De mythe van het glazen plafond

18 Oktober 2009, 10:00

Veel poeha vorige week in de media naar aanleiding van het verschijnen van een boek met de ronkende en uitdagende titel De mythe van het glazen plafond. Er werd aandacht aan besteed in De Standaard, in Het Nieuwsblad en ook op Canvas (meerbepaald bij Phara) lieten ze het niet aan zich voorbijgaan.

Dat hoeft niet te verbazen. Onderzoek naar en claims omtrent verschillen tussen mannen en vrouwen hebben veel weg van de geest van Banquo: onmogelijk uit te roeien. De media spelen daarin gretig mee en voeden de conceptuele eenvoud en polarizatie (zie bijv. het werk van Birke [1986] daaromtrent). Studies waaruit een verschil naar voren komt tussen mannen en vrouwen worden (overmatig) veelvuldig opgepikt door de media; en is het verschil toe te schrijven aan biologische factoren dan hoort dat thuis op de voorpagina. We weten nochtans dat mannen en vrouwen meer gelijk dan verschillend zijn en dat de meeste verschillen eerder mythe dan realiteit zijn. Wat (helaas) geen mythe is, is het glazen plafond - ongeacht wat Marike Stellinga daarover mag beweren.

Voor Marike Stellinga lijkt me te gelden, om Schopenhauer te parafraseren, 'Want de schorre te horen zingen, de lamme te zien dansen, is al pijnlijk genoeg; maar de beperkte geest te horen filosoferen is ronduit onverdraaglijk' (Parerga und Paralipomena - Ueber die Universitäts-Philosophie).

Het is immers behoorlijk onverdraaglijk dat iemand die frontaal ten aanval trekt tegen het feminisme overduidelijk niet eens begrijpt wat gender is - toch het centrale concept uit het feministische denken. Ik heb op het Engelstalige blogportaal van Scilogs toegelicht wat verstaan dient te worden onder sekse en gender:

On sex and gender (part 1): On sex

On sex and gender (part 2): On gender

Een frontale tegenaanval tegen dit soort onzin is moeilijk, De mythe van de mythe van het glazen plafond bekt nu eenmaal minder lekker dan het origineel (en veel zou het ook niet uithalen), dus er rest mij enkel opnieuw te verwijzen naar mijn allereerste bericht dat ik schreef voor dit blog: Het glazen plafond. En naar onze bibliotheek natuurlijk,waar de geïnteresseerde lezer lectuur kan terugvinden die de moeite van het lezen meer waard is dan het zoveelste pulpboek.

 

Geschreven in De wereld draait doorVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Gender op de Universiteit

01 Oktober 2009, 08:30
Na Antwerpen, Brussel en Leuven vorige week, is het vandaag de beurt aan Gent om het academische jaar plechtig te openen. Omdat de hoogte van de subsidies die onze universiteiten krijgen gedeeltelijk afhankelijk is van de studentenaantallen wordt er binnen onze academische instellingen in deze periode van het jaar ook altijd enigszins geagiteerd uitgekeken naar cijfers omtrent nieuw ingeschreven studenten. Bij het bekijken van die cijfers viel me op hoe sterk ons onderwijs nog steeds 'mannelijke' en 'vrouwelijke' studiegebieden kent.

Het mag dan al geruime tijd zo zijn dat er meer meisjes dan jongens in het hoger onderwijs terug te vinden zijn (vorig academiejaar, 54% tegenover 46%), die overmacht concentreert zich voornamelijk in een bepaald aantal studiedomeinen. Anderzijds, een aantal studiegebieden zijn nog steeds mannenbastions. Zo zijn aan onze hogescholen 'Gezondheidszorg' (85% meisjes), 'Sociaal-agogisch werk' (78%), 'Toegepaste taalkunde' (74%) en 'Onderwijs' (70,5%) duidelijke 'meisjesdomeinen' terwijl 'Nautische wetenschappen' (92%) en 'Industriële wetenschappen' (87%) duidelijke 'jongensdomeinen' zijn. Aan onze universiteiten zijn dan weer 'Psychologie' (83%), 'Dierengeneeskunde' (76%), 'Farmaceutische wetenschappen' (75%), 'Taal- en letterkunde' (73%) en 'Biomedische wetenschappen' (71%) studiedomeinen waar je vooral meisjes aantreft, terwijl de jongens dan weer in de meerderheid zijn in de 'Toegepaste wetenschappen' (77%), de 'Wetenschappen' (66,5%) en de 'Economische en toegepaste economische wetenschappen' (60%).
 
VAN ONDERWIJS NAAR ARBEIDSMARKT 
 
Dergelijke seksesegregatie (d.w.z. de scheiding van mensen volgens geslacht) binnen het onderwijs blijft ook niet zonder gevolgen. Onderwijs speelt immers een zeer belangrijke rol in het bestaan van segregatie op de arbeidsmarkt – je kan worden wat je wil als je groot bent, maar toch maar geen verpleegster … euh, verpleger, als je een jongen bent of metaalarbeider wanneer je een meisje bent.
 
Die sekssegregatie van beroepsuitoefening is trouwens een van de belangrijkste en hardnekkigste vormen van sekssegregartie in onze moderne maatschappijen (Charles & Grunsky 2004). Wat bovendien paradoxaal is en tal van wetenschappers heeft beziggehouden is de vaststelling dat sommige landen (zoals de Scandinavische) die op economisch en politiek vlak de grootste gendergelijkheid hebben verwezenlijkt net die landen zijn waar de sterkste seksgesegregeerde beroepsstructuren blijven bestaan. Er is dus weinig reden om aan te nemen dat de seksgesegregeerde arbeidsmarkt gauw zal verdwijnen. De reden hiervoor is dat essentialistische opvattingen over mannen en vrouwen (bijv. 'jongens hebben van nature uit meer aanleg voor wiskunde') ook in onze moderne maatschappijen, waar mannen en vrouwen over gelijke politieke en economische rechten beschikken, nog steeds sterk leven en wijdverbreid zijn. Omdat bovendien in onze moderne, welvarende landen de nadruk sterker ligt op zogenaamde postmaterialistische waarden (bijv. 'zelfontplooiing' en 'zelfverwezenlijking') heeft men, paradoxaal genoeg, in deze samenlevingen meer kans om zijn leven in te vullen volgens de regels van die essentialistische opvattingen. Zo kiest men dus niet in de eerste plaats voor een studiegebied omdat ze uitzicht bieden 'op een goede job' (en dus materiële zekerheid), maar uit interesse, omdat ze helpen bijdragen aan de verwezenlijking en expressie van een bepaald ideaalbeeld dat men voor ogen heeft. Dat ideaalbeeld is echter niet hetzelfde voor meisjes en jongens, dus streven meisjes en jongens andere doelen na (die ze, in onze moderne, welvarende maatschappijen, bovendien eenvoudiger kunnen verwezenlijken dan in minder welvarende samenlevingen). Illustratief hiervoor is het feit dat in de meer welvarende, post-industriële samenlevingen er een grotere kloof bestaat tussen jongens en meisjes hun affiniteit voor wiskunde (in welvarendere landen hebben meisjes een sterkere afkeer van wiskunde dan in minder welvarende landen (Charles & Bradley, 2009). Zoals al eerder op dit blog toegelicht, is het evident dat het stereotiepe beeld dat vrouwen en wiskunde niet goed samen gaan het verlangen van meisjes om wiskundige prestaties na te jagen ondergraaft. Bovendien versterken zulke effecten zichzelf omdat er een terugkoppelende werking is (feedbackeffect): meisjes ontwikkelen weinig affiniteit met wiskunde tijdens hun vroege levensjaren, nemen het stereotiepe beeld tot zich dat meisjes en wiskunde een weinig geslaagde combinatie vormen en zien af van het najagen van wiskundige prestaties en wiskundig-georiënteerde studierichtingen en denken dat het zo hoort want het aantal meisjes dat daar wel voor kiest is nu eenmaal klein in hun samenleving, wat dan weer de stereotiepe opvatting versterkt dat meisjes en wiskunde niet goed samengaan. 
 
VAN STUDENT TOT PROF
 
Naast de seksgesegregeerde studiedomeinen wordt ons hoger onderwijs nog op een tweede manier door genderongelijkheid doorkruist. Zoals zoveel sectoren heeft ook de academische wereld een glazen plafond.
 
Zoals gezegd overtreft het aantal vrouwelijke studenten al geruime tijd het aantal mannelijke studenten. Bovendien zijn de studenten met de hoogste cijfers vaak vrouwen. Wat opvalt, is dat vrouwen het in alle studiegebieden beter doen dan mannen, ook in de 'mannelijke' studiegebieden. Mannen behalen bijvoorbeeld gemiddeld 56% van de opgenomen studiepunten, vrouwen halen een gemiddeld studiesucces van 65%. Toch treden slechts enkele van de beste vrouwelijke studenten toe tot het academisch corps en is het de kleinere groep mannelijke studenten die het merendeel van de personeelsleden levert. Nationale en internationale statistieken tonen aan dat het aantal vrouwelijke personeelsleden afneemt naarmate de academische loopbaan vordert. Dit fenomeen wordt ook wel de leaky pipeline (lekkende pijpleiding) genoemd en leidt onmiskenbaar tot nodeloze verspilling van talent, kennis en kwaliteit.

In 2008 was in Vlaanderen 54% van de studenten een vrouw, van de doctorandi was 51,4% vrouw, van de post-docs waren er 43,6% vrouwen, 31,6% van de docenten was vrouw, 23% van de hoofddocenten, 14,8% van de hoogleraars en 9,7% van de gewoon hoogleraars. U zou kunnen denken dat dit een misleidend beeld geeft omdat deze figuur een overzicht geeft van het plaatje op het niveau van de gehele universiteit. Stel bijvoorbeeld dat er slechts 2 studiedomeinen zouden zijn (A en B) en dat deze sterk van elkaar verschillen, zowel qua studentenaantallen als qua instroom van jongens en meisjes, maar niet qua omvang (i.e. het aantal onderzoekers dat er in het domein kan worden tewerkgesteld). In studiegebied A bevinden er zich 100 studenten, 80 jongens en 20 meisjes. Studiegebied B heeft daarentegen 1000 studenten, waarvan 800 meisjes en 200 jongens. In beide domeinen is er plaats voor 20 doctorandi. Neem ter vereenvoudiging ook aan dat meisjes en jongens dezelfde resultaten kunnen voorleggen. Indien er in dergelijke situatie een evenredige doorstroming van jongens en meisjes zou bestaan van student naar doctorandus dan zouden er 16 mannelijke en 4 vrouwelijke doctorandi zijn in studiedomein A en 4 mannelijke en 16 vrouwelijke doctorandi in domein B. Op geaggregeerd niveau van de universiteit zijn er dan 50% vrouwelijke en 50% mannelijke doctorandi, terwijl er amper 25% mannelijke studenten waren. Toch is er in dit geval duidelijk geen sprake van een glazen plafond.
 
Helaas verklaart dit niet wat er aan de hand is. Het beeld is immers hetzelfde wanneer men gaat kijken binnen elk studiedomein afzonderlijk. Zelfs in domeinen waar mannelijke studenten haast een rariteit zijn, wordt het fenomeen van de leaky pipeline geobserveerd. Zoals op de onderstaande figuur te zien is, zijn vrouwelijke professoren in alle studiedomeinen in de minderheid en in de meeste gevallen is dat een understatement. Zelfs binnen de psychologie (PP) waar vrouwen 83% van het studentencorps uitmaken, zijn er bijna geen vrouwelijke professoren terug te vinden.

Dit fenomeen kan niet worden verklaard door verschillen in motivatie of carrièreoriëntatie. Wel is het zo dat vrouwen wanneer zij hetzelfde werk afleveren als mannen niet op dezelfde wijze beoordeeld worden. Een man heeft meer kans om te worden aangeworven voor een academische positie zelfs wanneer zijn CV identiek is aan dat van een vrouwelijke kandidaat (Steinpreis et al., 1999). Uit een artikel uit Nature (Wennerås & Wold, 1997) bleek bijvoorbeeld ook dat het peer review proces voor de toekenning van postdoctorale beurzen bevooroordeeld is ten aanzien van vrouwelijke wetenschappers. Bovendien wordt wat vrouwen verwezenlijken vaak ook nog toegeschreven aan toeval (of aan hun mannelijke collega's) terwijl mannen hun verwezenlijkingen het gevolgd zijn van hard werk, toewijding of genialiteit. Mannen en vrouwen worden dus simpelweg niet beoordeeld volgens dezelfde maatstaven, zelfs niet wanneer er proceduress zijn die een objectieve beoordeling tot doel hebben. Gelijke kansen- en diversiteitsbeleiden ten spijt is het vrouwen dus nog steeds niet gegeven om dezelfde maatschappelijke status te verwerven als mannen, ook niet aan de universiteit.
 
 
 
Referenties
 

Charles, M. & K. Bradley (2009) Indulging our gendered selves: Sex segregation by field of study in 44 countries. American Journal of Sociology, 114, 924-976

Charles, M. & D. B. Grusky (2004) Occupational ghettos: The worldwide segregation of women and men. Stanford: Stanford University Press.

Steinpreis, R. E. et al. (1999) The impact of Gender on the Review of the Curricula Vitae of Job Applicants and Tenure Candidates: A National Empirical Study. Sex Roles, 41, pp. 509-528

Wennerås, C. & A. Wold (1999) Nepotism and sexism in peer-review. Nature, 387, pp. 341-344

Williams, J. C. & N. Segal (2003) Beyond the Maternal Wall: Relief for Family Caregivers Who are Discriminated Against on the Job. Harvard Women's Law Journal, 26, pp. 77-162

Williams, J. C. (2005) The Glass Ceiling and the Maternal Wall in Academia. New Directions in Higher Education, 130, pp. 91-105

 

 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Wist-je-dat ...

16 September 2009, 09:30

Nobody will ever win the battle of the sexes; there's just too much fraternizing with the enemy.

Iedereen weet dat de gemiddelde man groter is dan de gemiddelde vrouw (in België ongeveer 179,5 cm tegenover 167,8 cm) terwijl vrouwen, op elke leeftijd, een hogere levensverwachting hebben dan mannen (in België ongeveer 82 jaar tegenover 77), maar wist u ook al dat ...

- ook mannen een hormonale cyclus hebben (dag- en seizoensgebonden);

- de 'mannelijke' androgene hormonen (o.a. testosteron) en de 'vrouwelijke' oestrogene hormonen (o.a. estradiol) zowel door mannen als vrouwen worden aangemaakt;

- er voor elke 100 meisjes zowat 124 jongens worden verwekt, terwijl er toch slechts 105 jongens worden geboren voor elke 100 meisjes;

- de geslachtsbepaling van vele reptielen temperatuur-afhankelijk is;

- de geslachtsbepaling in vogels, net als bij mensen chromosomaal gebeurt (maar via de eicel en niet via het sperma);

- 91% van wie gearresteerd wordt voor moord en doodslag een man is;

- het meeste aantal kinderen dat ooit op de wereld werd gebracht door een vrouw 69 bedraagt  (27 bevallingen tussen 1725 en 1765); 

- vrouwen niet babbelzieker dan mannen zijn; 

- vanaf de jaren '20 tot ongeveer de jaren '40 blauw de kleur voor babymeisjes was en roze die voor babyjongetjes;

- de gemoedstoestand van vrouwen beter verklaard kan worden aan de hand van de werkweek-weekend-cyclus dan door middel van hun menstruele cyclus;

- de rijkste vrouw(en) (Alice en Christy Walton) ter wereld (elk) ongeveer 12 miljard euro bezit(ten) (daarmee halen ze de top 10 der rijkste mensen op de wereld niet; Bill Gates bezit zowat 28 miljard euro);

- 20% van alle kaderleden vrouw is, maar dat dit bij de grootste beursgenoteerd ondernemingen amper 10% is en op de allerhoogste bestuursniveaus is zelfs nog amper 3% vrouwen terug te vinden;

- de instroom van vrouwen bij accountancy- en auditkantoren oploopt tot meer dan 50%;

- mannen niet meer 'aanleg' voor wiskunde hebben dan vrouwen;

- in Vlaanderen een vrouw bijna tweemaal zoveel tijd aan huishoudelijk werk besteed als een man (24u tegenover 14u per week);

- de huishoudelijke taken die mannen en vrouwen op zich nemen bovendien nog steeds sterk gendergekleurd zijn (vrouwen koken, wassen en kuisen, mannen klussen en tuinieren); 

- mannen en vrouwen, in verhouding tot de rest van hun lichaam, even grote hersenen hebben;

- het aantal vrouwelijke studenten aan onze universiteiten al geruime tijd het aantal mannelijke studenten overtreft;

- de academische wereld niettegenstaande een mannenbastion blijft: in 2002 was 76,2% van de docenten een man, 83,1% van de hoofddocenten, 88% van de hoogleraren en 93,2% van de gewoon hoogleraren;

- er tal van verschillen zijn tussen de hersenen van mannen en vrouwen; 

we van de meeste van deze hersenverschillen niet weten welke verschillen in gedrag ze veroorzaken (indien ze al verschillen in gedrag zouden veroorzaken).

 

 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Bibliotheek

15 September 2009, 08:30
Het idee dat mannen en vrouwen fundamenteel van elkaar verschillen leeft sterk in onze cultuur, getuige de eindeloze rij aan bestsellers over dit onderwerp. 
 
 
Zulke boeken vertellen helaas vaak slechts halve verhalen, schetsen een eenzijdig (en dus onvolledig) beeld en bevestigen vooral reeds bestaande stereotype opvattingen
 
Soms vertellen ze zelfs ronduit onwaarheden. In The Female Brain wist Louann Brizendine bijvoorbeeld te vertellen dat vrouwen ongeveer 20.000 woorden per dag uitspreken en mannen slechts 7.000, een cijfer dat al snel werd opgepikt en verspreid door populaire media (en alzo het bestaande stereotype beeld van de babbelzieke vrouw bevestigde, versterkte en verder verspreidde). Hoewel betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek [1] heeft aangetoond dat vrouwen in werkelijkheid helemaal niet meer woorden per dag gebruiken dan mannen (het gemiddelde ligt voor beide rond de 16.000 woorden met zeer grote individuele variaties), zijn die cijfers (zeker in het Engelstalige taalgebied) zowat uitgegroeid tot een soort van culturele mythe.
 
Tegen de schade die zulke boeken aanrichten kan weinig worden gedaan, maar ik hoop de geïnteresseerde lezer in deze sectie toch wat literatuur te kunnen aanraden die een vollediger en juister beeld schetst. Soms zal ik mij richten tot de wetenschappers onder u en verwijzen naar sterk gespecialiseerde literatuur, maar net zo vaak zal ik naar meer toegankelijke literatuur verwijzen (d.w.z. literatuur die minder gespecialiseerde voorkennis van de lezer vereist). 
 
 
[1] Mehl, M. R. et al. (2007) Are Women Really More Talkative Than Men? Science 317 (5834): 82
 

 
 
Dit artikel is om tal van redenen belangrijk, een klassieker en nog steeds aan te raden leesvoer. Het artikel was baanbrekend omdat het een van de eerste artikels uit de sociale wetenschappen  was waarin de term gender gebruikt werd om te verwijzen naar kenmerken die socio-cultureel als mannelijk of vrouwelijk worden beschouwd (tegenover sex dat naar biologische mechanismen verwijst). Het artikel groeide bovendien uit tot een klassieker omdat het (mede omdat het in het in het populaire en veel gelezen tijdschrift American Psychologist gepubliceerd werd) tal van sociale wetenschappers (voornamelijk psychologen) ervan wist te overtuigen om de term gender differences te gebruiken in plaats van de voorheen vaak (onterecht) in de mond genomen sex differences. Hoewel het artikel ondertussen 30 jaar geleden verscheen, is het nog steeds goed leesbaar en blijft de inhoud ervan (pijnlijk) relevant.
 
De waarde van dit artikel werd onlangs ook nog eens onderstreept in het tijdschrift Feminism & Psychology dat er haar volledige november-editie van 2007 aan wijdde.
 
ABSTRACT: This article discusses issues associated with the study of sex differences by psychologists. The author discusses definitions of sex as a subject variable and as a stimulus variable. The term gender is introduced for those characteristics and traits socioculturally considered appropriate to males and females. The rationale for this addition to the psychological vocabulary is that the term sex implies biological mechanisms. Differences between females and males hat are merely descriptive are frequently assumed to have biological origins. The present terminology facilitates biologically determinist models of sex differences which make it less likely that environmental sources of such differences will be explored. The author examines the area of sex differences in cerebral laterality to illustrate this process. In contrast, research on gender is more concerned with the sociocultural factors that contribute to sex differences. The author suggests that differential use of the term sex indicates different paradigms for the examination of sex differences and that psychological terminology should reflect this distinction.
 

 
 
Cecilia Ridgeway (Stanford University) heeft reeds tal van artikels op haar naam staan waarin ze op eloquente wijze het  belang en de werking van gender uit de doeken heeft gedaan. In de nabije toekomst mag er van haar hand ook het boek Framed By Gender: How Gender Inequality Persists in the Modern World verwacht worden. In het huidige artikel legt ze helder klaar uit hoe gender ons doen en laten beïnvloedt, hoe het de wijze waarop we de wereld rondom ons heen waarnemen en beleven kleurt, hoe gender bovendien altijd en overal aanwezig is! Bovendien illustreert ze haar theoretische betoog  en het belang ervan met twee empirische voorbeelden: ze legt uit waarom flexibele (in vergelijking met meer traditionele, hiërarchische) organisatievormen soms wel en soms niet voordelig zijn voor vrouwen, en ze legt uit waarom ook in welvarende landen studiedomeinen sterk seks-gesegregeerd zijn. Wie wil begrijpen wat gender is en hoe het zijn werk doet, mag niet aan dit artikel voorbijgaan.    
 
ABSTRACT: In this article, I argue that gender is a primary cultural frame for coordinating behavior and social relations. I describe the implications for understanding how gender shapes social behavior and organizational structures. By my analysis, gender typically acts as a background identity that biases, in gendered directions, the performance of behaviors undertaken in the name of organizational roles and identities. I develop an account of how the background effects of the gender frame on behavior vary by the context that different organizational and institutional structures can set but can also infuse gendered meanings into organizational practices? Next, I apply this account to two empirical illustrations to demonstrate that we cannot understand the shape that the structure of gender inequality and gender difference takes in particular instituational or societal contexts without taking into account the background effects of the gender frame on behavior in these contexts.

Geschreven in BibliotheekVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Gender hier, gender daar, gender overal

04 September 2009, 10:35

Reinout Verbeke kondigde het voor de zomer al aan op zijn Blogspotter, maar vanaf vandaag zijn we ook werkelijk van start gegaan met de Engelstalige versie van deze blog.

Na een (lange) zomervakantie vliegen we er vanaf volgende week ook hier opnieuw in. 

In afwachting beginnen we in elk geval vanaf vandaag met de aanleg van een heuse bibliotheek (in navolging van de wiskundige boekenrubriek van Rudi Penne en Paul Levrie).

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

My PhD

28 Mei 2009, 09:00
Het is nu net iets meer dan een jaar geleden sinds dit blogportaal gelanceerd werd en ik mijn eerste blogpost schreef. Slechts enkele maanden daarvoor had ik mijzelf een bureau verworven aan de Vrije Universiteit Brussel en had ik een doctoraatsonderzoek aangevat. Ik heb het voorbije jaar geblogd over tal van onderwerpen die weinig met elkaar gemeen hebben (van de Olympische spelen over kiessystemen tot partnergeweld en wiskundemeisjes), behalve dat ze allen weinig tot geen verband houden met het wetenschappelijke werk waarmee ik me bezighoud in het kader van mijn doctoraatsonderzoek. Daar komt vandaag verandering in. Zoals ik u vorige maand beloofd heb, ga ik in dit blogbericht dieper ingaan op een vraag die is weggeplukt uit mijn doctoraatsonderzoek (en waarover ik zeer recentelijk niet enkel gepresenteerd heb op de hier aangekondigde 'Tweespraak Vrouwenstudies', maar tevens op congressen van de 'American Accounting Association' en de 'European Accounting Association'):
 
Hoe vrouwelijk zijn vrouwelijke auditors?

AUDITING EN DE AUDITOR

U kan zich hier waarschijnlijk net zo weinig bij voorstellen als bij het zoeken van nulpunten op de zeta-functie, maar laat dat hopelijk over enkele minuten anders zijn.  Nochtans kent waarschijnlijk (minstens van naam) iedereen de zogenaamde 'Big 4' (Deloitte, Ernst & Young, KPMG, PWC) die verantwoordelijk zijn voor de ruime meerderheid van de wettelijke audits die er worden uitgevoerd. Wat is een 'auditor' (in België overigens bedrijfsrevisor genoemd)? Wat is 'auditkwaliteit'? En waarom zou 'auditor-gender' een invloed (kunnen) hebben op 'auditkwaliteit'? Een auditor is in essentie een 'waakhond'. Zijn taak bestaat er in om de financiële verslaggeving (voornamelijk de jaarrekeningen) van ondernemingen te controleren op hun getrouwheid (i.e. geven ze een waarheidsgetrouw beeld van de economische realiteit weer). De Belgische bedrijfsrevisor die de wettelijke controle uitvoert, draagt voor dat mandaat de titel van commissaris en wordt gekozen uit de leden van het IBR (Instituut van de Bedrijfsrevisoren). Het kan gaan om een natuurlijke persoon of om een rechtspersoon (auditkantoor). In het laatste geval moet de rechtspersoon-commissaris onder haar vennoten, zaakvoerders of bestuurders een vaste vertegenwoordiger aanduiden die  dan wordt belast met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon-commissaris. De commissaris wordt in België benoemd door de algemene vergadering van de onderneming voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. Enkel 'grote' vennootschappen zijn verplicht een commissaris aan te stellen (e.g ondernemingen met meer dan 50 werknemers).
 
Het belang van deze controle door de wettelijke auditor is dat ze de financiële verslaggeving van een onderneming een verhoogde geloofwaardigheid geeft, wat (in geval van gunstige cijfers) bijvoorbeeld belangrijk is om krediet te verkrijgen bij de bank tegen gunstige kredietvoorwaarden of om uitstel van belang te verkrijgen bij leveranciers.

AUDITKWALITEIT

De kwaliteit van het wettelijk toezicht ('auditkwaliteit') is afhankelijk van de mate waarin een auditor materiële afwijkingen in de financiële overzichten van de gecontroleerde onderneming ontdekt en rapporteert (DeAngelo, 1981) (materiële afwijkingen zijn fouten/onvolmaaktheden die de beslissingen van derden, zoals investeerder, kunnen beïnvloeden of wijzigen). Naast tal van andere kenmerken zoals de juridische omgeving, de bedrijfscultuur en grootte van het auditkantoor, is de kans dat een auditor een materiële afwijking ontdekt en rapporteert afhankelijk van de persoonlijke kenmerken van de auditor (e.g ervaring). De auditor dient dus over de nodige deskundigheid te beschikken om controle-informatie te verzamelen en te analyseren.
Het is die expertise  - en zijn onafhankelijkheid - die de (wettelijke) auditor onderscheiden van de accountant/boekhouder (en de interne auditor). (Breesch & Branson, 2007) Het belang van dit alles werd zeer duidelijk (en pijnlijk) aan het grote publiek ten tijde van de schandalen rond Enron en WorldCom.

 

DE IMPACT VAN AUDITOR-GENDER OP AUDITKWALITEIT

Omdat auditing uiteindelijk een kwestie van oordelen en het nemen van besluiten is (Knechel, 2000), is auditkwaliteit finaal afhankelijk van de mate waarin de auditor oordelen en besluiten van hoge kwaliteit neemt, bijvoorbeeld omtrent de hoeveelheid en het type 'bewijsmateriaal' dat verzamelt dient te worden of omtrent de betrouwbaarheid die er moet worden gehecht aan de informatie die door de managers van de onderneming wordt verstrekt. Naast de evidente kwaliteiten waar een auditor uiteraard moet over beschikken hiervoor (deskundigheid en onafhankelijkheid, zie supra) zijn er aantal persoonlijke karakteristieken die hier een invloed kunnen op hebben: probleemoplossen, risico-voorkeur en de mate van cognitieve verstoring. En hier wordt het interessant, want er is tal van onderzoek dat aangeeft dat er in deze domeinen wel eens verschillen zouden kunnen bestaan tussen mannen en vrouwen en zeer recent hebben er een aantal 'audit-onderzoekers' dan ook deze bevindingen uit de literatuur als startpunt genomen om hypothesen te formuleren en te testen omtrent de relaties tussen auditor-gender en auditkwaliteit (bijv. Ittonen & Peni, 2009).
 
Vooral wiskundig probleemoplossen is voor auditors belangrijk en de meeste studies (e.g. Penner & Paret, 2008) vinden terug dat mannen hier ietsje beter op scoren dan vrouwen (zie  eerder op dit blog). Er zijn ook tal van studies (e.g. Graham, 2002) waaruit blijkt dat vrouwen afkeriger staan tegenover het nemen van risico's (al wordt soms ook geclaimed dat genderverschillen in risicioattitude meer vooroordeel dan feit zijn; e.g. Schubert e.a. 1999), zelfs wanneer die vrouwen financiële professionals zijn (Olsen & Cox, 2001). Aangaande cognitieve verstoringen (zie ook hierover eerder op dit blog) zijn er aanwijzingen voor handen waaruit blijkt dat vrouwen hun denken minder cognitief verstoord wordt dan dat van mannen, vooral verschillen in 'overconfidence' zijn goed onderzocht (e.g. Bengtsson e.a. 2005). Aannemende dat zulke verschillen tussen mannen en vrouwen inderdaad bestaan dan lijkt dit een goede basis om hypothesen op te bouwen omtrent auditor gender en auditkwaliteit. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen verwachten dat vrouwelijke auditors, omdat ze risico-afkeriger zijn, vaker bezorgdheid uiten omtrent het voortbestaan van ondernemingen. Of men zou, als men aanneemt dat vrouwelijke auditors minder overmoedig zijn, kunnen vermoeden dat vrouwelijke auditors meer tijd en middelen besteden aan een auditopdracht en aldus een hoger audithonorarium moeten aanrekenen (een gedachtegang die Ittonen & Peni, 2009 volgen).

RANDOM SAMPLING

Dit soort van studies lijkt een goed vertrekpunt, maar het is niet zo vanzelfsprekend als het op het eerste gezicht lijkt dat auditor-gender inderdaad relevante kennis verschaft aan wie geïnteresseerd is in auditkwaliteit. Wat betekent het in feite dat '(auditor-)gender relevante kennis oplevert'? Ik zou het niet zo goed kunnen verwoorden als Dawkins (1981:12) het ooit deed dus laat ik dat ook maar niet proberen: 

If, then, it were true that the posession of a Y chromosome had a causal effect on, say, musical ability or fondness for knitting, what would this mean? It would mean that, in some specified population and in some specified environment, an observer in possession of information about an individual's sex would be able to make a statistically more accurate prediction as to the person's musical ability than an observer ignorant of the person's sex. The emphasis is on the word 'statistically', and let us throw in an 'other things being equal' for good measure. The observer might be provided with some additional information, say on the person's education or upbringing, which would lead him to revise, or even reverse, his prediction based on sex. If females are statistically more likely than males to enjoy knitting, this does not mean that all females enjoy knitting, nor even that a majority does.

Het is duidelijk dat we in een context van auditor-gender over meer informatie beschikken dan enkel geslacht. Genderverschillen zijn zeer sterk context-afhahnkelijk (zie in verband met risico-attitude bijvoorbeeld Boyer & Barnes, 2009). Bovendien verstrekt die bijkomende informatie (d.w.z. 'het gaat om auditors') mogelijk goede redenen om voorspellingen bij te sturen (bijvoorbeeld omtrent risico-attitude). Het is immers niet vanzelfsprekend dat genderverschillen die eventueel aanwezig zijn op het niveau van de gehele bevolking ook aanwezig zijn in de specifieke subpopulatie van auditors. De vraag rijst bijgevolg in hoeverre het 'auditor zijn' effecten uitwist (door zelfselectie of door leereffecten ten gevolge van onderwijskundige en professionele vorming) van het 'gender doen'. Anders gezegd: "Hoe vrouwelijk zijn vrouwelijke auditors?"

Vrouwelijke en mannelijke auditors zijn immers overduidelijk geen willekeurige steekproeven en er kan dus niet a priori worden aangenomen dat vrouwelijke (en mannelijke) auditors representatief zijn ten aanzien van deze kenmerken. Zo is het bijvoorbeeld redelijk om te veronderstellen dat auditors minder risico-afkerig zijn dan het gemiddelde individu net zoals ook studenten financiële economie dat zijn (cf. Sjöberg & Engelberg, 2009). Het lijkt ook logisch om aan te nemen dat wie werkzaam is in een 'cijferberoep' over meer dan gemiddelde wiskundige probleemoplossende vaardigheden beschikt. Gezien de vertrouwdheid die auditors hebben met  statistische aangelegenheden zoals het nemen van steekproeven mag ook worden verwacht dat auditors hier bekwamer in zijn dan een gemiddeld persoon en dat (eventueel) hierin geen verschil tussen mannelijke en vrouwelijke auditors bestaat. In elk geval zijn vrouwelijke en mannelijke auditors geen willekeurige steekproeven uit de bevolking en het is welgeweten hoe belangrijk context is voor elk van deze karakteristieken. Het is ook welbekend dat voorkeuren en gedrag kunnen resulteren in een vicieuze cirkel van stimuli en respons, met zelfs veranderingen in de breinstructuur tot gevolg (via synapsvorming, dendrietengroei- en vertakkingen, celgrootte, vorming van nieuwe neuronen) (cf. Halpern, 2004; Draganski, 2004; Li, 2003, 2008). Zo zijn er bijvoorbeeld geen of slechts verwaarloosbare verschillen terug te vinden in ruimtelijk inzicht tussen mannen en vrouwen die  werk verrichten (Govier & Feldman, 1999) of actief zijn in een studiegebied (Quaiser-Pohl & Lehmann, 2002) waarvoor ruimtelijk inzicht belangrijk is.
 
Zonder empirisch onderzoek kan dus niet worden uitgemaakt of er (betreffende wiskundig probleemoplossen, cognitieve verstoringen, risico-attitude en eventuele andere persoonlijke karakteristieken die relevant zouden kunnen zijn in het licht van auditkwaliteit) verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke auditors bestaan (en of, als ze zouden bestaan, die verschillen kleiner, groter of hetzelfde zouden zijn als tussen de 'gemiddelde man' en de 'gemiddelde vrouw'). Laat staan dat zonder empirisch onderzoek zou kunnen worden uitgemaakt of zulke verschillen van een grootteorde zijn die ook praktische relevantie heeft.

Dat is in zekere zin logisch. In feite is het ook niet meer dan een toepassing van het wetenschappelijke principe dat aan de basis van veralgemening ligt: representativiteit bekomen door middel van willekeurige steekproeven. Een steekproef heet willekeurig (at random) te zijn wanneer iedereen in de populatie evenveel kans heeft om geselecteerd te worden. Elkeen die ooit een minimum aan statistisch en/of wetenschappelijk onderricht heeft gekregen zal u kunnen vertellen dat willekeurige steekproeven noodzakelijk zijn om (met redelijke zekerheid) te kunnen aannemen dat wat geldt voor de steekproef ook geldt voor de populatie (waaruit de steekproef afkomstig is) in haar geheel. Anders gezegd, dat de resultaten generaliseerbaar (of veralgemeenbaar) zijn. Dus niet enkel omwille van statistische redenen zijn willekeurige steekproeven wenselijk, maar ook vanuit praktisch oogpunt: als onderzoeker wil je niet enkel iets kunnen vertellen over het beperkte aantal casussen dat je hebt onderzocht (bijvoorbeeld de seksuele voorkeur van de 121 of 10.000 mensen die je hebt bevraagd), maar over de populatie in zijn geheel (bijvoorbeeld de seksuele voorkeur van alle Belgen). Hoewel dit al te vaak wordt vergeten (hoe gewichtig wordt er niet al te vaak gedaan over waardeloze opiniepeilingen op websites van ene of gene televisiezender) is dit in principe algemeen geweten. Veel vaker gaat het mis wanneer de omgekeerde situatie zich voordoet, wanneer men uit het algemene het bijzondere wil afleiden. In zulke gevallen vergeet men simpelweg al te vaak om vragen te stellen als "Hoe vrouwelijk zijn vrouwelijke auditors?" (waarmee we in feite niet meer willen zeggen dan: "Zijn, ten aanzien van o.a. risico-attitude, auditors representatief voor de gehele bevolking?"). Zoals hierboven uitgeld is dat een vraag die empirisch beantwoord dient te worden.
 
Nog minstens tot 31/12/2011 zal ik me met deze problematiek bezighouden en op dat ogenblik zal ik hopelijk niet enkel kunnen vertellen of auditkwaliteit geassocieerd is met auditor-gender, maar tevens waarom dit zo is (en 'hoe vrouwelijk vrouwelijke auditors dus nog zijn'). Voorlopig beperk ik me tot een methodologische les en een goed advies: vraag u volgende keer wanneer u weer eens hoort dat "wetenschappers hebben bewezen dat ..."  op zijn minst af: 'Is de door die wetenschappers onderzochtte steekproef een willekeurige steekproef?' (en dus: 'Zijn de door die wetenschappers gevonden resultaten generaliseerbaar?')
 
 
Referenties
 
Bengtsson, Claes e.a. (2005) Gender and Overconfidence. Economics Letters, 86, 2, pp. 199-203
 
Boyer, Ty W. & James P. Barnes (2009) Adolescent Risk-Taking. Journal of Applied Development Psychology, 30, 1, pp. 23-33
 
Breesch, Diane & Joël Branson (2007) Jaarrekeninganalyse en auditing. Brugge: die Keure
 
Dawkins (1981) The Extended Phenotype. Oxford: W.H. Freeman & Co.
 
DeAngelo, Linda E. (1981) Auditor Size and Audit Quality. Journal of Accounting and Economics, 3, 3, pp. 183-199
 
Draganski, Bogdan e.a. (2004) Neuroplasticity: Changes in grey matter induced by training. Nature, 427, 6972, pp. 311-312
 
Govier, Ernest & Janice Feldman (1999) Occupational Choice and Patterns of Cognitive Abilities. Britisch Journal of Psychology, 90, 1, pp. 99-108
 
Graham, Judy F. (2002) Gender Differences in Investment Strategies. International Journal of Bank Marketing, 20, 1, pp. 17-26
 
Halpern, Diane F. (2004) A Cognitive-Process Taxonomy of Sex Differences in Cognitive Abilities. Current Direction in Psychological Science, 13, 4, pp. 135-139
 
Ittonen & Peni (2009) Auditor's Gender and Audit Fees. Paper gepresenteerd op het 32ste 'Annual Congress of the European Accounting Association', 12-15 mei 2009, Tampere/Finland
 
Knechel, Robert W. (2000) Behavioral Research in Auditing and its Impact on Audit Education. Issues in Accounting Education, 15, 4, pp. 695-712
 
Li, Shu-Chen (2003) Biocultural Orchestration of Development Plasticity Across Levels. Psychological Bulletin, 129, 2, pp. 171-194
 
Li, Shu-Chen (2008) Brain is also Dependent Variable. Research in Human Development, 5, 2, pp. 80-93
 
Olsen, Robert A. & Constance M. Cox (2001) The Influence of Gender on Perception and Response to Investment Risk. The Journal of Psychology and Financial Markets, 2, 1, pp. 29-36
 
Penner, Andrew M. & Marcel Paret (2008) Gender Differences in Mathematics Achievment. Social Science Research, 37, 1, pp. 239-253
 
Quaiser-Pohl, Claudia & Wolfgang Lehmann (2002) Girls' Spatial Abilities. British Journal of Educational Psychology, 72, 2, pp. 245-260
 
Schubert, Renate e.a. (1999) Gender and Economic Transactions - Financial Decision Making: Are Women Really More Risk Averse? American Economic Review, 89, 2, pp. 381-385
 
Sjöberg, Lennart & Elisabeth Engelberg (2009) Attitudes to Economic Risk Taking, Sensation Seeking and Values of Business Students Specializing in Finance. Journal of Behavioral Finance, 10, 1, pp. 1-11
 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Puzzelen met Wiskunde

16 April 2009, 09:00

Een blogbericht over wiskunde, origami en goocheltrucs

Gisteren gelezen in mijn krant: "Een 39-jarige man uit Eindhoven sloeg zaterdagnacht met zijn wagen op de E19 over kop en was op slag dood. Het 3-jarige dochtertje, dat in een zitje achter in de auto zat, moest in kritieke toestand naar het ziekenhuis worden gebracht. In het ziekenhuis was de beste chirurg van het land voor handen, maar die kon de operatie niet uitvoeren: Ik kan haar niet opereren, want zij is mijn dochter luidde het commentaar."

Hoe kan dit vraagt u zich ongetwijfeld af (en niet alleen omwille van het vreemde – uiteraard, gelukkig, niet werkelijk uit mijn krant geplukte verhaal). 

Neen, omdat gender een van onze primaire culturele frames is (cf. Ridgeway, 2009), hebt u zich waarschijnlijk (minstens voor even) afgevraagd hoe de eerste en de laatste zin met elkaar te verzoenen zijn – hoe kan het meisje uit het ongeluk de dochter van de chirurg zijn als haar vader op slag dood was na het ongeluk? 

Wat het precies betekent dat gender een primair cultureel frame is zal ik in een van mijn volgende blogberichten toelichten, maar allereenvoudigst gezegd komt het er op neer dat we elke specifieke (zowel levende, virtuele als zelfs fictieve) persoon waarmee we worden geconfronteerd automatisch en haast onmiddellijk in of het hokje 'vrouw' of het hokje 'man' indelen ('gender-categorizeren'). Daarom denken we bij het lezen van het woord 'chirurg' in de eerste plaats onmiddellijk aan een man en sturen we dat stereotiepe beeld pas bij nadat we onszelf er op hebben gewezen dat dit duidelijk niet mogelijk is in dit geval. Om die reden associëren we 'wiskunde' ook met mannelijkheid (zie daarover eerder op dit blog) en zijn 'wiskundigen' in onze stereotiepe beeldvorming 'mannen'. 

'Man' is echter niet het enige adjectief dat we aan het stereotiepe beeld van de wiskundige verbinden. Wiskundigen zijn ook van middelbare leeftijd, dragen een bril, lopen er ouderwets gekleed bij, zijn weinig sociaal of zelfs sociaal gestoord en ze zijn saai. Ze zijn weliswaar verstandig, rationeel, mogelijk zelfs uitermate briljant of geniaal, maar ze zijn ook onpraktisch, onbekommerd om het alledaagse ... verstrooide professoren, ze zijn alleenstaand en hebben geen vrienden. (Picker & Berry, 2000, 2001; Renteln & Dundes, 2005)

De Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger (1993) dichtte zelfs het onderstaande gedicht over de saaiheid der wiskundigen:

Wortels, die nergens wortelen,
afbeeldingen voor gesloten ogen,
de oorsprong, bundels, breuken, vezels:
deze witste van alle werelden
met haar kegels, sneden en omtrekken
is jullie Beloofde Land.

Hoogmoedig verliezen jullie je
in het ontelbare, in de omvang
van de lege, de imaginaire, de irreële
en gesloten verzamelingen.
Spookachtige gesprekken
onder jongelingen:
her vermoeden van Fermat,
de welordeningsstelling van Zermelo,
het lemma van Zorn.
Als kind al verblind.
door verrassende invallen,
hebben jullie je afgewend
schouderophalend,
van onze bloedige vreugde.
Arm aan woorden
strompelen jullie, jezelf vergetend,
voortgedreven door de engel van de abstractie,
door de velden van Galois en over de
Riemann-oppervlakte,
kniediep in het discontinuum van Cantor,
door de ruimte van Hausdorff.
Dan, op je veertigste, zitten jullie,
o theologen zonder Jahweh,
zonder haar en met een hoogteziekte
in versleten pakken
voor het lege bureau
opgebrand, o Fibonacci,
o Kummer, o Gödel, o Mandelbrot,
in het vagevuur van de omkeerbaarheid.

Met dat beeld in mijn hoofd vertrok ik enige tijd terug dan ook naar een lezing van Erik D. Demaine (die kwam spreken in het kader van de 'Internationale Francqui Leerstoel' zoals al in het blog van Rudi Penne werd vermeld). Tot op die dag was Erik Demaine voor mij niet meer dan een naam geweest, de naam van bovenaan wetenschappelijke artikels. Tal val artikels, briljante artikels van een briljante wiskundige ... maar ik had me tot dan toe nog nooit geprobeerd me iets bij hem voor te stellen. Toch niet bewust althans. Op weg naar de lezing, in gesprek met enkele collega's, werd het echter duidelijk dat er zich onbewust in mijn hoofd toch een beeld gevormd had. Iets genuanceerder, maar toch ook niet, zat in mijn hoofd het stereotiepe beeld van de briljante, introverte, werkverslaafde, verwarde, sociaalgestoorde en excentrieke wiskundige. In de minuten nodig om me van mijn bureau naar het auditorium te begeven, probeerde ik me zeer bewust een beeld van Erik Demaine te vormen. De gedachte aan het feit dat de amper 28 jaar oude Demaine al sinds 2001 professor is aan de vermaarde Massachusetts Institute of Technology (MIT), versterkte uiteraard enkel het stereotiepe beeld dat ik van hem had.

Niets bleek echter minder waar te zijn. De geniale Demaine bleek alles behalve introvert, weinig sociaalonderlegd of sociaalonbekwaam, wereldvreemd of wat dan ook te zijn. Met tot de verbeelding sprekende voorbeelden over het nut van papiervouwen voor tal van domeinen en toepassingsgebieden (airbags, parachutes, eiwitten, bouwconstructies, robotica en tal van andere zaken passeerden de revue, naast het evidente origami en leuke goocheltrucs) hield hij het volgelopen auditorium moeiteloos een uur lang aan zijn lippen gekluisterd. Leuke goocheltrucs werden afgewisseld met wiskundige toelichting en uitweidingen over veelvlakken en geometrische algoritmes. Dat alles bovendien gekruid met meer dan een voldoende dosis humor.

En wat misschien nog wel het allermeest tot de verbeelding sprak, was de kinderlijke drijfveer van Demaine: "My aim is to make everything I do fun". Het deed me denken aan de woorden van Sam Walcott (2009:374), postdoctoraal onderzoeker aan de Johns Hopkins University: "Must I ignore what amuses me in favour of what makes me marketable?"

Indien David Wells ('The Penguin Dictionary of Curious and Interesting Mathematics', 'The Penguin Dictionary of Curious and Interesting Geometry', 'You Are A Mathematician') of Rudi Penne er u nog niet van overtuigd zouden hebben, dan zal Erik Demaine het zeker wel doen: wiskunde is sexy! 

Geloof mij overigens vooral niet op mijn woord, maar oordeelt u ook zelf:

Niets van mijn stereotiep beeld van 'de wiskundige' bleek van toepassing te zijn op Erik Demaine. Of, nu ja, toch bijna niets: Erik Demaine is uiteraard wel een man.

Ook aan die stereotype eigenschap van 'de wiskundige' houdt u echter beter niet vast of u kan de onderstaande grap mogelijk ooit als 'waar gebeurd' opdissen:

Two mathematicians are in a bar. The first one says to the second that the average person knows very little about basic mathematics. The second one disagrees and claims that most people can cope with a reasonable amount of math. The first mathematician goes off to the washroom, and in his absence the second calls over the waitress. He tells her that in a few minutes, after his friend has returned, he will call her over and ask her a question. All she has to do is answer "one third x cubed." She repeats "one thir–dex cue?" He repeats "one third x cubed." She asks, "one thir dex cuebd?" "Yes, that’s right," he says. So she agrees, and goes off mumbling to herself, "one thir dex cuebd…". The first guy returns and the second proposes a bet to prove his point, that most people do know something about basic math. He says he will ask the blonde waitress an integral, and the first laughingly agrees. The second man calls over the waitress and asks "what is the integral of x squared?" The waitress says "one third x cubed" and while walking away, turns back and says over her shoulder, "plus a constant!"


Referenties

Brush, Lorelei R. (1980) The Significance of Students' Stereotype of a Mathematician for Their Career Planning. Personnel and Guidance Journal, 59, 4, pp. 231-235

Enzensberger, Hans Magnus (1993) De Wiskundigen. In Toekomstmuziek. Amsterdam, De Bezige Bij. [Vertaling Michael Zeeman]

Piatek-Jimenez, Katrina (2008) Images of mathematicians: a new perspective on the shortage of women in mathematical careers. ZDM - International Journal on Mathematics Education, 40, 4, pp. 633-646

Picker, Susan H. & John S. Berry (2000) Investigating pupil's images of mathematicians. Educational Studies in Mathematics, 43, 1, pp. 65-94

Picker, Susan H. John S. Berry (2001) Your student's images of mathematicians and mathematics. Mathematics Teaching in the Middle School, 7, 4, pp. 202-208

Rensaa, Ragnhild Johanne (2006) The Image of a Mathematician. Philosophy of Mathematics Education Journal, 19

Ridgeway, Cecilia L. (2009) Framed Before We Know It: How Gender Shapes Social Relations. Gender & Society, 23, 2, pp. 145-160

Steinke, Jocelyn Steinke (2007) Assessing Media Influences on Middle School-Aged Children's Perceptions of Women in Science Using the Draw-A-Scientist Test (DAST). Science Communication, 29, 1, pp. 35-64

Walcott, Sam (2009) As simple as possible. Nature, 458, 7236, p. 37

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Bitches, Babes en Business

02 April 2009, 08:00
Sinds de massale toetreding van vrouwen op de arbeidsmarkt in de jaren '70 hebben vrouwen hun weg naar tal van beroepssectoren gevonden. Hoewel vrouwen en mannen steeds meer in gelijke mate aan het werk gaan, doen ze dat echter nog steeds grotendeels in verschillende sectoren: zo zijn het bijna uitsluitend vrouwelijke werknemers (ca. 80%) die de dienstverlening in de gezondheidszorg voor hun rekening nemen en zijn ook het onderwijs en de kleinhandel (ca. 70%) voor het grootste gedeelte in vrouwenhanden. Anderzijds zijn sectoren als de bouw en metaal quasi volledige mannenbastions (ca. 90%), is ook de ruime meerderheid van de universiteitsprofessoren nog steeds mannelijk (ca. 75%) en is minder dan 20% van alle bedrijfsrevisoren een vrouw. We bespraken eerder in dit blog al waarom vele vrouwen geeneens een carrière wensen na te streven, wat uiteraard gedeeltelijk ook de nog steeds bestaande loonkloof verklaart. De doorstroming naar topfuncties en de loonfkloof zijn belangrijke,  maar lang niet de enige (reële dan wel gestereotypeerde) genderverschillen op de arbeidsmarkt en in het bedrijfsleven: verschillen in leidingschap, horizontale segregatie, de (on)zin van een 'gender-mix', ... de arbeidsmarkt en het bedrijfsleven zijn omgeven met tal van gendervraagstukken.
 

STUDIEDAG

Op vrijdag 24 april worden tal van deze thema's tegen het licht gehouden op de jaarlijkse studiedag 'Tweespraak Vrouwenstudies' (georganiseerd door het RHEA Onderzoekscentrum voor Gender & Diversiteit van de Vrije Universiteit Brussel). Onder de titel 'Bitches, Babes & Business: het bedrijfsleven door een genderbril' wordt in deze twaalfde editie van de 'Tweespraak' een stand van zaken opgemaakt en treden academici en experten uit het werkveld met elkaar in dialoog.

 

Klik hier voor meer informatie en om in te schrijven

Voor wie geïnteresseerd is in de loonkloof, arbeidsmarktsegregatie (bijv. het glazen plafond) en tal van andere onderwerpen met betrekking tot de impact van gender op de arbeidsmarkt en in het bedrijfsleven is dit een niet te missen dag! 

In mijn volgende blogbericht zal ik dan ook dieper ingaan op het thema dat door mij op deze vormingsdag besproken zal worden: Hoe vrouwelijk zijn vrouwelijke auditors?

 

PUBLICATIES

De presentaties en discussies van de 'Tweespraak' vormen ook telkens de basis voor de publicatie van een samengesteld werk over de besproken thematiek. In deze reeks (bestel hier) verschenen zo reeds: 

- Economie feministisch bekeken

- Gegenderd onderwijs

- Weten mannen waarom? Mannelijkheid feministisch bekeken

- Vrouwen vertegenwoordigd, Wetstraat gekraakt? Representativiteit feministisch bekeken

- Literatuur en literatoren feministisch bekeken

- Vrouw (on)vriendelijk? Islam feministisch bekeken

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Partnergeweld: met stomheid geslagen

07 Maart 2009, 08:45

Sinds 1922 wordt jaarlijks op 8 maart Internationale Vrouwendag gevierd. Tijdens die ene dag wordt dan het grote publiek herinnerd aan de blijvende ongelijkheden die er ook in de 21ste eeuw nog steeds zijn tussen mannen en vrouwen. Sinds 1978 is deze dag ook door de Verenigde Naties erkend en wordt elk jaar een centraal thema naar voren geschoven. Met het thema van dit jaar ('Women and men united to end violence against women') wordt een oud zeer onder de aandacht gebracht: geweld tegen vrouwen.

Hoewel partnergeweld een belangrijke en schrijnende vorm van geweld tegen vrouwen is, is de sociale en juridische erkenning ervan eerder recent (in België werd bijvoorbeeld pas in 1997 partnergeweld als een misdrijf erkend!). In België wordt naar schatting 1 vrouw op 7 in haar leven het slachtoffer van partnergeweld (tegenover 1 man op 40)! Jaarlijks loopt het voor zo een 60 tot 80 vrouwen ook definitief fout af. Wanneer vrouwen sterven aan een gewelddadige dood is partnergeweld dan ook de meest voorkomende oorzaak (in geval van een geweldadige dood is in bijna 50% van de gevallen de (ex-)echtgenoot of vriend de dader). Partnergeweld maakt op die manier jaarlijks meer dodelijke slachtoffers dan kanker en is voor vrouwen tussen 16 en 44 jaar zelfs de voornaamste doodsoorzaak! (Krug et al. 2002)

FEMINISTISCHE THEORIE

De meest gagbare theorie voor het verklaren van partnergeweld is de feministische politieke theorie. Volgens de feministische politieke theorie is partnergeweld een manier om de patriarchische samenleving en mannelijke dominantie in stand te houden (cf. Walker, 1979; 1999). Anders gezegd, het is een gender-probleem. Het is gevolg van een verschillende socialisatie van mannen en vrouwen waarbij mannen geleerd wordt de dominante en agressieve sekse te zijn. Ze leren om hun mannelijk privileges uit te oefenen door middel van geweld en leren niet om reflectief om te gaan met emoties zoals woede en jaloezie. Partnermishandeling is vanuit dat perspectief een vorm van 'normaal geweld' (sic.); niet bedreven door gestoorde mannen, maar door mannen die geloven dat patriarchaat hun recht is, dat het huwelijk hen onbeperkte controle geeft over hun partners en dat slaan een aanvaardbaar middel is om deze controle gestalte te geven. Fysiek geweld wordt hier met andere woorden gebruikt om de dominante positie van de man (in de samenleving en binnen het gezin) te legitimeren. De feministische politieke theorie heeft de verdienste dat zij het belang van de samenleving en maatschappelijke structuren onderstreept voor het voorkomen van geweld tegen vrouwen (samenlevingen met een grotere gendergelijkheid kunnen ook beduidend lagere cijfers van geweld tegen vrouwen voorleggen). Haar verdienste is echter ook haar zwakte. Het individu handelt in een sociale context, maar het blijft een handelend individu. Het gaat niet op om niet verder te kijken dan samenlevingsfactoren en -structuren, laat staan om op basis daarvan individueel gedrag te verschonen  zoals criminologische theorieën dat te vaak doen (cf. Dalrymple, 2001).

JALOEZIE

Om partnergeweld te kunnen bestrijden en in te dijken moet men in de eerste plaats partnergeweld begrijpen, moet men haar oorzaken achterhalen. De belangrijkste reden voor geweld in romantische relaties is jaloezie. En hoewel jaloezie in de traditionele psychologische literatuur lang geportretteerd is geweest als een pathologie, als een sociaal construct of een nevenverschijnsel van de kapitalistische maatschappij is het vooral een evolutionair product dat niet meer of minder noodzakelijk is dan liefde of seks (cf. Buss, 2000). De selectiedruk waarmee mannen en vrouwen tijdens het Pleistoceen (EAA; 'Environment of Evolutionary Adaptation') werden geconfronteerd stimuleerde verschillende verdedigingsmechanismen (om hun investeringen in nakomelingen te beschermen). Vrouwen zouden daarom zwaarder tillen aan emotionele ontrouw dan aan seksuele ontrouw, terwijl mannen zwaarder tillen aan seksuele ontrouw dan aan emotionele ontrouw. Seksuele jaloezie moet dan worden opgevat als een verdedigingsmechanisme dat de kans moet verkleinen dat men investeert in nakomelingen waar men geen genetische verwantschap mee heeft. Waar vrouwen immers steeds zeker kunnen zijn van een dergelijke verwantschap is bij mannen 'vaderschapsonzekerheid' nooit geheel uit te sluiten.

Haselton en Nettle (2006) suggereren dat het mannelijke brein daardoor zo geëvolueerd is dat het geneigd is om meer 'fouten van de eerste orde' (een man besluit ten onrechte dat zijn vrouw hem bedrogen heeft) te maken dan 'fouten van de tweede orde' (een man besluit ten onrechte dat er geen overspel heeft plaatsgevonden). Tijdens de EAA waren de baten van zo een fout van de eerste orde (lagere vaderschapsonzekerheid) immers groter dan de kosten van een fout van de tweede orde (geen nakomelingen bij de vrouw in kwestie; de man kan zich echter relatief eenvoudig voortplanten). Dat heeft ertoe geleid dat mannen hypergevoelig zijn voor seksuele ontrouw. Partnergeweld moet vanuit dit perspectief dan worden opgevat als een manifestatie van seksuele jaloezie (om ontrouw te bestraffen en af te schrikken).

VAN WAAKZAAMHEID TOT GEWELD

Het grote voordeel van een evolutionaire benadering van jaloezie en partnergeweld is de voorspellende kracht van een dergelijke theorie. Daar waar socio-culturele verklaringen immers eerder beschrijvend van aard zijn, heeft de evolutionaire benadering van jaloezie en partnergeweld het voordeel dat ze duidelijke voorspellingen toelaat over wie geneigd zal zijn om partnergeweld te vertonen. Buss (1988) identificeerde verschillende vormen van bewakingsgedrag van het mannetje: 'waakzaamheid' (e.g. onverwachts opdagen om te checken hoe het met de partner gaat), 'verbergen' (e.g. de partner weghouden van sociale gelegenheden waar andere mannen aanwezig zijn), 'monopoliseren' (e.g. verlangen dat de partner thuis blijft in plaats an uit gaat). Dit soort van bewakingsgedrag zijn uitingen van jaloezie en sommige van deze gedragingen zijn, ondanks ze soms onschuldig romantisch lijken, voorboden van geweld. Shackelford et al. (2005) vonden bijvoorbeeld over drie studies terug dat mannen hun specifieke bewakingsgedrag samenhing met het al dan niet voorkomen van partnergeweld. Volgens Kaighobadi et al. (2008) is er bovendien een temporale hiërarchie van gedragingen die tot geweld leidt: te beginnen bij verdachtmakingen van ontrouw, gevolgd door niet-geweldadige vormen van bewakingsgedrag van het mannetje en eindigend in partnergeweld van de man tegen zijn vrouw.


GEEN DETERMINISME, GEEN VERSCHONING

Het spreekt voor zich dat het niet de bedoeling kan zijn om partnergeweld te verschonen door het in een evolutionair kader in te passen, net zoals maatschappelijke structuren en sociale processen geen verschoningsgrond vormen voor crimineel gedrag. Dat mannen verantwoordelijk zijn voor 91% van alle arrestaties voor moord en doodslag en voor 85% van alle partnergeweld kan echter niet alleen begrepen en verklaard worden aan de hand van socio-culturele factoren. Het evolutionaire perspectief op jaloezie biedt echter wel een aanvulling, op de traditionele psychologische en criminologische literatuur, die tot een beter begrip van het fenomeen partnergeweld kan leiden.  We hoeven (seksuele) jaloezie niet te aanvaarden omdat het een evolutionair bijproduct is (laat staan dat we extreme uitingen als partnergeweld niet zouden moeten afkeuren en bestrijden), net zoals we van liefde en seks mogen genieten ondanks ze bijproducten van de evolutie zijn. Dat mannen meer genetische aanleg voor seksuele jaloezie bezitten, maakt partnergeweld niet onontkoombaar of onbestrijdbaar (cf. Dawkins 1981). Net omdat een dergelijke genetische aanleg bestaat, is aandacht nodig voor socio-culturele factoren die partnergeweld inperken en die een vrouwvriendelijkere socialisering van mannen mogelijk maken! 

 

Extra informatie

Kalender activiteiten Internationale Vrouwendag 2009

Officiële website Internationale Vrouwendag

Website Women Watch (VN)

 

Bibliografie

Buss, David M. (1988) From vigilance to violence: Tactics of mate retention in American undergraduates. Ethology and Sociobiology, 9, pp. 291−317

Buss, David M. (2000) The Dangerous Passion: Why Jealousy Is As Necessary As Love and Sex. New York: The Free Press.

Dalrymple, Theodore (2001) Life at the Bottom: The Worldview That Makes the Underclass. Chicago: Dee.

Dawkins, Richard (1981) The Extended Phenotype. The Gene as the Unit of Selection. Oxford: W.H. Freeman and Company.

Goetz, Aaron T. et al. (2008) Punishment, proprietariness, and paternity: Men's violence gainst women from an evolutionary perspective. Aggression and Violent Behavior, 13, 6, pp. 481

Haselton, Martie G. Daniel Nettle (2006) The Paranoid Optimist: An Integrative Evolutionary Model of Cognitive Biases. Personality and Social Psycholgy Review, 10, 1, pp. 47-66

Kaighobadi, F. et al. (2008). Male mate retention mediates the relationship between female sexual infidelity and female directed violence. Personality and Individual Differences, 44, pp. 1422−1431

Krug, Etienne G. et al. (ed.) (2002) Violence by intimate partners. In World report on violence and health. Geneve: World Health Organization.

Shackelford, Todd K. et al. (2005) When we hurt the ones we love: Predicting violence against women from men's mate retention. Personal Relationships, 12, 4 , pp. 447-464

Walker, Lenore E. (1979) The battered woman. New York: Harper and Row.

Walker, Lenore E. (1999) Psychology and Domestic Violence Around the World. American Psychologist, 54, 1, pp. 21–29

Geschreven in De wereld draait doorVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Gedichtendag

29 Januari 2009, 13:08

Dit bericht zou net zo goed kunnen gaan over de genderongelijkheid in het literaire veld (zie daarvoor bijv. Tart, 2000), maar dat doet het niet. Het is vandaag gedichtendag, een beetje een vreemde dag. Een dag waarop blijkbaar niet aan poëzie valt te ontsnappen en dus ontsnapt u er ook hier niet aan. Een gedicht in plaats van een zoveelste verhaal over mannelijke dominantie en vrouwelijke achterstelling.


HET GESLACHT

 

Voor Herman de Coninck

In mannen is het koud en vaak december.
In vrouwen is het meestal mei.
Zij willen glimmen, levenslang,
vermommen zich van top tot teen
om niet voortijdig te verschrompelen.
Zij blijven bezig met verblijven.

In mannen is het koud en houdt het op.
Mijn God, hoe dol zijn zij op eindigen.
Want mannen rammelen zich klaar
en zwaargewapend met zichzelf,
besteden zij hun dagen aan verstijven.

In vrouwen heerst een soepeler geslacht
waarin iets bloesemt, iets ontboezemt,
en waar zij tederheid bewaren
of heimwee naar een meer in Zwitserland.
Zij houden van beginnen en behouden.

In mannen is het oorlog, niets dan oorlog.
In vrouwen wordt geboren, totterdood.
Zij knipperen een poosje met hun ogen,
zij fonkelen, zij woelen even
en daar ontstaat een dapper nageslacht.
Eén man volstaat en het wordt afgeslacht.

In mannen is het koud en vaak december,
in vrouwen is het altijd mei.


Luuk Gruwez

BIBLIOGRAFIE 

Tart, Indrek (2000) Poetry and Gender: Mindscapes and Publishing Opportunities. Interlitteraria, 5, pp. 306-320

Gruwez, Luuk (2000) Dieven en geliefden. Amsterdam: De arbeidpers.

Geschreven in De wereld draait doorVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Wrong, Wrong, Wrong

04 December 2008, 08:00

Bekijk de onderstaande figuur. De onderste horizontale lijn is langer dan de bovenste, juist? 


Neen, niet juist. Beide lijnen zijn precies even lang, maar ons visuele systeem misleidt ons. Het wonderbaarlijkste aan dit soort van illusies is dat ze niet verdwijnen van zodra men er van op de hoogte is gesteld: zelfs wie deze overbekende illusie van Müller-Lyer al kende voor hij dit artikel las zal toch geneigd zijn om de onderste lijn als langer te zien dan de bovenste: leren over illusies volstaat niet om ze te doen verdwijnen!

 
COGNITIEVE VERSTORINGEN

Net zoals we door onze ogen vaak misleid worden, zo worden we ook vaak misleid door onze hersenen. Rationeel denken wordt ons daardoor vaak verhinderd; dat wil zeggen dat onze oordelen en beslissingen niet in overeenstemming zijn met de normatieve voorschriften voor zulke beslissingen (bijv. door het theorema van Bayes te schenden). In het begin van de jaren '70 hebben Daniel Kahneman en Amos Tversky beargumenteerd dat mensen bij het beoordelen van complexe (onzekere) gebeurtenissen gebruik maken van vuistregels (zogenaamde 'cognitieve heuristieken'). Bij de beoordeling van nieuwe informatie zoeken we immers informatie terug die is opgeslagen in ons geheugen en vullen we ontbrekende details aan op basis van mentale schema's (zulke schema's vormen meestal een min of meer accurate weergave van de realiteit; wanneer dat niet het geval is, spreken we van een stereotype). Ze brachten hiermee een haast ongekende stroom van belangstelling en onderzoek op gang. Tal van experimenten werden ontwikkeld en uitgevoerd om het voorkomen van dit niet-rationele gedrag aan te tonen en al gauw oversteeg de interesse het psychologische domein. Sindsdien hebben tal van wetenschappers uit andere domeinen (economen, politicologen, computerwetenschappers, natuurkundigen, ...) interesse getoond in het bestaan van deze cognitieve vertekeningen en zich beziggehouden met het herhalen en bevestigen van Kahenman en Tversky's oorspronkelijke vaststellingen. De literatuur omtrent deze cognitieve vertekeningen en heuristieken ('biases' and 'heuristics') is dan ook uitgebreid en vaak geciteerd. Zo werd volgens 'ISI Web of Science' Kahneman en Tversky's artikel 'Prospect theory: An analysis of decision making under risk' de voorbije 30 jaar bijna 5000 maal geciteerd. En in 2002 leidde het zelfs tot de toekenning van de Nobelprijs voor economie aan niet-econoom Daniel Kahneman. 

 
KWIK, KWEK, KWAK (EN KWOK)

Thinking

Hoewel deze vuistregels in het algemeen bijzonder nuttig en bruikbaar zijn (zonder mentale schema’s zouden we geen enkele informatie kunnen verwerken; we zouden niets van de wereld om ons heen begrijpen), soms leiden ze tot ernstige en systematische denkfouten. (Kahneman & Tversky, 1974) Bovendien blijken zowel leken als experts door deze cognitieve vertekeningen beperkt te worden in hun mogelijkheden om rationeel te denken en ook intelligentie blijkt geen remedie.

Wat zou u bijvoorbeeld doen wanneer u met volgend probleem zou geconfronteerd worden. Een onderzoeker geeft u volgende drie nummers: '2, 4, 6'. Dit drietal gehoorzaamt aan een door de onderzoeker gekende regel. U kent de regel niet. Om de regel te achterhalen mag u andere drietallen opschrijven en voorleggen aan de onderzoeker die u vertelt of ze al dan niet voldoen aan de regel. Wat denkt u dat de regel is en welke drietallen zal u neerschrijven om uw vermoeden te testen?

Slechts plusminus 5% van de mensen slaagt er in om op dit probleem het juiste antwoord te geven! De vermoedelijke oorzaak hiervan is dat de meeste mensen een neiging tot bevestiging vertonen ('confirmation bias'). We zoeken daarom eerder naar informatie die in overeenstemming is met onze verwachtingen of we trachten onze verwachtingen op een dusdanige manier te toetsen dat we onze vermoedens bevestigd zien. Dat is een logische, menselijke reactie omdat feiten of opvattingen die strijdig zijn met onze eigen overtuigingen of verwachtingen onaangename spanning veroorzaken ('cognitieve dissonantie') die we trachten te minimaliseren. Het maakt rationeel denken echter een heel stuk moeilijker dan we vaak zouden wensen en het is een sluipend gevaar voor elke wetenschapper (die falsificatie eerder dan confirmatie behoort na te streven).

Het maakt ook dat uw antwoord op het volgende probleem voorspelbaar (en waarschijnlijk fout) zal zijn. Veronderstel dat u vier kaarten worden voorgelegd ('A', 'B', '4', en '7') en u verteld wordt dat elke kaart een zijde heeft waarop een letter staat en een zijde waarop een cijfer staat. Welke kaart(en) moet u dan omdraaien om te bepalen of de volgende bewering waar is: 'Indien een kaart op de ene zijde een klinker heeft staan dan staat er op de andere zijde een even cijfer'?

Misschien beantwoord u deze vraag correct omdat u nu op de hoogte bent van de 'confirmation bias'. Als ik u echter vertel dat mensen de neiging hebben om de kans van samengestelde gebeurtenissen te overschatten (d.w.z. men schat de kans op het voordoen van A en B groter dan de kans dat enkel A zich voordoet) en de kans op enkelvoudige gebeurtenissen te onderschatten (d.w.z. men schat de kans dat A of B zich voordoet kleiner dan de kans dat enkel A zich voordoet) zal u dat dan in staat stellen om de volgende problemen op een correcte wijze te beantwoorden?

Probleem 1: beschouw een normale dobbelsteen met 4 groene zijden en twee rode zijden. Er zal 20 maal met de dobbelsteen gegooid worden en de opeenvolging van groene zijden (G) en rode zijden (R) zal genoteerd worden. Er wordt u gevraagd om uit drie mogelijke opeenvolgingen er één te kiezen. U wint €25 telkens de door u gekozen opeenvolging gegooid wordt. Geef aan welke opeenvolging van groene en rode zijden u zou verkiezen om op te gokken indien u zoveel mogelijk geld hoopt te winnen.

A) RGRRR
B) GRGRRR
C) GRRRRR

Probleem 2: Wat is, bij benadering, de kans dat in een groep van 23 mensen twee mensen jarig zijn op dezelfde dag? (Negeer het bestaan van schrikkeljaren)

Er zijn zo letterlijk honderden taken ontwikkeld die het bestaan van tientallen verschillende vormen van cognitieve vertekeningen (e.g. 'information bias', 'outcome bias', 'anchoring', …) aantonen.

ERROR MANAGEMENT

Niettegenstaande de uitvoerige documentatie van het bestaan van dit soort van cognitieve vertekeningen, ontbreekt het in de literatuur verrassend genoeg aan een voldoende verklaring voor het bestaan ervan.

Pas zeer recent heeft de vooraanstaande evolutionaire psycholoog David Buss de 'Error Management Theory' voorgesteld ter verklaring van het voorkomen van deze cognitieve verstoringen. Volgens Buss en zijn collega's zijn cognitieve verstoringen het resultaat van evolutionaire processen (i.e. natuurlijke selectie en selectiedruk). This new theory proposes that cognitive errors result from adaptive biases that exist in the present because they led to survival and reproductive advantages for humans in the past. (Haselton & Buss, 2000:81)

Het elegante van deze theorie is dat ze niet enkel kan verklaren waarom mensen de neiging vertonen om verliezen te minimaliseren in het domein der baten terwijl ze risico-zoekend zijn in het domein der kosten (de 'prospect theory' van Kahneman en Tversky), zij verklaart tevens waarom cognitieve verstoringen überhaupt bestaan en ze kan verklaren waarom er in dit domein verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan (i.e. ten gevolge van verschillen in selectiedruk).  

 
MANNEN, VROUWEN: ALLEMAAL GEKNOEI

Hoewel het onderzoek van David Buss zich tot op heden voornamelijk beperkt heeft tot zogenaamde 'memory biases', is het zo dat cognitieve vertekeningen mogelijk een belangrijke bron vormen van verschillen tussen mannen en vrouwen (e.g. verschillen in risico-perceptie). In de traditionele psychologische literatuur (e.g. Soutar & Sweeney, 2003) is er ook enig bewijs terug te vinden dat aangeeft dat vrouwen minder te leiden hebben onder cognitieve verstoringen dan mannen. Vooral betreffende verschillen in 'overconfidence' zijn verschillen tussen mannen en vrouwen goed gedocumenteerd (e.g. Bengtsson; Persson & Willenhag, 2005; Beyer, 2002).

Op basis van mijn eigen onderzoek (Hardies, Breesch & Branson, 2008) moet ik voorlopig besluiten dat er weinig reden is om aan te nemen dat er inderdaad verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen op het vlak van cognitieve vertekeningen. Hoewel op dit ogenblik nog niet alle antwoorden van alle respondenten werden verwerkt zijn toch reeds van 324 respondenten de antwoorden geanalyseerd (125 vrouwen en 199 mannen). We legden aan elk van hen 8 problemen voor (gelijkaardig aan diegene die in dit artikel werden aangehaald) om zo te testen voor het voorkomen van 5 verschillende cognitieve vertekeningen (viz. 'confirmation bias', 'information bias', 'conjunctive and disjunctive fallacy', 'insensitivity to sample size', 'overconfidence') en vonden voor geen enkele van deze cognitieve vertekeningen een verschil tussen mannen en vrouwen.

Wat misschien tot nu toe nog wel de meest opvallende vaststelling is, is de mate waarin alle respondenten, zowel mannen als vrouwen, cognitieve vertekeningen vertonen! Niet minder dan 78% van alle (zinnige) antwoorden was cognitief vertekend! Anders gezegd: tegenover elk (normatief) correct opgelost probleem staan vier cognitief vertekende antwoorden! Het kaartenprobleem dat eerder in dit artikel werd aangehaald (de zogenaamde 'Wason selection task') werd door slechts 9 (6,5%) van onze respondenten goed beantwoord. Amper 16 (7,5%) van onze ondervraagden schreef een drietal neer dat hun verwachting zou kunnen falsificeren. Niet minder dan 156 respondenten (78,8%) verkoos de opeenvolging 'GRGRRR' boven 'RGRRR' terwijl de opeenvolging 'GRGRRR' duidelijk gedomineerd wordt door 'RGRRR' (dat betekent: telkens wanneer de combinatie 'GRGRRR' gegooid wordt, realiseert per definitie ook de combinatie 'RGRRR' zich). Een ruime meerderheid (75%) schatte ook de kans dat in een groep van 23 mensen twee mensen jarig zijn op dezelfde dag veel lager in dan de werkelijke kans van 50,7%.

En hoe bracht u het er van af? 

ML

   

DE ANTWOORDEN

1) Achterhaal de regel: de eigenlijke regel is 'stijgende nummers'. De meeste mensen komen voor de dag met veel ingewikkeldere regels en trachten hun vermoedens slechts te testen d.m.v. 'positieve' voorbeelden (i.e. drietallen die in overeenstemming zijn met hun vermoeden). Mensen die bijvoorbeeld vermoeden dat de regels 'n+2' is, testen hun vermoeden meestal op basis van drietallen als '8, 10, 12' of '22, 24, 26'. Ze proberen m.a.w. niet om hun vermoedens te falsificeren (door bijvoorbeeld aan de onderzoeker te vragen of '7, 13, 14' een drietal is dat voldoet aan de regel) waardoor ze er wel (meer en meer) overtuigd van raken dat ze de regel hebben achterhaald zonder eigenlijk ooit een stap dichter te komen bij de ontdekking van de 'echte'.

2) 4 kaarten test ('Wason selection task'): om te kunnen bepalen of deze bewering waar is dienen de kaarten 'A' en '7' te worden omgedraaid. Dat de 'A' kaart dient te worden omgedraaid zien de meeste mensen in(85 à 90%): staat er op de andere zijde immers een oneven cijfer dan is de gemaakte bewering niet waar. De meeste mensen antwoorden echter dat naast kaart 'A' ook de kaart met '4' op dient omgedraaid te worden. Kaart '4' kan echter geen relevante informatie verstrekken aangezien de bewering niets zegt over kaarten met een medeklinker (m.a.w., indien op de kaart met '4' een medeklinker op de achterzijde staat dan weerlegt dit de bewering niet). Omdat de bewering echter wel weerlegd zou worden indien op de achterzijde van de kaart met '7' een klinker zou staan dient ook de kaart met '7' te worden omgedraaid om zekerheid te verwerven over het waar of onwaar zijn van de bewering.

3) Dobbelsteen: zoals reeds in het artikel werd aangehaald dient men om zoveel mogelijk geld te winnen te kiezen voor opeenvolging 'RGRRR'.

4) Verjaardagsprobleem: in een groep van 23 (of meer) willekeurig gekozen mensen is de kans dat 2 van hen dezelfde verjaardag delen 50,7%. Naïeve intuïtie doet mensen dit echter heel wat lager schatten (de meeste mensen schatten deze kans lager dan 10%). (Klik hier voor de wiskundige uitwerking)


BIBLIOGRAFIE 

Bengtsson, Claes; Mats Persson & Peter Willenhag (2005) Gender and overconfidence. In: Economics letters, 86, 2, pp. 199-203

Beyer, Sylvia (2002) The Effects of Gender. Dysphoria, and Performance Feedback on the Accuracy of Self-Evaluations. In: Sex Roles – A Journal of Research, 47, 9, pp. 453-464

Buss, David M. (2001) Cognitive Biases and Emotional Wisdom in the Evolution of Conflict Between the Sexes. In: Current Directions in Psychological Science, 10, 6, pp. 219-223

Hardies, Kris; Diane Breesch & Joël Branson (2008) Are Female Auditors Still Women? Analyzing the gender differences affecting audit quality. ['Working Paper' ingediend voor het congres van de 'European Accounting Association', 12-15/05/2009, Tampere/Finland]

Haselton, Martie G. & David M. Buss (2000) Error Management Theory: A New Perspective on Biases in Cross-Sex Mind Reading. In: Journal of Personality and Social Psychology, 78, 1, pp. 81-91

Haselton, Marie G.; Daniel Nettle & Paul W. Andrews (2005) The Evolution of Cognitive Bias. In: David M. Buss (ed.) Handbook of evolutionary psychology, Hoboken, Wiley, pp. 724-746

Kahneman, Daniel E. & Amos Tversky (1979) Prospect theory: an analysis of decision under risk. In: Econometrica, 47, 2, p. 263-91

Kahneman, Daniel E. & Amos Tversky (1974) Judgment under uncertainty: Heuristics and biases. In: Science, 185, 4157, p. 1124-1131

Soutar, Geoffrey N. & Jillian C. Sweeney (2003) Are There Cognitive Dissonance Segments? In: Australian Journal of Management, 28, 3, pp. 227-249

Stanovich, Keith E.; Maggie E. Toplakb, & Richard F. West (2008) The development of rational thought: a taxonomy of heuristics and biases. In: Advances in Child Development and Behaviour, 36, pp. 251-286

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Girls gone Political

01 Oktober 2008, 08:15
Rwanda is sinds de verkiezingen van twee weken geleden het eerste land ter wereld met meer vrouwelijke dan mannelijke parlementsleden. 

Ook in 2008 blijven vrouwen echter vaak verstoken van maatschappelijke macht. Ook van politieke macht: gemiddeld genomen huisvest een parlement slechts 16% vrouwen. Enkel in de Scandinavische landen komt men ook in de buurt van een proportionele man-vrouw (plusminus 60-40) verdeling in de politieke arena's. Hoewel ook bij ons het politieke toneel quasi integraal gedomineerd wordt door mannelijke excellenties en partijvoorzitters scoort ons land dus nog niet eens zo slecht met zowat 35% vrouwelijke parlementsleden.
 

 
KIESSYSTEMEN
 
In democratische systemen wordt politieke macht verworven middels verkiezingen. Wie dergelijke systemen en de daarin aanwezige politieke partijen wenst te bestuderen, dient dan ook oog te hebben voor de bij verkiezingen geldende spelregels (e.g. de kiesformule, het aantal te verdelen zetels). Het zijn immers die regels die de voorwaarden scheppen die het mogelijke succes van partijen of kandidaten bepaalt.
 
Aan het belang van het kiessysteem bij het kenschetsen van een politieke context kan niet voorbij worden gegaan. Electorale regels stipuleren immers hoe stemmen worden uitgebracht en hoe zetels worden toegewezen. Op die manier scheppen ze de voorwaarden tot succes voor met elkaar in het strijdperk tredende politieke partijen en kandidaten. De keuze voor het ene of andere electorale systeem is dan ook geen zuiver technische kwestie, het is een keuze die een enorme impact kan hebben op de werking van het politieke systeem. (Blais & Massicotte, 2002) Vergelijk bijvoorbeeld de werkelijke resultaten van de federale verkiezingen van 2003 met de hypothetische situatie zonder kiesdrempel op de onderstaande figuur: reeds een kleine kiesdrempel heeft een invloed op de uiteindelijke zetelverdeling.

 
 
 
Die vaststellingen zijn belangrijk omdat electorale regels daardoor effecten sorteren op het gedrag van kiezers en politici. Het gaat daarbij zowel om een mechanisch als een psychologisch effect: The mechanical effect of electoral systems describes how electoral rules constrain the seats that can be awarded from distributions of votes, while the psychological effect deals with the shaping of voter (and party) responses in anticipation of the electoral law’s mechanical constraints (Benoit, 2006:72). De relevantie is overduidelijk: aangezien de electorale regels de omzetting van stemmen naar zetels determineren, beïnvloeden ze enerzijds het individuele gedrag (van politici en kiezers), maar beïnvloeden ze anderzijds op die manier ook het uitzicht van het politieke landschap en het partijsysteem. Een pleidooi als dat van Monique Leyenaar (2004) voor een vrouwvriendelijk  kiessysteem (evenredige vertegenwoordiging, één nationaal kiesdistrict, geslachts aanduiding van de kandidaten, ...) moet hen die meer politieke participatie en machtsdeelname nastreven voor vrouwen dan ook aanspreken.
 
MEER VROUWEN IN DE POLITIEK
 
 
 
Mogelijk zijn er ook goede redenen om te pleiten voor 'meer vrouwen in de politiek'. Er zijn aanwijzingen dat vrouwen hogere ethische standaarden hanteren dan mannen (Vermeir & Van Kenhove, 2008), dat men vrouwen minder snel tracht om te kopen (Mocan, 2008) en dat een grotere aanwezigheid van vrouwen in het overheidskader gepaard gaat met minder corruptie (Dollar et al., 1999). Al valt niet uit te sluiten dat woman have just had less oportunity (Geisler, 2004).
 
In elk geval zijn zulke onevenwichten in politieke vertegenwoodiging en machtsdeelname problematisch voor wie democratische vertegenwoordiging opvat als een process van 'afspiegeling', voor wie gelooft dat 'only a women can represent a woman, only a black person can represent other black people, only a member of the working class can represent the working classes, and so on'. Omdat gedacht wordt dat politieke vertegenwoordiging van ene of gene sociale groep pas mogelijk wordt wanneer men vertegenwoordigd wordt door iemand die afkomstig is uit diezelfde groep, vormt deze gedachtegang vaak de basisveronderstelling waarop argumenten ten gunste van positieve discriminatie gebouwd worden. Het democratische systeem wordt dan immers geacht pas als legitiem te kunnen worden beschouwd door een welbepaalde groep indien deze groep een vertegenwoordiger heeft, indien zij zich kan identificeren met het vertegenwoordigende lichaam. Integratie van vrouwen in de politieke elite zou in die zin (omdat ook vrouwen er zich dan mee kunnen identificeren) dan bijdragen aan de legitimiteit van het politieke systeem. (Weisskopf, 2005)

In lijn daarvan beargumenteerde McHarg (2006) bijvoorbeeld dat vrouwen slechts een voldoende invloed op de politieke besluitvorming kunnen uitoefenen wanneer een voldoende percentage van het vertegenwoordigende lichaam uit vrouwen bestaat. In dit verband is er ook sprake van een zogenaamde 'kritische massa'. Economen gebruiken de term 'kritische massa' om aan te duiden dat een bepaalde minimumdrempel dient overschreden te worden alvorens een product kan overleven op de markt (in geval van vrouwen in de politieke arena wordt meestal geschat dat die drempel zich rond de 30% bevindt). Van zodra die drempel dan wordt overschreden, zijn er voldoende vrouwen aanwezig om het voortbestaan van een grotere populatie in het vertegenwoordigende orgaan te waarborgen. De al aanwezige vrouwen kunnen de toetreding van nieuwe vrouwelijk leden immers stimuleren en vereenvoudigen. Zo steeg in België, na invoering van wettelijke quota ('ritslijsten'), het aantal vrouwen in het federale parlement van 12% in 1995 naar 35% in 2003. Aanpassingen aan het kiessysteem kunnen aldus een sterke invloed uitoefenen op de politieke aanwezigheid van vrouwen (Diaz & Millns, 2004).
 
MOREEL SOEVEREIN INDIVIDU
 
Indien gestreefd wordtnaar gelijke uitkomsten, naar een proportionele vertegenwoordiging van allerhande verschillende sociale groepen en dit op basis van hun sociale kenmerken eerder dan op basis van hun verschillende politieke overtuigingen en capaciteiten, dan bestaat echter het gevaar dat de werking van het parlementaire systeem wordt ondergraven. Nu is het natuurlijk waar dat de vorm al lang de overhand op de inhoud heeft genomen in het politieke bedrijf, maar ik hoor niemand én pleiten voor een meer proportionele vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek én voor meer 'babes' in de politiek. Iemand indelen tot een bepaalde groep omwille van wie hij is (sekse, sociale klasse, ...) en niet op basis van wat hij wil (ideologie) is echter vanuit (democratisch) politiek oogpunt ridicuul om meerdere redenen. Ten eerste is men altijd verschillende zaken, men behoort tot een veelheid aan groepen en het is volkomen arbitrair om te stellen dat iemand vrouw is terwijl zij net zo goed blank, hogergeschoold, advocate, etc., is. Bovendien veronderstelt dit natuurlijk ten onrechte dat standpunt en groep samenvallen, dat het (zogezegd) behoren tot een groep noodzakelijke en voldoende voorwaarde is om bepaalde standpunten te verdedigen. Dat is een Marxistisch waanidee dat slechts waar is indien men het op uiterst triviale wijze interpreteert - zoals de meeste van Marx' theorieën (Scruton, 1986).
 
Ten gronde is heel deze zienswijze echter fundamenteel fout. In elk geval voor wie de democratische beginselen aanvaardt. Democratie is in essentie immers gestoeld op de aanvaarding van het soevereine individu als moreel scheppend wezen. Dat betekent niet dat de mens als ongeschreven blad wordt geboren, dat hij zijn geschiedenis onder zelfgekozen voorwaarden schrijft of dat hij zou kunnen kiezen wat hij wil, maar het betekent wel dat we iedere mens beschouwen als begiftigd met verstand en geweten (UVRM, 1948, artikel 1). Het is slechts dankzij ideologie dat het bedrijven van politieke praktijken mogelijk is (Hardies, 2007) en politiek speelt zich dan ook af op het terrein van de strijdige waarheden (Safranski, 1990). Het gaat om ideeën, niet om belangen. Het gaat om wat men vindt, niet om wie men is. Of zo zou het toch moeten zijn, maar indien de politieke werkelijkheid haar waarheidssfeer heeft overschreden en de haren u te berge rijzen omdat het politieke toneel overspoeld wordt door 'babes', vraag u dan tegelijkertijd af waarnaar u precies streeft wanneer u voor 'meer vrouwen in de politiek' pleit.
 

Bibliografie
 

Ballington, Julie & Azza Karman (2005) Women in Parliament: Beyond Numbers

Benoit, Kenneth (2006) Duverger's Law and the Study of Electoral Systems.In: French Politics, 4, p. 69-83

Blais, André & Louis Massicotte (2002) Electoral systems. In: Lawrence LeDuc; RichardNiemi & Pippa Norris (eds.) Comparing democracies. New challenges in thestudy of elections and voting

Celis, Karen & Petra Meier (2006) De macht van het geslacht. Gender, politiek en beleid in België

Diaz, Mercedes & Susan Millns(2004) Parity, Power and Representative Politics: the Elusive Pursuit of GenderEquality in Europe. In: Feminist LegalStudies, 12, 3, p. 279-302

Dollar, David et al. (1999) Are Woman Really the "Fairer" Sex? Corruption and Woman in Government.

Geisler, Gisela (2004) Women and the Remaking of Politics in Southern Africa

Hardies, Kris (2007) Groene partijen en het basisinkomen: beïnvloeden verkiezingen de partij-ideologie?

Leyenaar, Monique (2004) Een vrouwvriendelijk kiessysteem. In: PetraMeier & Karen Celis (eds.) Vrouwen vertegenwoordigd, Wetstraat gekraakt?

McHarg, Aileen (2006) Quotas forWomen! The Sex Discrimination (Election Candidation) Act 2002. In: JournalOf Law And Society, 33, 1, p. 141-159

Mocan, Naci (2008) What Determines Corruption? International Evidence from Microdata

Safranski, Rüdiger (1990) Wieviel Warheit brauct der Mensch?

Scruton, Roger (1986) Sexual desire: a moral philosophy of the erotic

Vermeir, Iris & Patrick Van Kenhove (2008) Gender Differences in Double Standards. In: Journal of Business Ethics, 81, 2, p. 281-295

Weisskopf, E. (2005) Is positive discrimination a good way to aiddisadvantaged communities?

 

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

Mannen volgens Vrouwen

28 Augustus 2008, 19:49

 VPRO Thema: Mannen volgens vrouwen (28/08/2008, Ned.3, ca. 20u30)

   
De ideale man van nu. Wie is hij? Wat doet hij? Hoe ziet hij er eruit? Hoe gedraagt hij zich? Wat moet hij kunnen en wat moet hij laten? VPRO Thema laat vrouwen de ideale man anno 2008 construeren. Een levendige, bijna letterlijke montage van het even zo vaak verfoeide als ook beminde verschijnsel ‘man’.(© VPRO)
 
 
 
Uitzending gemist? Geen paniek, u kan ze herbekijken op de VPRO-website!

Geschreven in De wereld draait doorVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

De Olympische Spelen (deel 2)

25 Augustus 2008, 00:19

Gisteren werden in Peking de laatste medailles gewonnen en verloren en kwamen de Olympische zomerspelen van de 29ste Olympiade ten einde. Michael Phelps en Usain Bolt groeiden uit tot de grootste helden ervan. Logisch gezien hun fenomenale prestaties waarmee ze sportgeschiedenis schreven.

 

En toch ... zouden ze dezelfde aandacht hebben gekregen (van media en publiek) indien het vrouwelijke sporters hadden geweest?

OLYMPISCHE GESCHIEDENIS

Dara Torres was niet alleen de oudste zwemster ooit op een Olympische spelen, ze won ook nog eens 3 medailles en evenaarde daarmee het hoogste aantal Olympische medailles (12) behaald door een vrouwelijke sporter. Rebecca Adlington zwom op de 800 meter vrije slag het oudste nog op de tabellen staande zwemrecord aan diggelen. Natalie Coughlin was op Michael Phelps na de meest succesvolle sporter van de VS in Peking: ze zwom naar 6 medailles – het hoogste aantal medailles gewonnen op 1 Olympische Spelen door een vrouw. Rebecca Romero is een van de weinige sporters ooit die een olympische medaille wist te veroveren in verschillende sporttaken (roeien en baanwielrennen). Schermster Giovanna Trillini haalde voor de vijfde opeenvolgende keer een medaille op een Olympische Spelen. Yelena Isinbayeva sprong zich voor de 24ste maal over een recordhoogte en prolongeerde op die manier haar olympische titel.

Waren de prestaties van Torres, Adlington, Coughlin, Romero, Trillini en Isinbayeva minder bewonderenswaardig, minder groots, minder grensverleggend dan die van Phelps en Bolt? Waarschijnlijk niet, maar ondanks de emancipatorische evolutie die de Olympische Spelen hebben doorgemaakt sinds 1986 (zie deel1) blijft ook op dit strijdtoneel de genderongelijkheid tot op vandaag voortbestaan.

MANNEN- EN VROUWENSPORTEN

Sport is traditioneel altijd een mannelijke aangelegenheid geweest, het was een van de manieren om mannelijkheid en mannelijke superioriteit te construeren en valideren, zowel binnen als buiten het sportveld. Sport kan in die zin begrepen worden als een symbolische manier van genderconstructie. (Harry, 1995; Kane & Greendorfer, 1994) Hoewel dat in horizontaal opzicht vandaag de dag minder zichtbaar is dan voorheen (steeds meer vrouwen doen aan sport) geldt dat wel nog steeds op verticaal niveau (er zijn typische ‘mannensporten’ en ‘vrouwensporten’).

 


Nu is het feit dat mannen en vrouwen zich veelal toespitsen op andere sporten op zich niet uitermate interessant of belangrijk, maar het waarom hiervan is dat wel. Het is immers niet het gevolg van natuurlijke verschillen tussen mannen en vrouwen die de eersten fysiek niet in staat zouden stellen om 800 meter te lopen of de laatste om aan waterballet te doen. De keuze voor de ene of andere sport wordt, naast vele andere factoren (e.g. sociale klasse), bepaald door genderspecifieke in- en uitsluitingsmechanismen (e.g. beeldvorming). (Elling, 2003) Zo wijzen meisjes bijvoorbeeld expliciet sporten als voetbal, boksen en autoracen af omdat het ‘jongenssporten zijn’ en/of omdat men ‘een meisje is’ en wijzen jongens ‘vrouwensporten’ als kunstschaatsen, turnen en korfbal van de hand.

HELDEN VAN DE MEDIA

De rol van de media zijn in de deze niet te onderschatten. De media geven niet enkel verslag van de werkelijkheid, maar dragen ook bij aan de constructie van die werkelijkheid (ze maken een selectie van wat we zien en hoe we het zien). (McQuail, 1992) Dat is misschien nog meer zo in de context van sportberichtgeving; de overgrote meerderheid der mensen consumeert sportevenementen immers door middel van de berichtgeving van de massamedia. Helden groeien dan ook niet zozeer uit hun prestaties, maar worden door de media gevormd. De media hebben daardoor een enorme impact op de beeldvorming van jongens en meisjes over wat het meest wenselijke en verkiesbare sportgedrag voor hen is.

Hoewel de discrepantie kleiner is tijdens de Olympische spelen is het zo dat sportberichtgeving zelden of nooit aandacht heeft voor de prestaties van vrouwelijke sporters (van alle in de Amerikaanse media getoonde sportbeelden is meer dan 90% van mannelijke sporters). Het is eveneens een welgedocumenteerd feit dat de sportprestaties van vrouwelijke sporters door de media in woord en beeld gebracht worden op een manier die ze minder waard en interessant doet overkomen dan de equivalente prestaties van hun mannelijke collega’s. Waar mannelijke sportwedstrijden worden gepresenteerd als spannend, melodramatisch of als een thriller met historische betekenis worden vrouwelijke sportwedstrijden vaker gekarakteriseerd als een soort van vriendelijke buurtspelletjes.
 
Het is dan ook geen toeval dat Ana Ivanovic, Maria Sharapova en Anna Kournikova (nog steeds!) meer aandacht krijgen dan Coughlin, Trillini en Romero – en dat zal niet aan hun sportieve prestaties hebben gelegen.

 

 

Bibliografie

Elling, Agnes (2002) 'Ze zijn er (niet) voor gebouwd'. In- en uitsluiting in de sport naar sekse en etniciteit

Elling, Agnes (2003) Sekse en sport: bewegende beelden. In: Vrouwenraad, 1, pp. 10-19

Harry, Joseph (1995) Sports ideology, attitudes toward women, and anti-homosexual attitudes. In: Sex Roles, 32, ½, pp. 109-116

Kane, Mary Jo & Greendorfer, Susan L. (1994) The media’s role in accommodating and resisting stereotyped images of women in sport. In Pamela J. Creedon (Ed.) Women, media and sport

Koivula, Nathalie (1999) Gender Stereotyping in Televised Media Sport Coverage. In: Sex Roles, 41, 7/8, pp. 589-604

LA84Foundation: Research reports : http://www.la84foundation.org/11pub/over_frmst.htm

McQuail, Denis (1992) Media performance: mass communication and the public interest

Geschreven in De wereld draait doorVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon

De Olympische Spelen (deel 1)

07 Augustus 2008, 23:03

Gisteren trapten in alle stilte de vrouwen van Argentinië, Canada, China, Zweden, Duitsland, Brazilië, Noord-Korea, Nigeria, Nieuw-Zeeland, Japan, Noorwegen en de Verenigde Staten het Olympische voetbaltornooi op gang. Pas morgen (8 augustus 2008) echter gaan in Peking de Olympische zomerspelen van de 29ste Olympiade écht van start: vrouwen en mannen uit 205 landen zullen er in 38 disciplines uit 28 sporten strijden om Olympisch goud.

Vijfenveertig procent van de in totaal meer dan 10.000 sporters in Peking zal een vrouw zijn. Dat lijkt vanzelfsprekend in een wereld waarin er zowat evenveel mannen als vrouwen leven. Dat lijkt des te vanzelfsprekender gezien de emancipatorische rol die de Olympische spelen hebben gespeeld (zowel in de Oudheid als Moderne tijd).
Het Olympisch charter stelt ook onomwonden dat: The IOC strongly encourages, by appropriate means, the promotion of women in sport at all levels and in all structures, particularly in the executive bodies of national and international sports organizations with a view to the strict application of the principle of equality of men and women. Toch zullen er ook in Peking nog steeds 9 Olympische delegaties zijn die uitsluitend uit mannelijke sporters bestaan: die van de ministaatjes Liechtenstein (2), de Nederlandse Antillen (3) en de Maagdeneilanden (5) en die van de moslimlanden Brunei (2), Oman (4), Qatar (22), Saoedi-Arabië (16), de Verenigde Arabische Emiraten (5) en Jemen (5). Delegaties die slechts een handjevol sporters tellen, kunnen (aanvaardbare) excuses aanwenden, maar Saoedi-Arabië en Qatar verdienen slechts een minachtende blik. Westerse landen met omvangrijke delegaties als Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Spanje en Canada doen het op dit vlak gelukkig een stuk beter en vaardigen allen zowat evenveel mannelijke als vrouwelijke sporters af.

De finish van de gendergelijkheid is dus nog lang niet overschreden, al werd een lange weg afgelegd: het is nog maar van 1960 geleden dat ook de 61-koppige Belgische delegatie slechts één vrouw bevatte. En hoewel vrouwelijke sporters slechts ontbraken op de allereerste van de moderne Olympiades (Athene – 1896) stonden zij lang in de schaduw van hun mannelijke collega's en werd hen lange tijd de toegang tot diverse sporttakken en disciplines geweigerd. In Parijs (1900) waren zij dan ook met amper 22 (op een totaal van 997 sporters) en participeerden ze enkel in het golf- en tennistornooi.

 
Charlotte Cooper, de eerste vrouwelijke Olympische kampioen
Charlotte Cooper, de eerste vrouwelijke Olympische kampioen


In 1912 mochten vrouwen dan voor het eerst deelnemen aan de zwemnummers en in 1928 aan de atletieknummers – al bleven ze daar geweerd uit loopwedstrijden van meer dan 200m omdat 'hun fysieke gestel niet gemaakt was om grotere inspanningen te torsen en hun fysieke integriteit in gevaar zou kunnen komen'. Pas in 1984, op de Olympische spelen van Los Angeles, zouden vrouwen voor het eerst de Olympische marathon lopen!


Joan Benoit, de eerste vrouwelijke winnares van de Olympische marathon
De Amerikaanse Joan Benoit, de eerste vrouwelijke winnares van de Olympische marathon. (Cor Mulder/AFP/Getty Images)


De Olympische spelen van 1984 waren ook de eersten – de geboycotte spelen van 1976 en 1980 buiten beschouwing gelaten – waarin het deelnemersveld een omvangrijke vrouwelijke groep sporters bevatte. Terwijl het aantal vrouwelijke sporters in 1948 slechts 9%, in 1960 11% en in 1972 15% bedroeg, vertegenwoordigde zij in 1976 23% van het totale deelnemersveld.

Het zou echter nog wachten zijn tot de Olympische spelen van 1996 in Atlanta alvorens het aantal mannelijke sporters (6797) 'slechts' het dubbele zou bedragen van het aantal vrouwelijke (3523)! Niettemin waren er in Atlanta nog 17 Olympische delegaties die uitsluitend uit mannelijke sporters bestonden. Vier jaar later, In Sydney, waren er dat nog slechts 8 van de 199 - in 1992 in Barcelona waren het er nog 36 geweest - en van de 11.084 deelnemers was 38,3% vrouw. In Sydney werden er ook 23 nieuwe disciplines toegankelijk gemaakt voor vrouwen. In 2004 in Athene was al 42% van de sporters vrouw en werd ook het Olympische worsteltornooi toegankelijk gemaakt voor vrouwelijke deelneemsters.

En hoewel nieuwe sporten enkel en alleen in aanmerking komen om de Olympische status te verwerven als ze ook door vrouwen worden beoefend zijn er ook vandaag in Peking nog steeds twee sporten (boksen en kanoën) waarin uitsluitend mannelijke sporters het strijdtoneel zullen betreden.
Ook op de Olympische spelen zal het dus nog een tijd wachten zijn op gendergelijkheid, maar in afwachting kunnen we de komende weken toch al genieten van Blanka Vlasic (hoogspringen), Cheng Fei (artistieke gymnastiek), Anky van Grunsven (dressuur), Ana Ivanovic (tennis), Marta (voetbal), Veronica Campbell (sprint) en zowat 5000 andere vrouwelijke sporters.

Bibliografie

De website van het IOC: http://www.olympic.org/

Het Olympisch charter: http://multimedia.olympic.org/pdf/en_report_122.pdf 

De website van de Olympische spelen in Peking 2008: http://en.beijing2008.cn/

Geschreven in AlgemeenVaste link

Online bladwijzers:Voeg deze link toe met uw social bookmark service en deel deze post met anderen
  • Google
  • del.icio.us
  • Msn
  • Facebook
  • Netlog
  • Technorati
  • bligg
  • netjes
  • ekudos
  • nujij
  • connotea
  • Stumbleupon