Meisjes en wiskunde
Vrouwen zijn niet geïnteresseerd in wiskunde
Vrouwen zijn slecht in wiskunde
Vrouwen zijn niet geïnteresseerd in wiskunde omdat ze er slecht in zijn
Rudi Penne vroeg zich vorige maand op zijn Eos-blog Wiskunde is sexy af of het niet zo is dat 'de minderheidspositie van meisjes in de exacte wetenschappen eerder onnatuurlijk is en geforceerd door sociale en culturele normen'. Ik wil met dit blogbericht dieper ingaan op die bedenking.
'Natuurlijk' zijn er verschillen
Er bestaat een lange rij aan onderzoeken (e.g. Penner
& Paret, 2008) waaruit blijkt dat mannen (lichtjes) beter scoren op testen
die wiskundige vaardigheden trachten te meten. Al te vaak is echter (zeker in
de niet-wetenschappelijke literatuur) verondersteld dat die teruggevonden verschillen
het gevolg waren van het ene of andere 'natuurlijke voordeel'. Dat er met
andere woorden een sekseverschil bestaat. Nog maar in december 2004
veroorzaakte de toenmalige rector van Harvard, Lawrence H. Summers, een kleine
academische rel toen hij suggereerde dat de achterstand van vrouwen in de
wetenschappen en wiskunde (deels) te wijten zou zijn aan een aangeboren
verschil tussen de geslachten. Zijn uitlating veroorzaakte zo een storm aan
boze reacties dat hij zich al snel nuanceerde en verontschuldigde, maar 'heeft
hij misschien geen ongelijk' vroegen en vragen velen zich af.
Wat een feit is, is de minderheidspositie van vrouwen in het wiskundige en wetenschappelijke veld. Tijdens het schooljaar 2006-2007 volgde 48% van de jongens uit het laatste jaar ASO een wiskundige studierichting (bijvoorbeeld Economie-Wiskunde) tegenover slechts 31% van de meisjes. De verschillen kwamen het meest frappant tot uiting in de studierichting Wetenschappen-Wiskunde: die werd door 28% van de jongens uit het laatste jaar van het ASO gevolgd terwijl amper 14% van de meisjes deze richting volgde. Die trend zet zich uiteraard door in het hoger onderwijs waar tijdens het schooljaar 2007-2008 in Vlaanderen van de bachelorstudenten wiskunde er 182 mannen en 130 vrouwen waren terwijl er 32 mannelijke en 26 vrouwelijke masterstudenten waren (onder statistici was de verhouding 110 tegenover 38).
Betekent dat nu dat mannen beter in wiskunde zijn dan vrouwen? Wie al te voortvarend is, beantwoordt die vraag al gauw positief. Is het immers niet zo dat er een positieve relatie bestaat tussen intelligentie en schoolprestaties en is het niet zo dat studiekeuzes beïnvloed worden door interesses en voorkeuren. Dat is inderdaad zo. Is het dan ook niet zo dat, met de woorden van computerwetenschapper David Gelernter (1999), they [women] must be choosing not to enter, presumably because they don't want to; presumably because (by and large) they don't like these fields or (on average) don't tend to excel in them, which is nearly the same thing.
Of toch niet 'natuurlijk'
Reeds bij het minder presteren van meisjes in wiskundige en wetenschappelijke aangelegenheden kunnen ernstige vraagtekens geplaatst worden. Meta-analyses geven immers aan dat de verschillen tussen jongens en meisjes quasi zonder uitzondering een omvang hebben die ergens gelegen is tussen onbestaande en quasi onbestaande (Hyde, 2005). En dat geldt ook voor de verschillen in wiskundige prestaties (Hyde & Linn, 2006). Gelernter heeft inderdaad gelijk dat meisjes wiskunde niet leuk vinden. Meisjes hebben inderdaad negatievere attitudes ten aanzien van wiskunde: ze vinden het minder belangrijk, minder bruikbaar en minder aangenaam dan jongens (Hamilton, 2008). Hoe komt dat echter? Is dat inderdaad omdat ze er minder goed in zijn en omdat iets niet leuk vinden quasi hetzelfde is als er niet goed in zijn?
Neen. Het feit dat jongens en wetenschap tot op heden een geslaagdere combinatie is gebleken dan meisjes en wiskunde heeft andere dan 'natuurlijke' oorzaken. De oorzaak is niet sekse, maar gender. Het is in de eerste plaats het gevolg van het stereotiepe geloof dat meisjes en wiskunde geen geslaagde combinatie vormen. Een geloof dat zowel bij henzelf aanwezig is als bij anderen.
Vrouwen blijken volgens tal van onderzoeken (e.g. O'Laughlin
& Brubaker, 1998; Miller & Bichsel, 2004) een relatief negatieve kijk
te hebben op hun eigen prestaties in vergelijking met mannen, niettegenstaande
hun prestaties niet verschillen. Dergelijke attitudes veroorzaken
angstreacties. Een bijzondere variant hiervan is de zogenaamde 'stereotiepe
bedreiging'. Het bestaan van een stereotype leidt tot verhoogde prestatieangst
bij diegenen die een taak dienen uit te voeren waarvan gedacht wordt dat hun
groep er niet gekwalificeerd voor is (bijv. vrouwen en wiskunde). De
meta-analyse van Signorella en Jamison (1986) concludeerde dat er bij vrouwen een
consistent en significant verband bestaat tussen hun zelfbeeld en cognitieve
prestaties. Zelfidentificatie als vrouw ondermijnt de wiskundige verlangens,
verwachtingen en vermogens omdat wiskunde mannelijk is (Nosek; Banaji &
Greenwald, 2002). Het is daarom niet verwonderlijk dat de onderschatting van
wiskundige prestaties en wiskundige vermogens door vrouwen welgedocumenteerd is
(Spencer; Steele & Quinn, 1999). Het verklaart ook waarom Aziatische
vrouwen beter scoren op wiskundige testen wanneer ze zich in de eerste plaats
als Aziaat identificeren dan wanneer ze zich in de eerste plaats als vrouw
identificeren (Shih; Pittinsky & Ambady, 1999). Stereotiepen beïnvloeden
het zelfbeeld en het gedrag van de gestereotypeerde individuen. De wiskundige
verwachtingen, voorkeuren en prestaties van vrouwen worden daardoor beïnvloedt door
hun impliciete stereotypering als vrouw ('ik ben vrouw dus wiskunde is niets
voor mij'). Samengevat, het bestaan van het stereotiepe beeld dat vrouwen en
wiskunde niet goed samen gaan ondermijnt (onbewust) hun verlangen om wiskundige
prestaties na te jagen (Kiefer & Sekaquaptewa, 2007).
Vrouwen zien die opvattingen en vooroordelen bovendien bevestigd, gedragen en gestimuleerd worden door hun omgeving want ook die gelooft dat meisjes en wiskunde een weinig geslaagde combinatie vormen. Zo schrijven leerkrachten bijvoorbeeld de wiskundige prestaties van meisjes eerder toe aan moeite/inspanning terwijl ze de wiskundige prestaties van jongens eerder toeschrijven aan hun aanleg/talent (Hamilton, 2008). Die verschillende benadering is belangrijk omdat de inspanningen die men kan leveren per definitie een natuurlijke limiet kennen, in tegenstelling tot talent. Jongens worden daarom meer gestimuleerd tot het ontplooien van hun wiskundige capaciteiten en zien interesse in wiskundige bezigheden daarom gestimuleerd wat resulteert in een vicieuze cirkel van stimuli en respons.
Man = vrouw = wiskunde
Het werd reeds gesuggereerd door Dawkins (1976) dat de verbluffende variëteit in de menselijke levenswijze aangeeft dat deze grotendeels bepaald wordt door culturele factoren (eerder dan door genetische). Er is geen reden om aan te nemen dat dit niet zou gelden voor wiskundige prestaties. Integendeel, het feit dat in samenlevingen met grotere gender-gelijkheid verschillen in wiskundige prestaties tussen jongens en meisjes geëlimineerd blijken te worden (Guiso, 2008) laat weinig heel van de veronderstelling van een 'natuurlijk verschil'.
Vrouwen hebben 'vanuit nature' evenveel potentie om briljante wiskundigen te worden als mannen, zolang wij en zij dat maar willen geloven: Hos successus alit possunt quia posse videntur (Vergilius, Aeneis, vol. 5, 231).
Referenties
Dawkins, Richard (1978) The Selfish Gene
Gelernter, David (1999) Women and science at Yale. In: The Weekly Standard, June 21, pp. 11-12
Guiso, Luigi et al. (2008) Culture, Gender, and Math. In: Science, 320, 5880, pp. 1164-1165
Miller, H. & J. Bichsel (2004) Anxiety, working memory, gender, and math performance. In: Personality and Individual Differences, 37, 3, pp. 591-606
Hyde, Janet Shibley (2005) The Gender Similarities Hypothesis. In: American Psychologist, 60, 6, pp. 581-592
Hyde, Janet Shibley & Marcia C. Linn (2006) Gender Similarities in Mathematics and Science. In: Science, 314, 5799, pp. 599 - 600
Kiefer, Amy K. & Denise Sekaquaptewa (2007) Implicit stereotypes and women's math performance: How implicit gender-math stereotypes influence women's susceptibility to stereotype threat. In: Journal of Experimental Social Psychology, 43, pp. 825–832
Miller, Heather & Jacqueline Bichsel (2004) Anxiety, working memory, gender, and math performance. In: Personality and Individual Differences, 37, 3, pp. 591–606
Nosek, Brian A.; Mahzarin R. Banaji & Anthony G. Greenwald (2002) Math = Male, Me = Female, Therefore Math ≠ Me. In: Journal of Personality and Social Psychology, 83, 1, pp. 44-59
O'Laughlin, E.M. & B.S. Brubaker (1998) Use of landmarks in cognitive mapping: Gender differences in self report versus performance. In: Personality and Individual Differences, 24, 5, pp. 595-601
Penner, Andrew M. & Marcel Paret (2008) Gender differences in mathematics achievement: Exploring the early grades and the extremes. In: Social Science Research, 37, 1, pp. 239–253
Shih, Margaret; Todd L. Pittinsky & Nalini Ambady (1999) Stereotype Susceptibility: Identity Salience and Shifts in Quantitative Performance. In: Psychological Science, 10, 1, pp. 80-83
Spencer, Stephen; Claude Steele, & Diane Quinn (1999) Stereotype Threat and Women's Math Performance. In: Journal of Experimental Social Psychology, 35, 1, pp. 4-28











| 

Heel erg bedankt voor dit stuk, het doet me goed. :) Het geeft ook heel erg mijn ervaringen weer: dat je in je schooltijd door je omgeving een richting wordt uitgedrukt op basis van vooroordelen, en niet op basis van wat je bent.
Goed om eens zoiets te lezen in deze tijd waarin al die wetenschappelijke onderzoekjes die aantonen dat mannen en vrouwen tegengestelde wezens zijn mode lijken te zijn.
Bedankt voor je positieve commentaar, Els. Het blijft inderdaad opboksen tegen de idee dat mannen van Mars en vrouwen van Venus komen.
Eind vorige maand verscheen in Science overigens opnieuw een artikel dat ondersteunt wat ik zeg.
Hyde, Janet Shibley et al. (2008) Gender Similarities Characterize Math Performance. In: Science, 321, 5888, pp. 494-495
Wat mij stoort aan deze onderwerpen is dat er nooit gewerkt wordt met basiswetenschappelijk onderzoek maar meer via 'enqu?tewerk'. Het is bijv. waarschijnlijk allemaal waar dat sociaal-culturele factoren een invloed hebben op prestaties en je kan dit inderdaad zoals hier wordt gedaan, terugvinden in artikels etc.
Hiermee wordt er eigenlijk bitter weinig gezegd over het onderwerp met name zijn jongens nu beter of niet? Er wordt hiermee alleen geduid dat omgeving een invloed kan hebben.
Wat is mijn punt nu? wel wat gaat er nu eigenlijk werkelijk om in onze hersenen? En daarover is nog zo weinig geweten en ook de connectie tussen het fundamentele onderzoek en deze topic is wellicht ook niet zo sterk.
Genderverschillen: hot topic, maar eerder besluiteloze discussies
Steven, alvast bedankt voor je reactie.
Zuiver experimenteel onderzoek is in dit soort van researchtopics inderdaad niet voor de hand liggend - je onderzoekt nu eenmaal mensen.
Vanuit neurowetenschappelijke hoek zijn er aanwijzingen dat er subtiele anatomische verschillen tussen de hersenen van mannen en vrouwen zijn, maar zelfs dat staat niet vast. Vergelijkend hersenonderzoek is immers verre van evident en welbeschouwd zijn er geen grote anatomische verschillen tussen de hersenen van mannen en vrouwen. Bovendien weet niemand of - laat staan hoe - zulke eventuele verschillen gerelateerd zijn aan cognitieve vermogens en prestaties. Halpern (2000:225) schrijft in haar boek 'Sex differences in cognitive abilities' dat: "Perhaps the most striking finding from all of the neuropsychological research is the overwhelming number of similarities between the sexes and the relatively few sex differences that have emerged".
Over wat onze hersenen precies doen, bestaat weldegelijk onderzoek (zie bijv. 'The Number Sense' van Stanislas Dehaene), maar dat zegt op zich natuurlijk weinig over genderverschillen. Wanneer we dan kijken naar de biologische set cognitieve vaardigheden die mensen in staat stelt tot wiskundig redeneren dan stellen we vast dat die wordt gedeeld door mannen en vrouwen (zie bijv. dit artikel van Spelke http://www.wjh.harvard.edu/~lds/pdfs/spelke2005.pdf)
Dehaene en Spelke zijn sowieso de namen wiens onderzoeken je er op moet naslaan indien dergelijk onderzoek je interesseert. Zie bijv. ook hun gezamelijke artikel uit Science 'Sources of Mathematical Thinking: Behavioral and Brain-Imaging Evidence' (International Edition - AAAS, vol. 284, n? 5416, pp. 970-973).
De plasticiteit van onze hersenen wordt overigens nog steeds danig onderschat. Zelfs tijdens ons volwassen leven kunnen onze hersenen nog dendritische groei meemaken, worden synapsen gevormd en blijft zelfs het ontstaan van nieuwe neuronen mogelijk. Een model dat geen rekening houdt met de omgeving heeft dus geen enkele zin; net zoals de werking van onze hersenen niet los kan worden gezien van haar evolutionaire achtergrond kan zij niet worden los gezien van haar ontwikkelingsomgeving (verschillende omgevingen leiden letterlijk tot verschillende manieren van denken).