Kinderpuzzels in de wetenschap
Het televisie-programma “De kinderpuzzel” met Bart De Pauw en Tine Embrechts draait rond een aantal koppels die moeten achterhalen welke kinderen bij welke ouders horen. De programma-makers hebben hun best gedaan om het raadsel te verbergen. Bijvoorbeeld, als één van de koppels een sterk Limburgs dialect spreekt, dan zijn er naast de kinderen van dat koppel ook nog andere kinderen uit dezelfde streek die als stoorzender fungeren. Maar in normale omstandigheden is het gezicht onze belangrijkste aanwijzing om iemand te herkennen. Moesten de programma-makers ook zorgen voor stoorzenders voor gelijkenissen tussen ouders en kinderen in gelaatstrekken? Niet echt, zo blijkt …
Wat zegt de wetenschap?
Wetenschappelijke studies wijzen er op dat het in gecontroleerde omstandigheden, waarin het gezicht de enige bron van informatie is, bijna ondoenbaar is om kinderen toe te wijzen aan de juiste ouder. Een typische taak start met de aanbieding van een kinderfoto samen met de foto’s van twee of drie volwassenen, en daarbij de vraag om te beslissen wie van de twee volwassenen een ouder is van het kind. Een wetenschappelijke versie van de kinderpuzzel zoals we die kennen van TV. Deze studies doen geen moeite om stoorzenders te introduceren en kiezen de juiste en foute volwassenen op toevallige wijze, al vermijden ze natuurlijk triviale situaties zoals het combineren van een blank kind met een blanke en een Chinese volwassene.
Iemand die zou gokken in deze taak, haalt een score van 50% (keuze uit 2 volwassen foto’s) of 33% (3 volwassenen om uit te kiezen). Als iemand zulk een skore haalt dan is die niet in staat een onderscheid te maken tussen ouders en niet-ouders. Studies wijzen uit dat de keuzes van mensen in zulke taken niet veel beter is dan wat je zou krijgen door te gokken. Bijvoorbeeld, Brédart en French (1999) vroegen aan studenten om een keuze te maken uit de foto’s van 3 volwassenen (wie is de vader/moeder?). Voor kinderen van 1 jaar was het percentage correcte identificaties 42%, voor 3-jarigen 44%, en voor 5-jarigen ongeveer 47%. In sommige studies zijn de percentages nog lager. Christenfeld en Hill rapporteerden in 1995 bijvoorbeeld dat de percentages helemaal niet boven kansniveau uitstegen, en dit voor kinderen in een leeftijdsbereik van 1 tot zelfs 20 jaar. Na vele studies kunnen we stellen dat performantie in deze taak soms beter is dan kans, maar niet veel.
Het bedrog van ons brein in de kraamafdeling …
Deze scores zijn dus verrassend laag. Zo laag dat ze in schril contrast staan met de mate waarin we geneigd zijn om gelaatskenmerken van gezichten van baby’s en peuters te associëren met die van volwassenen. Ik ken de statistieken niet, maar het zou me niet verbazen als dit het meest voorkomende gespreksonderwerp is in kraamklinieken (na de obligate vragen over het verloop van de bevalling en de naamkeuze): “Oh, kijk eens hoe mooi, net de neus van haar papa”, “Hé, die wangen heeft hij van zijn mama”. Op basis van de wetenschappelijke studies ter zake spijt het mij te moeten zeggen dat dit dus allemaal (of toch pakweg 90% van deze beweringen) larie en apekool is.
Voor sommige lezers zal dit misschien onwaarschijnlijk klinken, omdat de gelijkenissen toch wel erg opvallend zijn. Mensen zijn echt overtuigd van zulke uitspraken, en ze zijn geen leugenaars. Maar mensen zijn ook geen goede schatters van probabiliteiten (zie o.a. een vroegere post in deze neuro(b)log). Als je op puur toeval alle baby’s in een kraamkliniek in een ander bed zou kunnen leggen zonder betrapt te worden, dan zouden dezelfde uitspraken nog steeds gedaan worden, even vaak. Elke baby lijkt wel in iets op elke volwassene, de keuze aan kenmerken is haast oneindig (neus, wangen, ogen, mond, kin, lippen, …). Natuurlijk zullen er ook verschillen zijn, maar daar zijn we niet naar op zoek en daar letten we dus niet op. En als er geen voldoende gelijkenissen zijn, dan verzint ons brein ze wel. Niet bewust, nee, we zijn geen bewuste bedriegers, maar ons brein doet het wel voor ons. Als ons brein ons in staat stelt om olifanten te zien in stapelwolken, Jezus in lijkwades, en duivelsgezichten in rookpluimen (zie hieronder voor een bekend voorbeeld, nl. de rookpluim van 9/11), dan is het misschien niet zo verbazend dat datzelfde brein ons in staat stelt om een willekeurige baby sprekend te doen lijken op zijn veronderstelde mama of papa.
Achterliggende oorzaken
Blijft natuurlijk nog steeds de vraag waarom gelaatstrekken van kinderen en hun ouders zo sterk verschillen dat ze bijna even verschillend zijn als de gelaatstrekken van toevallige kind-volwassene paren. Wat zijn de onderliggende oorzaken hiervan? Het is natuurlijk geen evidente taak om kinderen te vergelijken met volwassenen, want gelaatstrekken veranderen doorheen de ontwikkeling. Bijvoorbeeld, de neus van een baby ondergaat heel wat veranderingen doorheen het leven, en de neus van pakweg de koning van België lijkt in niets op het neusje waarmee hij geboren werd (en dit is zonder chirurgie, we spreken hier niet over the King of Pop).
Een tweede mogelijke oorzaak ligt weer in onze hersenen, nl. het feit dat we gezichten herkennen als een soort ‘geheel’. Bij gewone gezichtsherkenning letten we niet zozeer op wat voor neus iemand heeft, of wat voor mond, maar op hoe het gezicht er in zijn geheel uit ziet. Dit wordt treffend geïllustreerd door de onderstaande foto's (overgenomen uit Maurer et al., 2002).
Beide foto’s zijn gemanipuleerd, ze hebben namelijk dezelfde ogen, neus, en mond. Toch herkennen we meteen twee verschillende personen (Al Gore en Bill Clinton) zonder dat de manipulatie opvalt, althans niet in eerste instantie. Deze geheel-herkenning van gezichten heeft dus tot gevolg dat we erg moeilijk taken kunnen uitvoeren zoals “lijkt de neus van deze twee mensen op elkaar”, en dat is nu net wat we proberen te doen als we kinderen aan de juiste ouder willen koppelen. Zonder al te veel succes dus.
Een derde mogelijke oorzaak vinden we in onze evolutionaire achtergrond. In een prehistorische beschaving, nog meer dan nu, is het van belang voor een baby dat de vader overtuigd is dat het kind van hem is (de moeder weet dit natuurlijk met zekerheid). Alleen dan zal de vader zich inspannen om de overleving van het kind te bevorderen en zeker niets doen om het tegen te werken (zoals infanticide). Eén manier om dat te bereiken is dat baby’s systematisch lijken op hun vader, gemiddeld gezien mogelijk meer dan op hun moeder. Christenfeld en Hill rapporteerden zo'n effect, maar het was klein en andere studies hebben dit niet gerepliceerd. Een andere manier is er voor te zorgen dat baby’s eigenlijk op geen enkele ouder lijken, en te rekenen op de algemene eigenschap van ons brein om ons te doen zien wat we willen zien. Dat lijkt dus de strategie te zijn die vanuit de evolutie tot stand is gekomen.
Misschien tot slot nog een wijze raad voor die lezers die de neiging hebben hun wetenschappelijke kennis te pas en te onpas te etaleren, en binnenkort op bezoek gaan bij een pasgeboren baby: Ik heb zo een gevoel dat een jonge moeder meer gesteld gaat zijn op de zoveelste “oh, kijk die mooie wangetjes, net haar mama”, dan op een exposé over de onbetrouwbaarheid van zulke uitspraken en, nog erger, over de rol van zulke vergelijkingen om te vermijden dat de papa infanticide pleegt. Het zou je niet in dank afgenomen worden, niet door de ouders en niet door mij - in geval ze op deze site hun beklag komen doen …
Brédart, S., & French, R. M. (1999). Do babies resemble their fathers more than their mothers? A failure to replicate Christenfeld and Hill (1995). Evolution and Human Behavior, 20, 129–135.
Bressan, P., & Grassi, M. (2009). Parental resemblance in one-year-olds. Evolution and Human Behavior, 25, 133-141.
Christenfeld, N. J. S., & Hill, E. A. (1995). Whose baby are you? Nature, 378, 669.
Maurer, D., Le Grand, R., & Mondloch, C. (2002). The many faces of configural processing. Trends in Cognitive Sciences, 2002, 6, 255-260.
Geschreven in Algemeen Vaste link
-
Reacties :
- (1)
- Geef uw reactie!
- Print dit artikel






NeuroLog
























