorbeeld de seksuele voorkeur van alle Belgen). Hoewel dit al te vaak wordt vergeten (hoe gewichtig wordt er niet al te vaak gedaan over waardeloze opiniepeilingen op websites van ene of gene televisiezender) is dit in principe algemeen geweten. Veel vaker gaat het mis wanneer de omgekeerde situatie zich voordoet, wanneer men uit het algemene het bijzondere wil afleiden. In zulke gevallen vergeet men simpelweg al te vaak om vragen te stellen als "Hoe vrouwelijk
zijn vrouwelijke auditors?" (waarmee we in feite niet meer willen zeggen dan: "Zijn, ten aanzien van o.a. risico-attitude, auditors representatief voor de gehele bevolking?"). Zoals hierboven uitgeld is dat een vraag die empirisch beantwoord dient te worden.
Nog minstens tot 31/12/2011 zal ik me met deze problematiek bezighouden en op dat ogenblik zal ik hopelijk niet enkel kunnen vertellen of auditkwaliteit geassocieerd is met auditor-gender, maar tevens waarom dit zo is (en 'hoe vrouwelijk vrouwelijke auditors dus nog zijn'). Voorlopig beperk ik me tot een methodologische les en een goed advies: vraag u volgende keer wanneer u weer eens hoort dat "wetenschappers hebben bewezen dat ..." op zijn minst af: 'Is de door die wetenschappers onderzochtte steekproef een willekeurige steekproef?' (en dus: 'Zijn de door die wetenschappers gevonden resultaten generaliseerbaar?')
Referenties
Bengtsson, Claes e.a. (2005) Gender and Overconfidence. Economics Letters, 86, 2, pp. 199-203
Boyer, Ty W. & James P. Barnes (2009) Adolescent Risk-Taking. Journal of Applied Development Psychology, 30, 1, pp. 23-33
Breesch, Diane & Joël Branson (2007) Jaarrekeninganalyse en auditing. Brugge: die Keure
Dawkins (1981) The Extended Phenotype. Oxford: W.H. Freeman & Co.
DeAngelo, Linda E. (1981) Auditor Size and Audit Quality. Journal of Accounting and Economics, 3, 3, pp. 183-199
Draganski, Bogdan e.a. (2004) Neuroplasticity: Changes in grey matter induced by training. Nature, 427, 6972, pp. 311-312
Govier, Ernest & Janice Feldman (1999) Occupational Choice and Patterns of Cognitive Abilities. Britisch Journal of Psychology, 90, 1, pp. 99-108
Graham, Judy F. (2002) Gender Differences in Investment Strategies. International Journal of Bank Marketing, 20, 1, pp. 17-26
Halpern, Diane F. (2004) A Cognitive-Process Taxonomy of Sex Differences in Cognitive Abilities. Current Direction in Psychological Science, 13, 4, pp. 135-139
Ittonen & Peni (2009) Auditor's Gender and Audit Fees. Paper gepresenteerd op het 32ste 'Annual Congress of the European Accounting Association', 12-15 mei 2009, Tampere/Finland
Knechel, Robert W. (2000) Behavioral Research in Auditing and its Impact on Audit Education. Issues in Accounting Education, 15, 4, pp. 695-712
Li, Shu-Chen (2003) Biocultural Orchestration of Development Plasticity Across Levels. Psychological Bulletin, 129, 2, pp. 171-194
Li, Shu-Chen (2008) Brain is also Dependent Variable. Research in Human Development, 5, 2, pp. 80-93
Olsen, Robert A. & Constance M. Cox (2001) The Influence of Gender on Perception and Response to Investment Risk. The Journal of Psychology and Financial Markets, 2, 1, pp. 29-36
Penner, Andrew M. & Marcel Paret (2008) Gender Differences in Mathematics Achievment. Social Science Research, 37, 1, pp. 239-253
Quaiser-Pohl, Claudia & Wolfgang Lehmann (2002) Girls' Spatial Abilities. British Journal of Educational Psychology, 72, 2, pp. 245-260
Schubert, Renate e.a. (1999) Gender and Economic Transactions - Financial Decision Making: Are Women Really More Risk Averse? American Economic Review, 89, 2, pp. 381-385
Sjöberg, Lennart & Elisabeth Engelberg (2009) Attitudes to Economic Risk Taking, Sensation Seeking and Values of Business Students Specializing in Finance. Journal of Behavioral Finance, 10, 1, pp. 1-11
Geschreven in
Algemeen
Vaste link